Kosterman…. Alex Kosterman is mijn naam. Vrijdag 4 juni 2021, heb ik op de fiets een stuk gezworven langs de rivier de Lek, in het mooie Betuweland. Door Beusichem, Zoelmond, Ravenswaaij en Culemborg om via Schalkwijk weer naar Wijk bij Duurstede, waar ik begonnen was, weer terug te fietsen. Hier over de dijken ben ik een aantal jaren, zo halverwege de 60er jaren in Culemborg naar de LTS gefietst, zomers en ‘s winters, op warme dagen en in bittere winterse vrieskou. ‘s Morgens 10 Km heen en na schooltijd weer dezelfde 10 KM terug. Graag wilde ik weer eens net als zo’n 50 jaar geleden over deze dijken fietsen. Lenie ging vandaag met haar vriendin Marja, weer een gedeelte van het ‘Floris de 5e pad’ wandelen, met een lengte van 22.5 Km. Maar ik ben meer een zwerver en vind het leuk om interessante dingen, zoals bloemen, dieren en o.a. boerderijen etc. die ik onderweg tegenkom te bekijken en fotograferen. Tijdens mijn fietstocht had ik bij mijn zus Bea en zwager Bart in Zoelmond twee kopjes koffie had gedronken was ik daarna weer op de fiets gestapt richting Ravenswaaij. Bij de oprit in de Donkerstraat naar de Lekdijk in Ravenswaaij wilde ik even bij de Nicolaaskerk gaan kijken en een paar foto’s maken. Ik heb zwervende door de Wijkse Bosscherwaarden warme herinneringen aan deze kerk. Wanneer ik in de stilte van de uiterwaarden ‘De Bosscherwaarden’ al vanaf mijn jeugdjaren aan het zwerven ben, en het kerkklokje plots helder klinkt, zweeft het wegebbende kristalheldere geluid over de rivier en weilanden dan vind ik dat prachtig, wonderschoon, zo mooi klinkt het klokje. Maar in Ravenswaaij boven aan de oprit gekomen zie ik aan de rechterkant binnendijks een oude boerderij, waar aan de voet van de dijk achter het hoogstaande met boterbloemen besprenkeld gras, kippen en witte duiven op een kaal stukje grond scharrelen. Op de vensterbanken, waarvan enkele echt aan vervanging toe zijn, zitten twee helder witte duiven in de warmte van de dag te dutten terwijl enkele witte soortgenoten op de dakpannen en schoorsteen zitten. Vanaf de Lekdijk heb ik een mooi uitzicht over het met vele spullen en oude landbouwmachines vol staand erf. Een oude woonwagen staat links op het erf als een soort afscheiding met de buren. Een paar grote stukken wasgoed hangen aan de waslijnen. Een flink aantal wieldoppen hangen en staan op diverse plaatsen verspreid over het erf, waar kippen en hanen scharrelen in een lange loopren aan de voet van de dijk. Plots verschijnt er een man, waarschijnlijk de bewoner met een kistje vol groente en fruitafval en gooit de inhoud over de kippengaasafzetting in de ren, met gevolg dat rennende vleugel klapperende en kakelende kippen op het voedsel afkomen. Ik roep naar hem en vraag of ik wat foto’s mag maken. De man plaats twee keer zijn linkerhand achter zijn oor en schud zijn hoofd, tot dat hij begrijpt wat ik bedoel en ‘ja’ knikt. ‘Zal ik de foto’s naar u opsturen’ roep ik naar nogmaals naar hem vanaf de dijk. Maar weer schud hij zijn hoofd, en wijst met zijn hand naar links met een gebaar dat ik maar naar hem toe moet komen. Bij de ingang naar het erf halverwege de dijkoprit in de Donkerstraat staat hij, bij het houten spijlenhek, mij al op te wachten met zijn hond. Ik overhandig hem mijn kaartje met naam en telefoonnummer, en hij leest en zegt ‘De Wijkse Zwerver’. Kom jij uit Wijk vraagt hij mij aankijkend’ ? ‘Ja ik ben geboren op de Hoogstraat… nummer 95′ zeg ik tegen hem. , Da’s leuk man ik heb ook op de Hoogstraat gewoond’. ‘Marchal…. Marchal’ zegt hij vragend en op zijn hoofd krabbend, Was jouw vader misschien degene die bij de Gemeente in Wijk werkte, en vroeger zaterdags op de vuilstort de Bermput toezicht hield, om te kijken of alles goed ging ? ‘Ja dat was mijn vader, Wout Marchal’ bevestig ik. ‘Maar hoe heet jij dan ? vraag ik aan de man die voorover gebukt zijn hond een aai over zijn kop geeft. ‘Kosterman… Alex Kosterman is mijn naam’. ‘Maar dat is leuk’ zegt ik, snel in mijn geheugen gravend, ‘Man ik heb volgens mij vroeger, omstreeks 1978 nog een door jou gemaakt eikenhouten kastje bij je gekocht’. ‘Jij had toch achter het huis in de Hoogstraat in de schuur een soort werkplaats met een onder andere een vlakbank en lintzaag en zo. Mooie kastjes en andere dingen maakte je toen’. Een beetje trots kijkt Alex mij aan. ‘Kerel dan heb ik jou in geen 43 jaar meer gezien, nou ik had je echt niet meer herkend’ zeg ik tegen hem, kijkend naar zijn bruine kop en in zijn oorlellen hangende gouden ringen. Er is gelijk een klik tussen ons, een klein stukje gezamenlijk Wijks verleden. Alex woont hier al ongeveer een goede 30 jaar. Prachtig zijn al zijn rommeltjes, verroeste landbouwwerktuigen op het erf, en een gereedschappenverzamelingen, hangend aan houten schuurwanden en deuren. Kippen en witte duiven scharrelen over het erf. In een groot konijnenhok is een volledige kerststal uitgestald, zomer en winter. ‘Ik moet even de was binnenhalen, straks schijten de duiven erop’. In een van de schuren laat Alex de hardhouten kozijnen zien die hij aan het maken is, om de half verrotte kozijnen in zijn boerderij te vervangen. ‘Kijk ik ben de kozijnen aan het opknappen en degene die nog goed zijn te schilderen’ zegt Alex naar zijn boerderij omhoog wijzend. ‘En de woonwagen moet ik ook nog hoognodig opknappen, man ik heb nog werk zat’ zegt hij lachend. Aan een scheurdeur hangt een bosje oude sleutels. ‘Ah, ik heb thuis ook nog een blikje vol met oude sleutels van mijn vader, er zitten mooie exemplaren tussen’ zeg ik tegen Alex. Hij vraagt of ik even met hem meeloop en laat in een van de schuurtjes, een groot rechthoekige trommel vol oude sleutels zien. ‘Kijk uit dat je je harsus niet stoot’ krijg ik als waarschuwing, ‘Mijn schuur staat een beetje vol’. ‘Ach ik rommel wel us wat met oude kasten, en dan kan zo’n ouwe sleutel soms van pas komen’ vult Alex aan. Spike de hond volgt ons overal. Ik hou wel van dit soort mensen zoals Alex, een beetje vrije vogels die gewoon hun eigen gang gaan, en de spullen bewaren die zij leuk vinden. ‘Ach man ik klus er een beetje bij, door ouwe dingen te repareren, ik vind het gewoon leuk om te doen’ zegt hij wijzend naar dingen waarmee op dit moment mee bezig is om het op te knappen. Ik beloof Alex om de komende weken een paar foto’s te laten afdrukken en met Lenie terug te komen. Hij zegt dat ik altijd welkom ben. ‘En neem je vrouw maar mee’. Ik stap weer op de fiets om mijn fietstocht, richting Culemborg te vervolgen, en ik vraag aan hem of ik wat foto’s op mijn fotosite ‘De Wijkse Zwerver’ of Facebook mag plaatsen. ‘Je ga je gang maar, dan kunnen de Wijkenaren, de echte ouwe Wijkse misschien ook weer eens genieten en lachen, en dan weten ze gelijk weer hoe het met me gaat’. Vriendelijk zwaait hij mij gedag vanachter zijn zwarte hek waarover een van de spijlen scheef gezakt een kleine bel hangt. Als ik weer op de dijk ben en omkijk om nog even een foto van Alex zijn boerderij, met de wat verderop gelegen kerk te maken, zie ik een jongen met een karretje vol spullen tegen de oprit omhoog lopen. Ik fiets naar hem toe en vraag ‘Ga je naar het strand van de rivier’ vraag ik hem. ‘Nee meneer ik ga met mijn vriend een molen bouwen’ zegt hij vriendelijk tegen mij. Trost laat hij enkele dingen die op zijn wagentje liggen zien. Het ziet er mooi gemaakt uit, en het beloofd een mooi molentje te worden. Ik zeg hem gedag en wens hem geluk met zijn molenbouw. Als ik even later al fietsend nog een keertje omkijk zie ik de jongen, de molenbouwer over de dijk achter zijn wagentje lopen, en werp ik een laatste blik op het mooie dorpsgezicht van Ravenswaaij, een stil dorp, maar een mooi dorp, zo prachtig gelegen aan de voortkabbelende rivier, met een schitterend uitzicht over de Bosscherwaarden waar ik al vanaf mijn jeugdjaren rondzwerf en dat hopelijk nog vele jaren mag doen. En bij Alex hoop ik binnenkort weer terug te komen, een mooie kerel ! Vol van de leuke ontmoeting met hem, fiets ik genietend van het weidse uitzicht van de met bomen en struiken besprenkelde uiterwaarden, en in het zonlicht blinkende rivier in een zomerse warmte richting Beusichem en het verderop gelegen Culemborg. m.v.g. Gerrit. NB. Voor aanvullende foto’s zie bij Facebook onder: ‘Lenie Gerrit Marchal’.

Al jaren, wil ik graag bij Cor van Selm, de vroegere muskusrattenvanger van mijn geboortestreek, het Kromme Rijngebied, langs gaan. Hij schijnt ergens langs tussen Schalwijk en Tull en ‘t Waal, langs de Lekdijk te wonen, nabij het fort Honswijk had ik wel eens gehoord. ‘Lekdijk 36a in Schalkwijk’ staat op het kladje, wat ik in 2008 van hem had gekregen toen ik Cor in Leersum bij de Snuffelschuur tegenkwam, en hij zoek was naar een boek. Het van hem gekregen kladje met zijn naam en adresgegevens bewaar ik als boekenlegger. Maar daar waar Cor woont kom ik niet zo vaak, eigenlijk ben ik in die omgeving in geen jaren meer geweest. Wie is Cor ? Ik hoorde in vroeger jaren, toen ik als echte geboren Wijkenaar nog in Wijk bij Duurstede woonde, en ik zo af en toe bij Fam. Pouw, die achter in het Wijkerbroek woonden, de naam van Cor, als muskusrattenvanger wel eens vallen. Samen met Wim en Joop Pouw trainden wij onze extra karatetraining in een door hen gebouwd schuurtje, wat halverwege het weiland, achter hun ouderlijke woning stond. Of wij trainden op de hooizolder tussen de opgestapelde balen hooi en stro. Vaak gingen wij ook, met Ruud Mendel, ‘s zaterdags hardlopen en trainen in de bossen van Leersum. Doordeweeks trainden wij twee avonden bij de karateclub Shiai-jo, bij Wijnand van den Broek. Ik was met o.a. Hans Korstanje één van zijn eerste vijf leerlingen, toen Wijnand in 1971 met zijn karateschool in het sportzaaltje van de voormalige ‘School met de Bijbel’ in de Volderstraat in Wijk bij Duurstede begon. Uiteindelijk ben ik eind 2007 met karate gestopt. De oudste broer van Joop en Wim, Hans, zo begreep ik van Cor, had samen met hem op de Hogere Zeevaartschool in Utrecht gezeten. Na het trainen op de hooizolder ging ik vaak met Wim en Joop mee naar binnen om wat te drinken en een beetje bij te komen van de training. Hun vader zat, met drie andere mannen regelmatig op de zaterdagmiddagen in de keuken rond de tafel een kaartje te leggen, terwijl hun vriendelijke en zachtaardige moeder altijd vroeg als ik binnen kwam, of ik een kopje koffie wilde drinken. Mooie en warme herinneringen heb ik hiervan overgehouden, een gastvrije familie waar de deur altijd open stond, en die naar Wijkse begrippen aan het einde van de Wijkse wereld, aan een doodlopende weg, achter in het Wijkerbroek woonden. Maar Cor van Selm kwam ik ook tegen in het door Jan Bosch geschreven boek ‘Kom nog us an’, wat ik op 22 november 1989 bij de schrijver in Elst ( Provincie Utrecht ) in zijn drogisterij had gekocht. Op 9 augustus 2008 kwam ik Cor toevallig tegen bij de snuffelschuur in Leersum. Hij stond net op het punt om op zijn mooie rode motor weer terug naar huis te rijden toen ik met hem in gesprek raakte en hij liet weten het boek ‘Kom nog us an’ te zoeken, want zijn boek was door waterschade kapot gegaan en zag er niet meer uit. Ik beloofde hem toen om naar het gezochte boek uit te kijken, en hij gaf mij het kaartje met daarop zijn gegevens wat ik nu al jaren als boekenlegger gebruik. In de jaren daarna heb ik voor Cor zo hap snap gezocht naar dit boek, en toen ik een exemplaar gevonden had, en hem hierover belde bezat hij al reeds een nieuw exemplaar, gelukkig voor hem. Ik had het boek nu dubbel, maar dat was niet erg. Het is, zo wie zo een mooi boek, en wie weet kan ik iemand er een plezier meedoen. Maar Cor, de vroegere muskusratvanger heb ik altijd al eens willen bezoeken. Waarom ? Ja ik weet het eigenlijk niet. Hij heeft een mooie kop met een volle baard die mij laat ik zeggen aan een soort goedaardige tovenaar doet denken. Op één of andere manier mag ik gevoelsmatig dit soort mensen wel. Ik heb het een stuk minder op met heren in driedelige pakken, die heb ik in de loop der jaren al heb genoeg gezien tijdens mijn kantoorwerk als landkaartenvervaardiger – Kartograaf, vanaf augustus 1969 bij Ingenieursbureau van Steenis en de Rijkswaterstaat in Utrecht, en vanaf 1983 tot augustus 2018 bij Gemeente Almere. Vele jaren, totaal 49 jaar, heb ik bij deze werkgevers met veel plezier en voldoening gewerkt, en ook vele leuke collega’s ontmoet, die later meer een soort goede kennissen zijn geworden, maar er waren ook van die echte kleurloze fantasieloze kantoorpikken bij. Geef mij maar mensen die erbij lopen zoals zij willen, voor mij hoeft het ‘kleding maakt de man’ gedachtegoed niet zo. Ik heb meer, veel meer met een oud boertje in zijn met stront en klei besmeurde klompen en kleding dan met nettepakkenfiguren. Die zogenaamde eenvoudige ‘strontboertjes’ waar soms op neer gekeken wordt, hebben vaak meer wijsheid onder hun pet en in hun koppen zitten, dan sommige van die geleerde zelfingenomen heren, uitzonderingen daar gelaten natuurlijk. De laatste maanden kom ik Cor nog wel eens tegen via facebook. Eigenlijk waren Lenie en ik van plan om eens in de omgeving waar Cor woont, zo tussen Schalkwijk en Tull en ‘t waal te gaan wandelen. In vroeger jaren, zo omstreeks 1970 maakte ik wel eens een fietstocht in deze omgeving, en is altijd als een mooi gebied en herinnering in mijn geheugen blijven hangen. Ik vroeg, en kreeg van Cor wat wandeltips en bezienswaardigheden in zijn omgeving, toen hij schreef ‘kom maar op de koffie. ‘Bij de kabouter moet je het erf op, en bij de heks is de bel, ik zie je wel verschijnen’. Dat begint al mooi dacht ik, ik heb wel wat met kabouters, heksen en trollen enz. Vanuit Almere zijn Lenie en ik via Utrecht, Houten richting Schalkwijk gereden. De lintbebouwing van Schalkwijk ken ik wel een beetje. In vroeger jaren, zo omstreeks 1966 en begin 70er jaren fietste ik hier wel eens, langs de hier staande mooie boerderijen en wit geleuningde brugjes over het water van de Schalkwijkse wetering. Op de Lekdijk aangekomen reden wij richting Tull en ‘t Waal op weg naar de boerderij van Cor. Wat is het toch mooi hier, met het uitzicht over de uiterwaarden kijkend naar het aan de overzijde van de rivier gelegen Culemborg. Het wijde land is intens groen na de laatste regenbui die net over het land getrokken is en alles in intense kleuren achterlaat. De Lekdijk richting Tull en ‘t Waal is een verrassend mooi stukje Nederland, met brede uitzichten over uiterwaarden en binnendijkse weilanden en frisgroene boomgaarden. Grote schepen varen in de Lek stroomopwaarts richting Wijk bij Duurstede en waarschijnlijk veel verder. Hier ben ik in geen jaren meer geweest, jammer eigenlijk, zo mooi is het hier. In de uiterwaarden, de Steenwaard grazen koeien onder een overtrekkende donkere wolkenhemel. Waterranonkels bloeien bij honderden in een waterplas, hier nabij het tunneltje onder de spoorlijn Utrecht richting Den Bosch. Even verderop in het natte gras zijn vier reigers op zoek naar voedsel. Onder een meidoornhaag schuilen schapen voor de nu gestaag vallende milde voorjaarsregen. Betonnen bunkers doemen onverwachts aan de rechterzijde binnendijks op in het groene land waar fruitbomen met hun nog niet weggeregende grauwwitte bloesem het landschap opfleuren. Hier ligt de stelling aan de ‘Groene weg’ in Schalkwijk, een onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, gebouwd tijdens de mobilisatie in de eerste wereldoorlog. ‘Wat is het hier mooi’ zegt Leentje’ vanuit de auto over het land kijkend ‘Prachtig, waarom komen wij hier niet vaker’ zegt zij verbaasd. Hier rijden wij rechts over een bochtig wegje de dijk af, de Groeneweg op. Gelijk onder aan de afrit, de hucht zoals wij Wijkse jongens vroeger zeiden, zien wij links in het weelderige groen de ‘Kabouter’ van Cor, op zijn schommel in een uitgeholde boomstam zitten. Wij rijden rustig bij hem het erf op. Aan de rechterzijde staat onder een afdak van een hoge schuur een enorme kachelhoutvoorraad. Een eenvoudig soort kerststalletje bestaande uit twee beeldjes staan in een vele opgestapelde houtblokken uitgespaarde nis. Schapen grazen in een stukje weiland bij de woning die naast de boerderij van Cor gelegen is. Een milde regen valt nog steeds, en bij het uitstappen verberg in mijn twee fototoestellen onder mijn oude gerafelde 33 jaar oude spijkerjas. Bij de heks van de openstaande deeldeur zoeken Lenie en ik naar een bel, maar hoe wij ook kijken er is niets wat als functie van bel zou kunnen dienen. Nog maar even goed kijken, wij zijn toch niet gek ? Waarschijnlijk had Cor onze stemmen al gehoord, want even later komt hij op zijn sloffen naar buiten lopen en zegt vriendelijk ‘Jullie hadden hier aan het witte stroomsnoer met een stekker, hier bij de heks moeten trekken, dan hoor ik binnen de bel’. Je moet maar weten. Binnen gekomen gaat Cor in zijn stoel zitten naast een kleine niet brandende, maar een flink verroeste kacheltje. Voor de kleine kachel, die ruim voldoende warmte geeft, verzekerd Cor ons liggen enkele grote blokken hout, een tang en kachelpook. Een vossenhuid hangt aan één van de muren. Andere jagersspullen hangen of liggen op de diverse hier staande kastjes, tafels en op planken gebroederlijk naast andere spullen. Een oud schilderij, wat later zoals Cor vertelde, in vroeger jaren de boerderij van zijn opa in Culemborg was, staat op een dorpel boven de deur naar het deel of andere ruimte van de boerderij. ‘Ik had best de kachel aan kunnen doen, met dit koude weer’. ‘Gaan jullie maar ergens zitten, maak niet uit waar’ zegt Cor wijzend naar de met fleurig bloemenstof beklede stoelen, terwijl hij zich in zijn eigen stoel laat zakken, en zijn geslofte voeten op een krukje plaatst. Ik zeg tegen hem dat ik het leuk vind dat ik een keer bij langs mag komen. Hij knik gemoedelijk. ‘Jullie zijn welkom, willen jullie koffie ?’ Even later komt Cor met twee bekers lekkere koffie, uit neem ik aan zijn naast gelegen keuken. ‘Ik vraag of ik wat foto’s mag maken, en hij laat laat weten dat ik mijn gang kan gaan. Alléén mijn flits doet onverwachts wat vreemd en werkt jammer genoeg niet. Ik had vorige week een losse externe flitser gekocht en had wat met de instellingen in mijn fototoestel zitten prutsen en uitproberen, met het resultaat dat de ingebouwde flitser nu weigert. Zo goed en kwaad als het kan probeer ik, en Lenie een paar foto’s te maken, gelukkig heb ik twee fotocamera’s bij mij met verschillende objectieven. Een gezellig gesprek volgt, over ons, over Cor, zijn ouders, opa en oma, en o.a. over de familie Pouw in het Wijkse Wijkerbroek, waar Cor vroeger als muskusrattenvanger zo af en toe kwam. De koffie smaakt goed en vol aandacht luisteren Lenie en ik naar hetgeen Cor verteld, mooie en minder mooie dingen, ook de prachtige tijd dat hij zij opa in Culemborg, en over dingen en gebeurtenissen in de achter hem liggende jaren. Hij is in mijn ogen een bijzondere, goedaardige man. Ik mag hem wel, als ik al luisterend naar hem kijk, terwijl hij zo daar naast ons zit, in zijn stoel van zijn ouderlijke boerderij. Zijn lange ruige haren overgaand in een eveneens ruige weelderige baard zijn een kabouter en tovenaar waardig. Hij heeft al jaren last van zijn longen, waarschijnlijk ten gevolge van in het verleden werken met asbest. Zeven jaar, als ik het goed onthouden heb, heeft Cor vroeger gevaren. Maar eveneens is hij jarenlang hier in de regio muskusrattenvanger geweest. De liefde en belangstelling voor de jacht heeft hem altijd al getrokken, en uit zich in de vele spullen die hier in de boerderij te zien zijn. Zijn overgrootmoeder, met een prachtige witte boerenmuts, waarmee Cor als baby een goede 72 jaar geleden op een foto is vereeuwigd, komt voor in één van de boekjes van Betje Boerhave. Ik heb de boekjes nooit gelezen, wel van gehoord. Mijn overleden broer Johan en schoonzuster Petrie hebben deze boekje dacht ik. Ik zal Petrie vragen of ik ze mag lenen en lezen. Plots staat Cor op een laat ons een oude veldfles zien die zijn opa als soldaat nog gedragen heeft. Bijzondere dingen, mooi om even aan te raken, stukjes verleden bewonderd door ons, in het heden. Op de grond staat tegen de muur een oud kleurverschoten getuigschrift van een van zijn voorvaderen. ‘Wereld – Oorlog 1914 – 1918 staat aan de bovenzijde in enigszins verbleekte goudkleurige letters. ‘Cornelis van Selm, Geb. 25 sept 1894 te Mijdrecht’ ,zie ik duidelijk, nu ik gehurkt zit, in helder zwarte tekst bijna onderaan het grote getuigschrift. ‘Willen jullie nog een kopje koffie ? vraagt Cor vriendelijk. Terwijl hij richting de keuken loopt wijst hij naar het schilderij boven de deur, ‘Kijk daar is de boerderij met het rode dak, daar woonde mijn opa in Culemborg’. ‘Weet jij waar de achterweg is in Culemborg ? vraagt hij aan mij, schuin mijn richting uitkijkend. Ik ken het wegje, alhoewel ik er zeker in geen 25 jaar meer ben geweest. Maar in mijn herinnering was het vroeger een mooi stil wegje, aan beide zijden geflankeerd door fruitboomgaarden en weilanden waar toen gehoornde koeien vredig graasden. Toen ik in halverwege de 60er jaren in Culemborg op de LTS zat fietste ik op weg naar huis wel eens over dit stille wegje, en genoot toen als jongen al van de natuur en omgeving, die tot op de dag van vandaag als iets moois in mijn geheugen zit. ‘Kijk daar bij de oprit naar de dijk stond opa’s boerderij’ vult Cor aan. ‘Vroeger heb ik mijn opa wel eens geholpen met koren binnen halen, een hele klus, hard werken maar het was een mooie tijd nu ik eraan terug denk’. ‘De Redichemse Waarden was toen nog niet zoals nu grotendeels weggegraven. Door zandwinning is een groot gedeelte weggraven, maar volgens ‘Natuur en Vogelwacht’ van Culemborg, waar ik omstreeks 1974 een poos lid van ben geweest, komen wel bijzondere vogels in dit gebied voor, alhoewel door de afgravingen ook enkele plantensoorten bijna verdwenen zijn. Cor staat op en loopt naar één van de kasten. Ik hoor hem mompelen en wat rommelen, tot dat hij gevonden heeft wat hij zocht. Een lichtdruk, een afdruk van een landkaart, die hij vervolgens op een tafeltje legt onder een met warm licht brandende boerenlamp. Gebogen over de landkaart wijst Cor mij op de plaats waar vroeger zijn opa in Culemborg woonde. ‘Kijk hier was het’ zegt hij wijzend met zijn vinger op de wat gekreukelde landkaart. Ik maak een foto van de landkaart zodat ik thuis de situatie nog eens goed kan bekijken. ‘Mijn ogen worden slechter, vooral mijn rechteroog, glaucoom, en mijn zicht word steeds minder, maar ja ik zal het ermee moeten doen’ zegt hij. Wij gaan weer zitten en drinken onze koffie op. Een stuk wortel van een populier heeft in mijn ogen een vorm van een opspringende haas, hangt aan een donkergroen geverfde deur. Een donkerrood lint is om de ‘haaswortel’ gebonden. ‘Nog een soort Kerststuk’ legt Cor uit. Maar ik vind het een mooi ding zeg ik tegen hem. Onverwachts draait Cor zich in zijn stoel schuim om en zet een paar prachtig beschilderde klompen op de plavuizen tussen Lenie en mij. Twee schilderijtjes zijn het, een naakte vrouw met pijl en boog op de ene klomp, en op opgejaagd hert op de andere, prachtig ! ‘Een kunstenaar uit Tull en ‘t Waal heeft dit vroeger voor mij geschilderd, jammer genoeg heeft hij het niet ondertekend anders waren de klompen een kapitaal waard geweest’ laat Cor ons weten. Na een gezellig praatje gaan Leentje en ik weer weg. Cor loopt nog even mee naar buiten. ‘Kom nog maar eens terug als het beter weer is, het was gezellig en dan kunnen wij in de tuin zitten’ zegt Cor zijn baard strelend, en wandelt even later, als wij in de auto stappen, zonder om te kijken richting de wat verder staande schuur. Ik hoop dat het mij gegeven is binnenkort weer eens bij de vriendelijke Cor terug te komen en voor die tijd zal ik echt wel controleren of mijn fotocamera goed werkt en niet zoals nu, voor verrassingen kom te staan. Van harte hoop ik voor Cor dat zijn longen en ogen niet slechter zullen worden. Leentje en ik rijden rustig het erf af de kabouter op zijn schommel in de uitgeholde boom gedag zeggend om even verderop nog een stukje te gaan wandelen. ‘Een vriendelijke en bijzondere man’ zegt Leentje tegen mij in de auto, en gelijk heeft zij. De wind is nog fris, en een gestaag vallende regen maakt alles zeiknat, wij wachten nog maar even in de auto alvorens wij gaan wandelen. Mij maakt het niet zoveel uit, maar Leentje is niet zo blij met het weer, het is koud en nat met dreigende hemelluchten. Bij de stelling aan de ‘Groene weg’ wandelen wij een klein stukje, maar opnieuw komen nog dreigender donkere wolken onze richting uit. ‘Wij komen hier nog wel een keer, en dan gaan wij lekker wandelen of een stuk fietsen’ zegt Leentje. Graag had ik vandaag een stuk willen wandelen, maar het is niet anders. En eigenlijk zijn wij veel langer bij Cor gebleven dan wij hadden verwacht. Voor wij wegrijden zien wij mooie paarden hollen in een frisgroene weide langs de Groeneweg. Wij nog bij het fort Honswijk gaan kijken, waar onverwachts, heel even, als een geschenk en wonder, het donkere wolkendek openbreekt en een late middagzon over het oude fort zijn stalen uitstrooit, in één woord prachtig. Buitendijks grazen wat koeien en schapen in de met struiken beklede uiterwaarden. Na een poosje genoten te hebben van het uitzicht rijden wij vervolgens over de dijk, waar soms binnendijks onder bomengroen knusse huisjes staan, in oostelijke richting naar Wijk bij Duurstede, waar wij nog even bij mijn lagere schoolmaat Kees Korstanje een paar kasplantjes gaan ophalen. ‘Ik heb er wat voor jullie klaar gezet’ zei Kees toen ik hem vanmorgen belde, ‘Kom maar gezellig effe langs, dan maak ik net als vorige week een lekker koppie thee voor jullie’. m.v.g. Gerrit.

Op donderdag 13 mei 2021 al wandelend door Wijk bij Duurstede bij mijn lagere schoolmaat Kees Korstanje gaan kijken. Direct ging hij een heerlijk kopje thee voor ons maken. De vriendelijke en gastvrije Kees woont in zijn mooie woning welke gebouwd is in de oude Wijkse stadsmuur. Bijzondere muurplanten groeien op en tegen deze stadsmuur. In de 5e of 6e klas van de ‘School met de Bijbel’ samen naast Kees, bij meester van Dijk in de schoolbank gezeten. Kees is een verwoed visser, en zijn hele woning hangt en staat vol met honderden veelal zelfgemaakte visspullen, een toekomstig museum waardig, prachtig ! Een mooie kerel die Kees, altijd al in mijn ogen een beetje een vrijbuiter geweest, maar ik mag hem wel. Een kerel met een goed hart die met liefde en zorg zijn dieren verzorgt. Een van iemand gekregen jonge merel welke uit het nest verstoten was en als een tam vogeltje door zijn tuin hipt en vliegt, krijgt regelmatig van Kees te eten.

Mijn moeder, in de zomer van 1949 met mijn oudste broer Wout en zus Bea, en broer Henk in de kinderwagen, in de Peperstraat in Wijk bij Duurstede.

Bloemenliefde. Ons kleinkind Xenna is gek op bloemen.

Een reebok schuilt in de luwte van de struiken voor de regen en wind.

Vrijdag 23 april 2021, kwam ik tijdens een wandeling met wiebelende net boven het water hangende plankbrugjes, over het prachtige landgoed Sandenburg, ten zuiden van het mooie in het bos gelegen kasteeltje Walenburg deze Tamworthvarkens tegen. Bijna allemaal lagen zij in de late middagzon onder de hoge bomen en struiken rustig te slapen. Het was stil in het bos, verder kwam ik niemand tegen. Een tijdje staan kijken naar de knorretjes, die zich weinig van mijn aanwezigheid aantrokken. Maar de jonge dieren waren even later toch nieuwsgierig en kwamen knorrend rustig op mij aflopen, zeker toen ik over de afrastering stapte om ze beter op de foto te kunnen zetten. m.v.g. Gerrit. NB Zie voor aanvullende foto’s onder facebook ‘Lenie Gerrit Marchal’.

Deze vriendelijke vrouw geeft de ganzen in de Langbroekerwetering in Nederlangbroek op haar eigen manier zo af en toe wat brood. Even een gezellig babbeltje met haar gemaakt. Vrijdag 23 april 2021.

Boven de weilanden nabij Nederlangbroek vloog vrijdag 23 april 2021 deze ooievaar.

Parende ganzen in de Langbroekerwetering nabij Nederlangbroek. Vrijdag 23 april 2021.

Voor onze woning was vanmiddag een zilverreiger tussen het oude geelbruin verkleurde riet op zoek naar voedsel. Prachtige vogel om te zien. Zij zijn wel wat schuw, maar ik had mij verstopt achter een dikke boom en heb toen voorzichtig wat foto’s gemaakt. Het opvliegen uit de rietstengels is best wel lastig voor zo’n grote vogel. m.v.g. Gerrit.

Het blijft altijd prachtig en aandoenlijk om te zien. De jonge levensluchtige lammetjes in het voorjaar. Ondanks dat het wat fris is gaat het spelen, bokken en gekke sprongen maken gewoon door. Als zij moe zijn gaat de jeugd even bij moeder drinken en daarna hollen zij weer als gekken achter elkaar aan. m.v.g. Gerrit.

Toen ik omstreeks 1963 in de 5e klas van mijn lagere school ‘School met de Bijbel’ in Wijk bij Duurstede zat en les kregen van onze goede meester Jan van Dijk speelden wij als schoolkinderen vaak in de Mazijk en Langs de Wal voor de in de stadsmuur gebouwde woning van mijn ome Theus en tante Jans Marchal. Dit stukje straat noemden wij het ‘tollestraatje’ omdat wij schoolkinderen hier met onze tol en stokje, met daaraan vastgebonden stukje vliegertouw konden tollen en ook knikkeren in met onze schoenhak in de grond gedraaid rond holletje. Met onze geschilderde kleiknikkers en prachtige glanzende doorschijnende knikkers en ‘bikkels’ waren de knikkerspelletjes onderling spannend en zaten wij op onze platte handen en knieën op de straatklinkers en deden dapper onze best zoveel mogelijk en mooie knikkers te winnen. Heel af en toe kwam er rustig een auto voorbij rijden en gingen wij even aan de kant van de straat staan. Zo af en toe speelden wij op het kasteelbos waar soms een hardschreeuwende pauw zijn prachtige verenstaart plots openklapte op het kasteeleiland in de schaduw van het donjon. Hoog en raadselachtig torende het kasteel in onze kinderogen tussen de oude bomen omhoog en weerspiegelde in de donkere kasteelgracht. Hadden hier vroeger ridders gereden op hun briesende paarden ? Er was weinig voor nodig om bij het zien van het kasteel en verbrokkelde dikke muren de jongensfantasie aan te wakkeren. In de Mazijk, tegenover ons schoolplein klommen wij in de oude knoestige lindenbomen en trapten onze schoenneuzen kaal door deze in de voegen van de muren, die links en rechts in de Mazijk stonden, te plaatsen en naar boven te klimmen. Vaak lukte dat en konden armenzwaaiend voorzichtig over de muren lopen. Ik kreeg thuis gekomen wel eens op mijn dak van mijn moeder als zij mijn kale schoenneuzen zag. ‘Zo kan je er toch niet bijlopen, wat zullen de mensen wel niet denken’ zei moeder dan hoofdschuddend, ‘hup ga je schoenen maar poetsen, je moet zuinig zijn op je schoenen, vader moet er hard genoeg voor werken’ kreeg ik als opdracht en opvoeding. Ik weet nog dat mijn klasgenoot Frans de Rooy, met de bijnaam ‘Rassepiemel’ aan het eind van de schooldag op het muurtje tegenover het schoolplein stond en hij tot mijn verbazing met zijn mond ver open gespreid een wonderlijke harde boer liet. Ik en andere kinderen lagen dubbel van het lachen, zoiets had ik nog nooit gehoord. Maar ik was zo onder de indruk van Frans zijn boer dat ik dapper de dagen daarna, door lucht in te slikken probeerde net zo hard als Frans te kunnen boeren. Of ik dat in mijn ogen toen onhaalbare niveau van Frans ooit heb gehaald weet ik niet maar tot moeders verdriet kon is soms flink boeren laten tijdens mijn dagelijkse oefeningen en zei zij dan ‘hou eens op met dat smerige geboer’. Op een goede dag, ja wanneer zal dat geweest zijn 1963..1964 ik weet het niet meer precies, waren mannen met scheppen en spaden de tuin gelegen achter Amstelwijk en aansluitend aan de Mazijk, tegenover ons schoolplein aan het opengraven. Na enkele dagen graven kwamen er in mijn ogen een paar brede stenen brokkelige muurtjes te voorschijn en een paar ronde putten, die gedeeltelijk met water waren gevuld. Wij als jochies renden aan het einde van de schooldag als de opgraafmeneren er niet meer waren over de muurtjes en speelden tikkertje. Mij zijn altijd de vreemde stenen bouwsels bijgebleven, en jaren lang tot op de dag van vandaag heb ik mij afgevraagd wat hier toen omstreeks 1963 door de mannen is blootgelegd. Nooit ben ik daarachter gekomen, maar altijd, ook nu nog ben ik benieuwd wat voor soort bouwsels dit waren. Of het mannen van de ROB ( Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek ) uit Amersfoort waren weet ik niet. Wel weet ik dat de ROB op 12 juni 1967 in Wijk bij Duurstede met opgravingen begonnen zijn. Weet iemand misschien iets van deze opgravingen in de tuin van Amstelwijk ? Bovendien zijn op een geven moment, enige weken later de opgravingen in de tuin van Amstelwijk gestopt en is alles weer met grond bedekt. Vaak als ik door de Mazijk wandel denk ik nog wel eens aan deze opgravingen. Zouden de oude toen gevonden bouwsels en waterputten nog steeds onder het maaiveld liggen ? Ik denk het wel. Bijgaande foto heb ik gemaakt in 1981 van de Mazijk en de achterzijde van Amstelwijk. m.v.g. Gerrit.

Op 8 oktober 2012 was ik met moeder een stukje gaan rijden door o.a. haar geliefde Over- en Nederlangbroek. Wat kon zij genieten van het uitzicht vanuit de auto, als wij door Overlangbroek reden. ‘O kijk eens wat mooi is het kerkje en het schoolmeesterhuis en het kleine schooltje….prachtig… prachtig wat mooi’, zei zij dan meer in zichzelf dan tegen mij, waarschijnlijk in gedachten terugdenkend aan de vervlogen jaren die achter haar lagen. Op die dag heb ik haar ook meegenomen naar de oude buurvrouw van haar ouderlijk huis, mv. De Greef aan de Nieuwe Weteringseweg 177 in Maartensdijk. ‘Kom ma dan gaan wij even bij mv. De Greef kijken, u heeft het altijd over haar’. ‘Zo ver ?’ zei zij met een verschrikte klank in haar stem. Via binnendoor wegjes, door Nederlangbroek, Driebergen etc. reden wij naar mv. de Greef die alleen op een grote boerderij woont in moeders geboortedorp Maartensdijk. Mv. De Greef was verrast en blij dat ik moeder had meegenomen. De waterketel stond op de houtkachel, en toen moeder ging zitten sprong een poes vanaf de stoel op tafel en ging aandacht vragend, haar staart voor haar poten tegenover moeder zitten. “Willie jullie koffie ?’ vroeg mv. De Greef ‘Ik vind dat nou eens harstikke leuk dat jullie eens langs komme, ach mins ik zit zo vaak alleen te koekeloeren hier in huis, ik zie bijna nooit iemand’ zei zij. Er werd gesproken over dingen van vroeger, de koeien, ganzen en Bart en Kees de paarden. Een vos had afgelopen nacht weer twee ganzen hun nek doorgebeten. ‘Rotzakken zijn het, viezerikken’ zei mv. de Greef terwijl zij boven de aanrecht met de pruttelend koffiepot bezig was. ‘Ja Gerrit mijn man, toen hij nog leefde sliep ‘s nachts tussen de schapen in de schuur tegen de tijd dat ze moesten lammeren, dan kon tie horen of er iets an de hand was’. Mooie oude verhalen werden opgehaald, over Moeder ouders en haar zus tante Dina die een paar honderd meter verderop woonde. Over de kippen die nu steeds minder eieren gingen leggen. ‘Neem zo maar wat eieren mee, ik heb er zat’ zegt mv. De Greef tegen moeder. Na een uurtje gezellig babbelen en een paar kopjes koffie verlaten moeder en ik de oude boerderij. Op weg naar haar huis zit moeder met een grote glimlach op haar mond in de auto. Zij is blij dat zij haar oude buurvrouw na zoveel jaren weer eens heeft gezien en gesproken. Het was een mooie middag geweest.

Het mooie Zandpad in Cothen. 26 maart 2007.

Vanmiddag eindelijk mijn eerste bever van wat dichterbij ( op een afstand van ongeveer 20 meter ) gezien. In de Lepelaarsplassen in Almere zagen wij aan de overzijde van een water half verscholen onder overhangende takken deze bever. Even later was hij uit het zicht, dunne boompjes aan het doorknagen, want deze vielen plotseling om en werden de oever opgetrokken. Van de week ga ik nog een paar keer kijken op deze plek in de hoop wat meer van de bever te zien. Zondag 14 februari 2021.

In de nacht van zaterdag naar zondag had het de gehele nacht gesneeuwd. Er stond een jagende koude oostelijke wind. Op het eiland ‘Isla Bonita’ in de Noorderplassen grazen Schotse hooglanders. Ik ben een paar uur bij ze gebleven. Prachtig.. ik heb genoten van van de stilte, de jagende sneeuw en de dieren. Zondagmorgen, 7 februari 2021. Almere.

Schuilen voor de snijdende sneeuwwind.

Op zoek naar voedsel.

In de holderbolderende wind.

Overvliegende ganzen. Donderdag 11 februari 2021.

In de winterse kou op zoek naar voedsel. Donderdag 11 februari 2021.

In de vrieskou heeft dit roodborstje de veertjes uitgezet om zoveel mogelijk de warmte te behouden, terwijl het de tussen de struiken op zoek is naar voedsel. Woensdag 10 februari 2021. Het is een leuk en aandoenlijk vogeltje om te zien, maar zij kunnen heel fel naar andere vogeltjes zijn.

Dit mooie roodborstje kwam ik 10 februari 2021 tegen. Het was in de struiken op zoek naar voedsel.

De Wijkenaar Ben de Haas, mijn goede kennis en vriend heeft zo omstreeks 1976 mij zijn enthousiaste, de liefde en het plezier om te gaan fotograferen aangewakkerd. Ik ben hem hiervoor nog altijd dankbaar en wandel nu al vanaf 1977 met veel plezier met mijn fotocamera, mijn wandel en zwerftochten. Vandaag heb ik Ben nog even gebeld, want in mijn fotoarchief kwam ik nog een aantal door hem gemaakte foto’s tegen. Eén foto heb ik bijgaande toegevoegd. Toen omstreeks 1975 stond er naast de oude helaas gesloopte smederij van Henk Hoogendoorn aan de Zandweg een bankje waar bijna dagelijks wat oudere Wijkenaren de wereld om zich heen volgden en elkaar op de hoogte hielden van alle nieuwtjes uit Wijk. De linker meneer is de Hofstee en de rechter met het rokende peukje is dhr. Kuier. Veel echte oud Wijkenaren kennen ze nog wel. m.v.g. Gerrit Marchal.

Duiker bij de Genie. (Deel 1 ) Het is inmiddels alweer bijna 50 jaar geleden dat ik opgeroepen werd voor militaire dienst. Lichting 1972-3. ( van 15 mei 1972 tot 31 aug. 1973 ) In mijn gewone burgerkloffie in Utrecht, bij toen nog niet gesloopte oude treinstation in de trein, richting Den Bosch gestapt. Door het mooie landschap van mijn geliefde provincie Utrecht, over de oude indrukwekkende spoorbrug bij Culemborg, waar zoals moeder vroeger vertelde haar opa nog met paard en wagen overheen gereden waren, door het prachtige groene Betuwse land naar het NS station in ‘s Hertogenbosch gereden. De tijd lijkt nu ik wat ouder mag worden als droog rul zand tussen mijn vingers weg te glijden. Mijn militaire diensttijd is nu wel lang geleden, maar dank zij foto’s en wat aantekeningen en mijn krakend geheugen weet ik nog wel het één en ander. Bij het zien van de foto’s komen oude vervaagde herinneringen vanzelf weer naar boven, behalve een aantal achternamen van mijn dienstmaten die zijn in de loop der jaren weggeëbd. Hoe zou het met ze zijn ? Zouden zij allemaal nog leven ? Ook moeder had gelukkig tot haar overlijden een aantal brieven en kaartjes uit mijn diensttijd bewaard. Een mooie tijd was het eigenlijk geweest. Met een aan de voorzijde van het station in ‘s Hertogenbosch voor ons, nieuwe soldaten gereed staande bus, terwijl iedereen tijdens de busrit te horen kreeg van nu af aan onder militaire tucht te staan, werden wij een paar kilometer ten zuidwesten van Vught, naar onze bestemming, de ‘Lunettenkazerne’ gereden. Mijn gehele diensttijd, behalve een paar kleine onderbrekingen, zou ik op deze kazerne blijven. Deze kazerne is gelegen in een bosrijke omgeving, en nabij het mooie bosmeertje ‘De ijzeren man’ eveneens in Vught richting Helvoirt. In het begin had ik net als iedere andere soldaat een normale opleiding. Met o.a. exercitie, het in het gareel leren lopen van het peloton, wat ik het begin de nodige lol en gemopper gaf. Omdat toentertijd de kapsels van de nieuwe dienstplichtigen bij het in dienst treden niet tot meer een kort koppie afgeschoren werd, waren er mooie hilarische momenten met jongens die hun baret amper konden ophouden op hun soms weelderige uitstaande haardossen, dit soms tot ergernis van enkele netjes kaal geschoren kaderleden, die hoofdschuddend de langharige ‘ellendelingen’ moesten aanzien. Wij moesten als prille soldaten ( Bollen ) diverse dingen leren en oefenen, zoals o.a. stormbaan lopen, handgranaat gooien, schieten, hardlopen met volle bepakking, stormbaan lopen, etc. Natuurlijk waren er de droppings, met aan het einde van een uren durende lange wandeling met volle bepakking, in ons geval door o.a. de Loonse en Drunense duinen een schuttersputje graven met je kleine inklapbare pioniersschep. Althans het was de bedoeling om met z’n tweeën zo’n schuttersputje te graven. Iedereen kreeg iemand toegewezen om te samen te graven. Zo ook ik. Bij mij kwam een jongen te staan die geen vin verroerde. Hij was een wel overtuigde dienstweigeraar of hij barste van de heimwee. In ieder geval ging hij somber kijkend en niets zeggend in het zand zitten met zijn onderarmen voor zijn opgetrokken benen en voorhoofd op zijn knieën. In begin baalde ik van hem, maar later kreeg ik toch wel wat medelijden met de jongen toen ik hem daar zo zag zitten met die trieste blik in zijn ogen op de schaarse momenten dat hij even opkeek. Ik probeerde hem nog over te halen om mee te graven, maar nee hoor er was geen beweging in de jongeman te krijgen, ook niet door de sergeant. Dus zat er voor mij niets anders op om alléén het schuttersputje te graven. Na de graafwerkzaamheden en de lange wandeling kroop ik met kleding en al in mijn slaapzak op de zandverstuiving, en sliep als een hamster in de frisse heldere nacht, onder een wonderschone met ontelbare sterren bezaaide hemel. De volgende dag, na poepen en plassen nabij wat bomen marcheerden wij ongewassen soldaten weer richting de kazerne. De jongen waarmee ik het schuttersputje had moeten graven was een uitslaper en kwam ‘s morgens vroeg op de kazerne in de grote slaapzaal moeilijk uit zijn bed. Het ging echt niet goed met die jongen. Hij wilde nergens aan meedoen. Van het kader kreeg hij de opdracht als hij niets wilde doen maar de hele dag in de slaapzaal te verblijven. Na een paar dagen toen ik met wat maten op de slaapzaal terug kwam zat hij met opgetrokken benen en hoofd op zijn knieën bovenop een kast. Tot op de dag van vandaag vind ik knap hoe hij daar bovenop is gekomen. Een paar dagen later bij het ontwaken, er werd als wekker door iemand van het kader met een ijzeren staaf in een lange metalen buis gerammeld, was iedereen uit zijn bed en zich aan het wassen en aankleden om op tijd bij het ‘appel’ te zijn. De trieste dienstweigeraar en slaapkop lag nog in zijn bed. Wij wisten wel dat het een echte slaapkop was maar die ochtend was hij echt niet wakker te krijgen. Een paar jongens riepen zijn naam en trapten tegen zijn bed, maar zonder resultaat. Een soldaat, Willem die voor arts studeerde liet weten dat dit niet normaal was en schudde aan de weigeraar en probeerde hem wakker te krijgen. Echter zonder resultaat. Iemand gaf dit snel aan het kader door en vrij snel daarna werd de slaapkop door hospikken, militaire artsen op een brancard meegenomen. Enige dagen later zagen wij hem weer in zijn burgerkloffie met een vage glimlach op zijn mond, maar dit keer met voor ons onbekende sprankelde ogen, in de slaapzaal op zijn bed zitten. Hij had pillen ingenomen en wilde zelfmoord plegen zo liet hij wat schuchter weten. Hij was afgekeurd en kon weer als burger verder door het leven gaan. Toch wel triest zo’n jongen. Hoe zou het nu met hem zijn ? In de kazerne sliepen wij in stapelbedden met meer dan dertig man in een grote slaapzaal, wat in de eerste dagen echt wel even wennen was. Ik sliep boven ene Ben uit Den Haag. Die Ben was iemand met in het begin een grote bek, maar naar een paar weken hoorde je hem nog amper. Op een zondagavond terwijl ik, en de meeste jongen al lagen te slapen kwam hij strontbezopen de slaapzaal op. Hij hield zich staande aan mijn bedrand en liet een gore boer die mijn richting uitwasemde. Door zijn gerommel en gestommel en ranzige boer waren ik en nog enkele andere jongens wakker geworden. Sommige begonnen te mopperen op Ben en zeiden tegen hem, dat hij ‘zijn muil moest houwen en gaan pitten’. Hij kon nog amper op zijn benen staan. Vervolgens trok Ben zijn metalen kastdeur open en vroeg aan mij hoeveel procent alcohol in een uit zijn kast gepakte flesje hoestdrank zat. Ik had geen idee, maar door zijn drankkegel en gerommel was ik inmiddels helemaal wakker geworden. Zonder verder mijn antwoord af te wachten zette Ben het donkerbruine flesje aan zijn mond en klokte de zoete vloeistof met een paar grote slokken naar binnen, met een voldaan ‘aaaaahhhh’ geluid het lege flesje onder zijn bed weggooiend. Zonder zich van sommige wakker geworden en mopperende maten wat aan te trekken, liet hij zacht in zichzelf lachend als toetje een vochtige dronkenmansscheet waar hijzelf schijnbaar de meeste lol om had. Vervolgens kroop Ben met zijn schoenen en kleding en al in zijn bed, trok de dekens half over zich heen en was binnen de korstte keer vertrokken, maar snurkte als een bosvarken. Ik kon van zijn gesnurk in het begin niet slapen maar uiteindelijk door vermoeidheid zakte ik gelukkig weer in een diepe slaap. De volgende morgen zag Bens hoofd eruit als een nat bleek laken vol kreukels, had hij een paar uur daarna een wat minder goed humeur, en stonk vreselijk uit zijn bek. Tijdens de nachten in de grote slaapzaal lagen een paar jongens hard te snurken en anderen lieten in hun slaap onbewust of gewoon expres gore scheten. Relmatig als het voor sommigen, toen wij elkaar na een paar weken wat beter leerden kennen ‘s avonds te laat werd riep er wel eens iemand ‘Hou jullie nou eens je muil en ga meuren’, waarmee slapen bedoeld werd. Vaak hielp dat wel en zakte iedereen in een diepe slaap. Ik zou er nu niet meer aan moeten denken om met dertig man of meer in een slaapzaal te moeten overnachten, maar het was toen eenmaal niet anders, en alles went. Natuurlijk hebben wij met zu’n allen soms de grootste lol gehad. Zoals op die ene ochtend tijdens het wakker worden toen tussen twee jongens een kussengevecht als een geintje begon. Binnen de korstte keren was bijna iedereen elkaar aan het bekogelen met kussens en soms zweefden een paar matrassen een stukje door de slaapzaal. Het was in de vroege ochtend een geschreeuw en gebrul van jewelste. Iemand had met zijn pioniersschep de ijzeren stang waarmee wij ‘s morgens gewekt werden van de muur gewrikt. Allemaal hadden wij een hekel aan die bel wanneer wij in de vroege ochtend gewekt werden, als iemand van het kader ons waker maakte door met een ijzeren staaf hard tegen of in de holle de ijzeren stang te slaan. Eén of andere onverlaat had zelfs een waarschijnlijk net gescheten drol tegen de spierwitte slaapzaalwand gegooid. Want als een soort stinkende bruine banketstaaf lag hij gebroken en zijdelings gedeukt onder aan de muur op de vloer, maar wel een gore spettervlek op de muur achterlatend. Plotseling, waarschijnlijk op het kabaal afkomend stapte een majoor met een stokje onder zijn arm geklemd de slaapzaal in. In een fractie van een seconde alles aanschouwend en overziend, brulde met een door de zaal denderende stem dat iedereen als de gesmeerde bliksem alles weer in orde moest brengen en de troep opruimen, wij zouden hier meer van horen. Hij klakte zijn hakken tegen elkaar, draaide zich om en was weer even snel vertrokken. De lol was er voor ons grotendeels af. Iedereen zorgde er met gehaaste spoed dat zijn bed etc. weer in orde was. Eén of andere held, waarschijnlijk de schijter zelf, had zelfs met zijn pioniersschep de geplette mishandelde drol weggehaald. Alléén de ranzige bruine spettervlek op de muur was was als een soort aandenken nog zichtbaar. De van de muur losgewrikte bel lag netjes op een tafel. Beneden bij het ‘appel’ aangekomen liet de majoor ons met bulderende stem weten dat dit gedrag niet werd getolereerd en wij als reprimande deze dag een lange volle bepakkingsmars konden verwachten. Het werd die dag ook een stevige wandeling door de bossen rondom de ‘IJzeren man’ richting Cromvoirt en wijde omgeving, maar lol hadden wij met zu’n allen die ochtend wel gehad. In Cromvoirt kwamen sommige jongens er later achter, stond ‘Platte Annie’ achter de bar van een leuke kroegje. Ik ben er nooit geweest het zal wel goed zijn. In de weken daarna kreeg iedereen te horen dat mogelijk was om je op te geven voor een duikersopleiding, waaraan wel een paar strenge en zware lichamelijke en medische keuringen aan vast zaten. Het leek mij wel wat. Na drie medische keuringen waarvan een gehele dag in Hollandse Rading waar ik o.a. in een donkere ruimte de meest vreemde handelingen en allerlei testen moest verrichten was ik hiervoor geslaagd. Als laatste moest ik een hele dag lichamelijke testen bij de Marine in Den Helder doen. Tijdens o.a. een steeds zwaarder belastende fietstest moest ik regelmatig, tussentijds een aantal verschillende gassoorten inhaleren en werd er gekeken hoe ik hierop reageerde. Mijn longinhoud is, kreeg ik te horen, na een test van steeds dieper, dieper en nog iets dieper inademen, nog een beetje…, en vervolgens zo veel mogelijk alle lucht uit je longen proberen te persen, en nog wat, en dan nog wat, nog een beetje….gaf een arts aan. Dit alles een paar keer achter elkaar. Met nog drie andere toekomstige duikers, twee van de marine en ik van Genie moesten wij ons tot op onze onderbroeken uitkleden en kregen wij het verzoek om een overall zonder knopen en gympjes zonder veters aan te trekken. Met zijn zessen, drie duikers en drie artsen, stapten wij gebogen door de kleine deur een druktank in. Voordat wij naar binnen gingen, kregen wij aankomende duikers de nodige instructie zoals hoe je bij de oplopende druk in de tank je je oren kon ‘klaren’ om je luchtruimten in je hoofd aan de oplopende druk in de tank in balans te houden met de omgevingsdruk. Samen met drie doctoren, één tegenover iedere toekomstige duiker namen wij in een geheel kale geelgroen glimmende druktank plaats. Een zware metalen, met daarin een rond raampje met een wonderlijk dik glas voorziende deur werd met een doffe dreun aan de buitenzijde hermetisch afgesloten. Iedere duiker moest constant de tegenover hem zittende arts blijven aankijken. In het begin wat onwennig, maar wat moet dat moet. Ik keek liever een mooie meid in haar ogen dan deze vreemde maar wel vriendelijk tegenover mij zittende arts. Ergens bovenin de tank was een vaag sissend geluid hoorbaar en gelijktijdig zag ik op één van de meters in de tankwand een wijzer traag naar rechts wegdraaien. Een ieder, allemaal onbekenden voor elkaar praten over koetjes en kalfjes en de duikerwereld en wat onze verwachting hierin waren. Maar er waren ook momenten van stilte en was alleen het sissende geluid te horen. De doctoren gaven als herinnering aan om de paar minuten als je trommelvliezen gevoelig werden je oren ‘te klaren’ dat wil zeggen dat je moest proberen door je neus dicht te knijpen de druk in je mond en keelholte op te voeren door met dichtgeknepen mond en neus even bewust druk vanuit je longen in de keelruimte te persen. Bij deze handeling voelde de beide trommelvliezen iets kraken en weer goed ‘springen’. De traag bewegende meter bleef na zo’n 20 minuten hangen op 240. Later begreep ik dat de druk was opgevoerd tot een onderwaterdiepte van deze 240 meter. Er gebeurde verder niets, iedereen zat nog gewoon op de stak gladde bank in de tank. Onverwachts kroop de wijzer van de 240 meter weer langzaam richting de 0 positie terug. De deur werd even later geopend en wij konden naar buiten. Toen iedereen buiten de druktank stond zei een van de vriendelijke artsen ‘Nou heren jullie kunnen tegen zuurstofvergiftiging, het is maar dat jullie en wij het weten’. Op mijn vraag hoe zij erachter kwamen als je er niet tegen kon, liet de arts mij en de nadere duikers weten, dat je in de druktank dan bewusteloos was gegaan. ‘Wij vertellen dit ook nooit van te voren’ vulde de arts ons aan, want er zijn altijd mensen als zij van te voren weten wat er kan gebeuren zich al bij voorbaat niet lekker gaan voelen door eventuele spanning. Vandaar dat wij tijdens het opvoeren van de druk in de druktank met zuivere zuurstof de tegenover ons zittende arts constant moesten aankijken zodat hij bij het minste vermoeden dat het niet goed met je ging de nodige handelingen kon verrichten, en je niet op de druktankbodem smakte. De zuivere zuurstof die in de tank gepompt werd was ook de reden dat aan onze overall geen knopen en aan onze gympjes geen veters mochten zitten die misschien een klein vonkje zouden kunnen geven, en niemand mocht iets of wat dan ook in zijn overallzakken meenemen. Bij het kleinste vonkje zou iedereen in de volgepompte druktank verbranden. Maar er bestond ook zoiets als de ‘Martiniziekte’ die tijdens het duiken zomaar onverwacht kon opduiken. Door de waterdruk op je hersenen kon je als duiker in een soort schijndronkenschap terecht komen en in het ergste geval zou je met je ‘bezopen kop’ het buitenkraantje bij de ademhalingsautomaat van je duikerspak open kunnen zetten, of je masker van je hoofd trekken waardoor je zou verdrinken. Zou je bij deze Martiniziekte verschijnselen onder water een paar meter stijgen waardoor de druk op je hersenen zou afnemen, dan verdween deze schijndronkenschap. Het was maar goed dat wij als aankomende duikers op diverse dingen getest werden. Maar alle testen die ik de diverse keuringsdagen had gehad gingen goed, zoveel de geestelijke, hoe is het mogelijk, en de eveneens de lichamelijke. Ik was goed gekeurd om een duikersopleiding van een paar maanden te gaan volgen, bij de Genie in Vught. Wij Genieduikers, waren de enige duikers, totaal een stuk of 14 dacht ik, bij de gehele landmacht en kregen onze opleiding bij ‘Crevcour’ in een haventje langs de Maas, ten noorden van het dorpje Engelen en zuiden van het aan de overzijde van de Maas gelegen dorp Hedel. Het wonderlijke is in militaire dienst dat iedere soldaat zijn opdrachten moet uitvoeren. Alléén als duiker bij de Genie kon je in vredestijd opdrachten van het kader die jij niet wilde doen weigeren. Persoonlijk heb ik tijdens mijn duikersopleiding en daarna van deze mogelijkheid nooit gebruik gemaakt. Van de honderd jongens die zich opgaven voor de duikleiding kwamen ongeveer twee of drie door de diverse testen en keuringen. Dagelijks, door de weeks reden wij duikers, duikerhelpers en jongens van de vaartuigendienst die ook in Crevcour en omgeving op de Maas met hun houten- en rubber boten op de Maas oefenden vanuit de Lunettenkazerne naar Crevcour. De buschauffeur deed altijd, zowel op de heen- als terugrit de radio aan en zo bleef iedereen een beetje op de hoogte van de top 40 en toen populaire muziek. Het was op een of andere manier altijd wel gezellig tijdens deze busritten. Sommige mooie muzikale herinneringen heb ik nog wel aan deze busritten overgehouden, zoals ‘WOLD’ van Harry Chapin, de prachtige nummers van CCR en de Moody Blues en mijn maat vond ‘She was naked’ van Supersister helemaal te gek, Tot op de dag van vandaag zijn deze muzieknummers als prettige momenten in zijn geheugen blijven hangen. Zo reed de bus ook tijdens iedere rit van de kazerne naar Crevcour en aan het eind van de middag weer terug door ‘s Hertogenbosch. De meeste jongens lagen half te pitten aan het eind van de dag of waren wat met elkaar aan het ouwehoeren, of half onderuit gezakt naar de muziek te luisteren. Het gebeurde wel eens, als de bus in ‘s Hertogenbosch voor een rood verkeerslicht stond te wachten dat een langharige mooie blond gelokte meid op de fiets naast de bus eveneens voor het rode licht stond te wachten. De jongens waarvan bij iedereen de hormonen door hun lichamen gierden hadden natuurlijk het jonge ding snel in de gaten en begonnen te roepen en op de ramen te kloppen. Arm kind. Bliksemsnel stonden een aantal jongens aan de andere kant van het voetpad in de bus op, en probeerden zij allen aan de kant van de bus waar het inmiddels rood aanlopende meisje bij haar fiets stond, wat van het jonge ding te zien. Het gevolg was dat de bus naar de zijde waar het meisje stond schuin te begon over te hellen. De chauffeur begon te mopperen en de sergeant begon te roepen en te glimlachend te schelden dat iedereen ‘Stelletje geile pisvlekken.’ weer op zijn eigen plek moest gaan zitten en het meisje met rust moesten laten. Mopperend ging iedereen weer op zijn eigen plek zitten, terwijl de bus nog traag wat na wiebelde en de rit vervolgd kon worden. Ach er is nog zoveel te vertellen. In de lange avonden was er eigenlijk heel weinig te doen in de kazerne. Ja er was een compagniebar waar een biertje 25 cent koste als ik het goed heb onthouden. Sommige jongens zaten uit puur verveling iedere avond in deze bar. Maar ik heb er eigenlijk nooit wat aan gevonden, de bar was leuk ingericht maar daar was alles dan eigenlijk mee gezegd. Ik ging liever één of twee keer in Den Bosch naar de bioscoop. Toch had ik met een aantal maten op een avond wat biertjes gedronken in de compagniebar en even later op weg naar onze kamers in een, de dag daarvoor witgekalkte lange kazernegang gevoetbald. Lange donkergrijze vegen, daar waar de bal langs de kraakwitte wanden was afgeketst bleven donkergrijze ovale vlekken achter op de muren. De volgende dag moesten alle voetballers bij de ‘ouwe’ op het matje komen, en zoals verwacht hield hij een donderpreek. Een weekend staf, dus geen weekendverlof was het gevolg, en een extra nacht wachtlopen bij de kazernepoort. Bovendien moesten wij alle WC potten en douches op onze vleugel kraakhelder schoon poetsen. Met borstels, gloor en andere troep poetsen mijn maten en ik de oude vastzittende strontvegen en geelbruine gekristalliseerde pisranden die in de potten aangekoekt waren zo goed mogelijk weg. Een gore klereklus. De dagen daarna werden de voetbal gevlekte wanden weer zoals voorheen door twee schilders in helder wit overgeschilderd. Wat wij ook wel eens bij elkaar deden als iemand lag te slapen ‘murren’ noemden wij dat, werd bij het voeteind het bed opgetild en tegen de muur gedrukt, zodat de slapende al wakker wordend tussen bed en muur naar beneden schuin op de vloer zakte. Met een hoop gemopper en daverende harde klad trapte de plots ontwakende zijn bed weer op de vloer en bracht vervolgens al mopperend zijn matras en dekens weer orde om even later weer proberen verder te slapen. Hetzelfde werd wel een geflikt met de kledingkast die vlak voor het vrijdagverlof door een van de kaderleden geïnspecteerd werd of alles netjes en ordelijk in de kast lag. Als je vlak voor de inspectie b.v. even ging pissen, en je stond twee minuten later in de houding naast je kast, hadden je maten tijdens jou plasmoment de kast al schuddend naar voren getrokken tot vlak aan de grond en hem daarna zo voorzichtig mogelijk weer op de goede plaats overeind gezet. Deed je bij de inspectie door een sergeant of majoor, of weet ik veel wie, je kast open dan viel bijna de helft van de kastinhoud op de grond en kon je vlak voor je weekendverlof alles weer netjes opstapelen en je kast in orde brengen. Ja ik heb een hoop lol gehad, maar ook momenten van verveling, vooral in de avonduren. Mooie, leuke maten heb ik ontmoet ! Zoals Japie, ja die langharige Japie Verhoeven uit Ridderkerk die zijn bovenste oogleden kon dubbelklappen, Ad Versluis uit Colijnsplaat, een goedlachse vriendelijke kerel met zijn grote snor en droge humor. Ron de Wolf, met de bijnaam ‘Zeepoog’, de kleine man met zijn Haags accent “Wil je nou gauw effe opzoute’ of ‘ik sla je tanden uit je muil’ waren een paar van zijn veel gebruikte uitdrukkingen. Wat een lol heb ik met hem gehad. Een kleine man, met een grote bek, maar met een hart van goud en iemand die je nooit liet barsten. Klein van lengte maar een kei van een kerel. En de altijd zachtzinnige en aardige Gerrit Scholten die langs het Binnenpad in Gierhoorn woonde. In afgelopen jaren heb ik naamgenoot Gerrit, in Giethoorn nog wel eens opgezocht. Hij woonde in een grote boerderij gelegen aan het Binnenpad nummer 84 dacht ik . ‘Kom Gerrit, kom jong’ zei hij tegen mij. ‘Kom jong, dan gaan we een stukkie varen over de plassen’. Wonderschoon is het plassengebied rondom Giethoorn en omgeving. Ik bel hem ieder jaar rondom de Kerstdagen. Verder was er nog de altijd keurig geklede Cor Bakker uit Bovenkarspel. Mijn duikersmaat Boy Evenboer uit Zevenaar, die altijd wat scheef, de 83 kilo torsend in het standaardduikerpak stond, is zo triest ongeveer een jaar na het afzwaaien tijdens een auto-ongeluk is verongelukt. Vreselijk voor zijn ouders om hun zoon zo te verliezen, en kinderloos achter te blijven. Gijs… ja die maffe Gijs uit Ede, die na zijn diensttijd bij het bergingsbedrijf Wijsmuller is gaan werken als duiker. O ja, natuurlijk was er nog de ‘superdrukker’ uit Petten, ík ben zijn naam even kwijt jammer ! Hij probeerde zoveel mogelijk bij de vaartuigendienst zijn snor te drukken, en lag het liefst de hele dag op zijn nest te stinken. Piet van de Berg uit Rotterdam dacht ik, die helemaal verliefd was op zijn vriendin Marjet of zoiets. Veel achternamen ben ik jammer genoeg vergeten, ik had ze vroeger beter kunnen opschrijven. Mooie figuren, sommige met grote bekken en andere stil en zachtaardig. Met de superdrukker uit Petten, stom dat ik nu niet op zijn naam kan komen, ben ik in 1973 op twee prachtige zomerse strakblauwe hemeldagen gaan zwemmen en zonnen in het zwembad in de ‘IJzeren man’, het mooie bosmeer. Toen wij woensdagmorgens weer op ‘appel’ kwamen, moesten wij tweeën zoals wij wel hadden verwacht verklaren waar wij de afgelopen maandag en dinsdag waren geweest. Met bruin verbrande koppen vertelden wij eerlijk dat wij twee dagen in en bij het zwembad hadden doorgebracht. De majoor schudde zijn hoofd. Wij, de superdrukker en ik moesten weer bij de ‘ouwe’ op het matje komen en alles nogmaals onze gezamenlijke afwezigheid verklaren. Weer werd een weekverlof ingetrokken en wederom een extra lange nacht wachtlopen aan de kazernepoort met gevolg. Maar de superdrukker en ik hadden twee heerlijke dagen gehad. Het gebeurde ook wel eens dat wij ‘s nachts als wij in Vught te lang ik een kroegje waren blijven hangen en daardoor te laat bij de kazernepoort zouden komen met gevolg van een aantekening, en later eventuele bijbehorende straf door de ‘ouwe’. In het hoge hek wat om de kazerne was geplaats was ergens een gat geknipt waardoor via een geheim pad door het bos toch nog op het terrein kon komen. Maar je moest natuurlijk niet gesnapt worden door kaderleden. De gewone militairenjongens die op wacht liepen, waren wel begripvol als ze ons toevallig zagen. O ja dat is waar ook. wij jongens hadden een uitdrukking die wij van de kleine Ron uit Den Haag ons hadden aangeleerd en die we een tijdje te pas en te onpas gebruikten, nl. ‘Ik sla je tanden uit je muil’. Zo ook zei de superdrukker dat voor de gein tegen een jongen toen wij op het strandje van het zwembad in de IJzeren man met een ongeveer 17 jarige jongen in gesprek raakten. Glimlachend zei de jongen ‘dat hoef niet meer’ terwijl hij tot onze verbazing zijn bovenste kunstgebit uit zijn mond haalde en het ons liet zien. Wij drieën lagen dubbel van het lachen. Maar om even op mijn duikersopleiding terug te komen. Op het militaire terrein bij Crevcour stond een grote watertank met aan de voorzijde een paar dikke glasplaten. De allereerste keer werd je als aankomend duiker in een 83 kilo wegend standaardduikerspak ‘gehesen’ en via een klein trap kon je afdalen in de grote glasheldere watertank. Een standaardduikerspak is een echt werkpak met de ouderwetse aandoende ijzeren helm. 83 kilo lijkt veel, en is ook veel gewicht, en in het begin als je het pak voor het eerste paar keer aanhebt is het wel even wennen, maar eenmaal onder water met de goede luchtbel rondom je bovenlichaam ben je bijna gewichtloos, en kun je net als de mannen op de maan van die zweverige sprongen maken, maar onder water natuurlijk lang niet zo ver dan op de maan. Je bleef bij je allereerste duik in de watertank ongeveer een goede twintig minuten onderwater. De 2e keer kreeg je opdracht en als oefening met een gasbrander ( een luchtbel werd onder water om de vlam geblazen ) een plak van een metalen plaat die zich in een stellage was vastgeklemd los te branden. Een dikke bruine borrelende luchtbellenstroom belemmerde grotendeels het zicht waar je moest branden. Na enige oefening kon je zelfs figuurtjes, b.v. een poppetje in een metalen plaat branden. Een poppetje branden, in mijn geval Calimero, klinkt kinderachtig maar was wel goed voor je coördinatie. De 5e of 6e keer ging je voor het eerst echt in buitenwater, met veel minder of geen zicht duiken, hier begon het echte duikwerk. Van één van de duikersschepen, een ‘Kempenaar’ stapje je via de buitenboord hangende metalen afdaaltrap de haven in. Een duikerhelper hield jouw lucht- en seinlijnen strak. Dat was een geheel nieuwe en best wel spannende ervaring. Zodra mijn hoofd onder water ging kleurde het havenwater lichtgeel en al verder naar beneden zakkend ging het lichtgeel snel over in donkergeel en daarna in een intens zwarte duisternis ook mede veroorzaakt door opborrelend bodemmodder. Ook al hield je je hand tien centimeter voor duikerhelmglas dan zag je niets. Ik kan mij nog mijn eerste buitenwaterduik goed herinneren. Met een snel kloppend hart en zeker verhoogde bloeddruk kroop ik op de havenbodem aangekomen van het schip vandaan, en was wat opgelucht toen ik na verloop van tijd via de seinlijn de opdracht kreeg weer richting de kempenaar, het duikersschip over de havenbodem naar de afdaaltrap terug te kruipen. Duiken in een volslagen duisternis is echt wel even wennen. Vele geluiden zijn totaal nieuw en onbekend voor je. Wat gehaast en gespannen haal je adem. Met verhoogde hartslag en bloeddruk kroop in het donker over een modderige havenbodem. Vreemde onbekende geluiden hoor je, zoals je eigen, in je duikerspak vreemd klinkende ademhaling. Een overvarende boot van de jongens van de vaartuigendienst hoor je van ver met een steeds krachtiger geluid van de draaiende schroeven schuin boven je langs gaan en in de duisteren verte het schroefgeluid langzaam wegebben . Wat klonk dat schroefgeluid gek en helder onder water. Maar met kloppend hart en trots het goed volbracht te hebben stond ik na mijn eerste buitenduik geholpen door de duikerhelpers weer op het dek van de Kempenaar. Het ergste had ik gehad dacht ik in mijn onervarenheid. Eén van de duikers van een lichting na mij raakte bij de eerste duik in het donkere haven water in zijn duikerspak in paniek. Hij had via de seinlijn het ‘noodsignaal’ naar de aan dek staande duikerhelper doorgegeven. Zo snel mogelijk werd hij uit het water naar boven gehaald en op het dek uit zijn duikerspak bevrijd. Met wijd open staande angstige ogen en zweetdruppels parelend van zijn rood aangelopen glimmend hoofd zie ik hem nog naar adem snakkend op het dek op een houten bank zitten. De majoor probeerde de duiker, toen hij weer enigszins gekalmeerd was nog over te halen om zijn angst te overwinnen en gelijk weer onder water te gaan, wat de beste manier was om zijn angst te overwinnen. Maar aankomend duiker liet weten voor geen goud meer onder water te gaan in zijn duikerspak. De rest van zijn diensttijd is hij duikerhelper gebleven. Hij hielp dus de duikers bij b.v. het afdalen en uit het water komen, en stond in het gangboord aan de reling met de luchtslang en seinlijn in beide handen van de onder water werkende duiker. Ondanks alle testen tijdens de keuringen kon het tijdens het echte duiken dus alsnog mis gaan. Ikzelf ben onder water in mijn aqualongduikerspak ook door hyperventilatie overvallen, maar daarover straks meer. Ik hoop zoiets nooit meer mee te maken. Bij de Genie hadden wij drie soorten duikerspakken. nl 1 ) Het ‘Standaardduikerspak’, een werkpak met de welbekende grote ijzeren helm waarin de jouw benodigde ademlucht via een dikke slang door middel van een pomp aan het dek naar beneden in je duikershelm werd gepompt. 2 ) Het door de Fransman Jacques Cousteau ontworpen ‘Auqualongduikerspak’. Twee gele zuurstofflessen hangen met aan je lichaam omgebonden gordels op je rug. En als laatste het ‘Mijnenzoekpak’. Bij dit bijzondere duikerpak was voor aan je borst een soort rubberlong en een grote metalen bus gebonden die voor iedere duik met verse ‘Protosorb’ korrels werd gevuld. De door de duiker uitgeademde lucht werd door deze korrels gedeeltelijk gezuiverd en via de aan de voorzijde van je borst hangende rubber long kon je een minuut of vijf met de door de korrels gezuiverde lucht ademen zonder dat zoals bij de andere duikerspakken de lucht constant vanuit je duikerspak naar de oppervlakte stroomde. Het doel van dit mijnenzoekduikerspak was dat in een oorlogssituatie de aan de oppervlakte zijde vijand niet kon zien waar de mijnenzoekduiker zich bevond. Alleen na iedere vijf minuten moest de duiker als het zuurstofgehalte in de rubber long steeds minder werd en het ademen steeds minder makkelijk, de rubberlong met beide handen gelijktijdig geheel leegdrukken, zijn adem inhouden en vervolgens deze bijna lege long weer met zuivere lucht uit een op de rug gebonden zuurstoffles bijvullen. Alléén op het moment van het leegdrukken van de rubberlong stroomde borrelend een grote luchtstroom naar de oppervlakte, maar voor de duiker zijn eigen veiligheid moest hij in oorlogstijd snel wat verder gekropen zijn in welke richting dan ook, zodat hij vanaf de oppervlakte moeilijk te lokaliseren was. Maar iedereen vond het niet prettig om in het Mijnenzoekpak te duiken, vaak hield je er een paar uur een soort lichte hoofdpijn aan over. Eigenlijk had je in het standaardduikerspak nog de meeste bewegingsvrijheid en bovendien met een wat krakende microfoon verbinding met de oppervlakte. Omdat wij duikers bij de Genie bijna altijd over de bodem van havens, grachten, meren liepen, kropen en werkten was onze omgeving intens aardedonker. Dat was in het begin echt wel wennen. In het Mijnenzoekpak en Aqualong had je constant een mondstuk in je mond waardoor je zuurstof uit je flessen inademde. In het standaardduikerspak, ja die met de grote ijzeren helm kon je gewoon praten, de benodigde ademlucht werd via een dikke slang vanaf het dek schuin boven in je helm gepompt. Ieder standaardduiker had altijd een rood wollen muts op, en onder het duikerspak een grof wit wollen lange pijpenbroek en langarmig hemd als bescherming tegen de kou en waterdruk. Zomer en winter werd er door ons door de weeks gedoken. En wij duikers kregen gevarengeld, In de zomermaanden kreeg toen ik in 1972 -1973 tot 15 meter 25 cent per minuut, en beneden de 15 meter 50 cent per minuut. In de wintermaanden werd dit bedrag verdubbeld. Dus was je in de winter beneden de 15 meter kreeg je een gulden per minuut, en dat was toen een heel bedrag. 60 gulden per uur. Meestal bleef je ongeveer een uur onder, en deze duiktijden werden netjes en secuur door het duikkader in een logboek bijgehouden, en het gevarengeld kreeg je een maand later extra bij je soldij uitbetaald. Het langste wat ik onder water ben gebleven was ongeveer tweeënhalf uur. Een onder water gelaten ‘Baileybrug’ dat is een verplaatsbare brug die uit losse elementen is opgebouwd, was in een rivierbodem gedeeltelijk in de modder en zandbodem weggezakt. Samen met een van mijn duikersmaten werd door het kader aan ons gevraagd of wij tweeën de brugdelen uit elkaar wilden halen. Met een moker en soort katoenen zak gingen wij onder water. In het volkomen duister en op gevoel sloeg ik de dikke ijzeren bouten uit de brugdelen en deed deze in een zak die na een stevige ruk door mij aan het touw waar de zak aan verbonden was naar de oppervlakte opgehaald en even later weer door mij naar beneden gehaald voor de volgende lading bouten en pennen. Als je lang onder water verblijft gaat het tijdsbesef verloren, een onderwaterhorloge hadden wij niet, in het volledig duister en opborrelde modder kon je totaal niets zien op een duikershorloge. Maar laat ik zeggen, na omstreeks een uur dacht ik hoorde ik de krakerige microfoonstem in mijn Standaardduikerspakhelm dat mijn duikersmaat naar boven was gekomen en zich niet lekker voelde. Er werd aan mij gevraagd of ik alléén de brug verder te demonteren, of dat ze nog een andere duiker moesten aankleden. Ik liet weten het verder wel alléén te doen, maar dat het i.v.m. in de bodem weggezakte brugdelen het moeilijk werken was. Het ging soms heel lastig om uit de in de modder en zand weggezakte brug de benodigde bouten los te slaan, en het duurde allemaal veel langer dan ik had verwacht. Maar uiteindelijk was ik klaar en bleek dat ik een dikke tweeënhalf uur onder water was geweest met door mij in volledig in het duister aan de brugdelen vastgemaakte kabels werden de losse brugdelen stuk voor stuk omhoog gehesen. Op een goede, ik kan beter zeggen kwade dag ging ik in mijn duikerspak onder water. De dag daarvoor was ik ‘s middags bij de tandarts geweest, die in een kies een vulling had geplaatst. Alles leek ogenschijnlijk goed gegaan te zijn bij de beste beul. Maar op het moment dat ik de dag daarna onder water ging begon mij geboorde en gevulde kies een stekende pijn te geven, en naarmate ik dieper zakte werd de kiespijn laat ik zeggen ondraaglijk. Waarschijnlijk was er onder de vulling zoals wij tijdens de duikopleiding ook hadden geleerd een piepklein luchtbelletje onder de vulling blijven zitten die door het drukverschil tijdens het duiken op mijn zenuw ging werken. Toen ik weer opsteeg en uit het water kwam werd de kiespijn minder maar ik had de verdere dag een pijnlijk gevoelige kies. ‘s Avonds na het eten bekroop mij het gevoel dat ik de komende nacht met die zeurende kiespijn de komende nacht geen oog dicht zou doen. Na veel gepeuter en gepiel heb ik voor de spiegel in de grote toiletruimte met een vork de vulling uit mijn pijnlijke kies gebroken. Na verloop van een half uur zakte mijn kiespijn weg en had ik een goede nachtrust. De volgende dag ben ik terug naar de militaire tandarts gegaan, die nu met extra zorg mijn kies opnieuw vulde. Daarna heb ik gelukkig ook nooit meer last gehad met deze kies. Wat mij nog even te binnen schiet is dat tijdens de opleiding wij een schalm, dat is een kettingring, van een dikke scheepsketting onder water op een soort ijzeren aambeeld, die ze vanaf het dek op de havenbodem hadden laten zakken, moesten loshakken. Met een katoenen tas met een flinke moker en ijzeren beitel kroop ik onder water in het donker naar het aambeeld dat gedeeltelijk in de bodem was weggezakt. Op het gevoel legde je de scheepsketting op het aambeeldje. Vervolgens op de tast plaatst ik zo goed mogelijk de beitel op de schalm die ik moest loshakken. Met de moker sloeg ik in volkomen duisternis op de beitel. De mokerslag, in het begin voorzichtig ging één of twee keer goed. Maar Ja, je voelt het al aankomen. ‘Aauuww…gloeiende, gloeiende….. kloteding. Ook enkele keren bij het krachtiger slaan kwam de moker net niet goed op de beitel, ketste af en raakte mijn zijkant en knokkels van mijn linker vuist waarmee ik de beitel vasthield. Een stekende vlammende pijnscheut schoot door mijn hand. Ik heb er de dagen daarna ook een flinke blauwe plek en geschaafde knokkels op mijn linkerhand aan overgehouden. Maar na enig oefenen en gemopper in het duister, en de wil ‘van ik kan het, en ik wil het ! kreeg ik het gevoel, coördinatie en handigheid te pakken en scheidde de schalm zich van de dikke scheepsketting. Ik schalm al die jaren nog bewaard en hij ligt ergens in mijn boekenkamer. Trouwens over kettingen gesproken. Tijdens takelwerkzaakheden met de kraan op het duikersschip stonden ik en nog een paar man op het dek. Een of ander zwaar ding moest van de kade de haven in getakeld worden. Plots knapte ergens de ketting en deze zwiepte als een waanzinnige slang over het dek en verdween al ratelend met veel kabaal over de scheepsrand in de haven, een kolkende watermassa achterlatend. Ik, en waarschijnlijk iedereen schrok hevig. Ik een reflex trok in mij op in het wand, mijn benen zover mogelijk omhoog trekkend. Ik zag ik de gebroken ketting onder en naast mij over het dek zwiepen. Gelukkig raakte niemand gewond wat een wonder was. Maar de schrik zat er bij iedereen even goed in. Als een soort ontlading stond iedereen voorover gebogen hard te lachen, maar even later ook dankbaar dat alles goed afgelopen was. Ook nu nog, als er ergens takelwerkzaamheden zijn blijf ik op veilige afstand. Ook een tiental kopen moesten wij als duiker leren en deze onder water om een dikke paal kunnen maken, die later boven water door het kader gekeurd en beoordeeld werden. Zoals o.a. De Paalsteek, Mastworp, Halve steek, Vissersknoop, Platte knoop enz, maar ook het ‘Oud wijf’ een foutieve knoop die ogenschijnlijk goed lijkt naar bij te hoge trekkracht weer los schuift met alle eventuele gevolgen van dien. Een andere leuke en uitdagende opdracht was onder water een houten kistje in elkaar timmeren. Waarom zal je, je misschien afvragen ? Het waren allemaal werkzaamheden om een duiker in opleiding behendigheid en coördinatie te leren in volkomen duisternis. Met een touw met dwars daardoorheen de afgetelde spijkers gestoken, hamer en zes plankjes ging ik onder water. Je kon punten verdienen met het uiteindelijke resultaat. Met één hand de afdaaltrap goed vasthoudend en in je andere de zes plankjes en hamer. Zodra je onder de wateroppervlakte verdween, wilden de plankjes gaan drijven. Goed vasthouden dus was noodzakelijk. Op de bodem van de haven ging ik in mijn standaardduikerspak zo goed mogelijk gehurkt zitten, drukte vijf plankjes in mijn kruis en klemde alles zo goed mogelijk tussen mijn benen bij elkaar. Het eerste plakje drukte ik zo diep mogelijk in de modder en controleerde of hij niet ging drijven door mijn hand een klein stukje boven het plankje te houden. Met mijn andere hand pakte het tweede plankje trok ik een spijker uit het touw wat rondom mijn nek gebonden was , hem goed vasthoudend, want in de modder zou ik hem nooit meer terug vinden. Wat een gepiel, gepruts en gemopper, constant wilde het plankje naar boven drijven ging ik aan de slag. Maar uiteindelijk, als een uitdaging het goed af te willen werken had ik na wat gemopper en gepruts een mooi kistje gemaakt. Ik was er trots op, want geloof mij het valt echt niet mee onder water in volkomen duisteren met eigenwijze plankjes die constant de neiging hebben naar de oppervlakte te drijven een goed kistje te maken. Een andere echt vervelende en uitdagende oefening was, ik heb die tijdens mijn duikersopleiding twee of drie keer gedaan was een oefening om jezelf tijdens een duik in een gezonken schip te kunnen redden mocht je onverwachts vast te komen zitten. Op de wal stond een soort L vormige ijzeren geknikte tunnel. In de bijna even lange zijden van de tunnel, die in het midden haaks geknikt was, waren schuin diverse ijzeren stangen gelast. De metalen tunnel werd met de kraan van het schip van de wal naar de havenbodem gehesen, waardoor hij door zijn gewicht wat in de modder en het zand wegzakte. Nu was het de bedoeling, als oefening dat de duiker in een benarde situatie zoals bij wrakduiken, wat heel gevaarlijk kan zijn, zichzelf kan redden. In het gehelmde standaardduikerpak ging ik naar beneden. Op gevoel in volledige duisternis kroop ik over de havenbodem richting de tunnel en doordat ik mijn ijzeren helm tegen de tunnelrand botste wist ik op de tast de ingang te vinden. Nu is het zo, dat als je gewoon in een standaard duikerspak op de havenbodem aan het werk ben, je moet zorgen dat er boven je brede riem voldoende lucht is rondom je bovenlichaam. Ook niet teveel anders bestaat het gevaar dat je onverwachts als een pijl naar de oppervlakte schiet, met alle gevolgen van dien, zoals gescheurde trommelvliezen en caissonziekte, afhankelijk de diepte waarop je zat. In de tunnel kroop ik met kloppend hart naar voren. Het was een krap ding en al vrij snel voelde ik de eerst schuin in de tunnel gelaste stang. Hup zo voorzichtig mogelijk schuin in mijn duikerspak, diverse keren mijn helm stotend, er onderdoor, bij de volgende schuine stang er overheen enz. De luchtbel rondom mijn borstgedeelte had de neiging als ik schuin naar beneden kroop om tussen mijn brede riem door naar mijn billen en benen te kruipen. Dat mocht absoluut niet gebeuren daar ik anders zou kunnen stikken door zuurstoftekort of verdrinken doordat mijn hoofdgedeelte vol havenwater zou kunnen lopen. Gelukkig viel het allemaal nog mee. Maar het was zweten, mopperen, met flink kloppend hart, maar ook de wil om het goed te volbrengen gaf mij moed om door te zetten. Wat er ook mocht gebeuren ‘doorzetten’ ging er door mij heen. Via mijn manchetten voelde ik het koude water langs mijn benedenarmen mijn duikerspak insijpelen. Uiteindelijk na de lastige knik in de tunnel kwam ik boven water. De heenweg was gelukt. De zweet stond op mijn hoofd. Nu kwam het nog lastiger gedeelte, de terugweg, want dan zou ik ook moeten zorgen dat mijn lucht- en seinlijn mijzelf niet in de weg zaten. Het vervelende was dat tijdens het terug kruipen de zware loden borst- en ruggewichten regelmatig achter de schuin gelaste stangen bleven hangen. Niet in paniek raken schoot regelmatig door mij heen, nadenken ! Wat moet ik doen…rustig blijven… nadenken ! Ondanks dat het ijzige water via mijn manchetten in de kleine gleufjes tussen mijn gespannen spieren en pezen langs mijn benedenarmen naar binnen sijpelde, kroop ik op de terugweg over en onder de schuine stangen terug. Mijn seinlijn en luchtslang nam ik gelijktijdig mee terug en gelukkig werden die bovendeks zo goed mogelijk door de alerte duikerhelper ingehaald. Het zweet liep in kleine vervelende straaltjes langs mijn gezicht en drupten mijn kraag in. Uiteindelijk, en echt…. ik was echt opgelucht en trots op mijzelf dat ik de tunneloefening had volbracht was ik weer terug bij het beginpunt van de tunnel. Natuurlijk is deze vervelende oefening niet voor niets, want niets is zo gevaarlijk als duiken in een gezonken schip of wrak. Je luchtslangen kunnen afgekneld of zelfs afgesneden worden, en bovendien zou een wrak kunnen verschuiven met alle gevolgen van dien. Aan dek, zomer en winter werd je door de duikerhelpers uitgekleed tot op je wit wollen ondergoed. Benedendeks deed je het wit ruig wollen ondergoed uit en je normale militaire pakkie weer aan. Zomer en winter werd er op doordeweekse dagen gedoken. Maar in de winter moest je ook, en dat waren vele keren gewoon een uur onder water op dezelfde plaats in je standaardduikerspak stil staan om je lichaam aan de kou te laten wennen. Een uur stil staan in de winter is lang, zeker in een volkomen duisternis. Het eerste half uur, voor zover je enig idee van tijd had ging nog wel. Het laatste kwartier was afzien, echt afzien. Je kreeg het steeds kouder en soms begon je lichaam te trillen. Handschoenen hadden wij in de winter wel aan, maar bij gebrek aan beweging werden je handen en vingers ijskoud. Altijd had het iets van een opluchting als na een uur de duikerhelper via de seinlijn het signaal gaf dat je weer naar boven mocht komen. Verkleumd, soms amper in staat de buitenboord hangende afdaaltrap naar boven te klimmen werd je door de duikerhelpers staande gehouden en zittend op een houten bank in weer en wind tot op je wollen ondergoed uitgekleed. Mijn vingers waren dan verkleumd en kon ik amper nog bewegen. Benedendeks aangekomen ging het een poosje wel weer. Het ging bij oefeningen ook wel eens mis, zoals die keer dat twee duikers elkaar onder water tegen kwamen en door welke oorzaak dan ook, de ene duiker bij een oefening de helm van de andere duiker per ongeluk losdraaide. Ik paniek wist de duiker, Arjan dacht ik, zonder duikershelm, op de havenboden staand zijn seinlijn niet te vinden om het noodsein door te kunnen geven. Maar één van de alerte duikerhelpers die in het gangboord stond zag plots een rood duikersmutsje aan de oppervlakte drijven. Alle duikers die op dat moment onder water waren werden zo snel mogelijk naar boven getrokken aan hun seinlijnen en luchtslang. En ja hoor er was er eentje zonder helm. Met een vuurrood hoofd van ingehouden adem werd Arjan aan boord geholpen, en de andere duikers konden zich weer naar de bodem laten terug zakken. Arjan was even later verrukt en blij dat hij niet verdronken was en had de grootste lol waarschijnlijk als verwerking en ontlading van zijn spannende opgedane ervaring. Maar zo ook een andere duiker schrok zich een aap toen wij allen om beurten in de 15 meter diepe sluizen van IJmuiden gingen duiken. Langs het afdaaltouw liet hij zich in verschillende ‘stopfasen’ naar beneden zakken. Beneden aangekomen gaf de duiker, door een stevige ruk aan de seinlijn aan de duikerhelper aan boord door dat hij op de bodem was geland. Na een paar minuten van acclimatiseren kreeg hij van boven het sein, een ruk gevolgd door nog een ruk, om naar achteren over de sluisbodem te gaan lopen en zijn werkoefeningen te gaan doen. Bij de eerste stap naar achter viel de duiker in een onverwachte diepte, en zakte meters verder naar beneden gedeeltelijk door de duikerhelpers bovendeks opgevangen. Het bleek later dat de duiker bij het afdalen precies op een in het verleden verkeerd geheide en een paar meter boven de bodem plat afgezaagde dukdalf, een enorm brede houten paal waar grote oceaanschepen zich aan vast leggen was beland. Maar het was wel even schrikken voor hem. Wij als duikers van de Genie moesten ook altijd aanwezig zijn als bij rustig windstil weer jongens met hun grote tanks over de Maas vaarden, dat wil zeggen, van de noordelijke naar de zuidelijke oever. Ongelooflijk om te zien, hoe die zware kollossale tanks voorzichtig de rivier inreden. En goede 15 of 20 cm van de tank bleef boven water zichtbaar terwijl de tankjongens bovenop de varende tank zaten die langzaam naar de andere oevers vaarden. Voor het geval er toch een tank onverwacht zou zinken moesten wij duikers altijd in duikerspak paraat aanwezig zijn, meevarend in een boot van de vaartuigendienst om eventuele drenkelingen te redden. Ja over drenkelingen gesproken, één van mijn maten Piet werd gevraagd door het kader of hij in een zandafgraving die gebruikt werd als vuilnisstortplaats, in het bijzijn van politie naar een daar waarschijnlijk verdronken jongetje wilde zoeken. Piet stemde toe. Gelukkig voor Piet had hij niets gevonden, maar de bezorgde ouders van het jongetje moesten hun zoektocht naar hun kind vervolgen. Maar die middag toen de tankvaaroefening over de Maas gedaan was, mochten wij duikers voor de gein een stukje in zo’n tank meerijden. Wat een vreselijke klereherrie maakten deze tanks als zij ratelend over een klinkerweg richting Crevcour reden. Het was een leuke ervaring, maar dat was voor ook dan ook alles. Toen wij later die middag met een paar jongens van de vaartuigendienst in hun lange houten boten met krachtige buitenboordmotoren richting het wat verderop langs de Maas gelegen Ammerzoden vaarden, kwam een van de gehele dag al tijdens de tankoefening boven ons vliegende en oefenende straaljager vanuit de hemelhoogte jankend kaars recht op ons bootje aanvliegen. Of de straaljagerpiloot zin had in een geintje weet ik niet, maar iedereen in onze boot keek elkaar verbaasd aan, en had zoiets van ‘Wat is dit ?’. Onverwacht in onze ogen, op een moment dat wij dachten dit gaat niet goed, trok de straaljager een paar honderd meter boven ons bootje zijn toestel in een mooie boog weer omhoog en verdween met bulderende motoren het hemelruim in om even later als een stipje in de trillende zomerhitte te verdwijnen. Wij allen, van de schrik bijgekomen lagen lachend in de boot waarschijnlijk als ontlading van het spannende moment. at een mafketel die piloot ! Misschien spring ik van de hak op de tak. Er is nog zoveel te vertellen, en sommige dingen laat ik maar voor wat het is, of ben ik vergeten en weet ik niet goed meer. Zoals de oefening om onder water luchtslangen te verwisselen tussen twee standaardduikers wat ook een keer mis ging. Ikzelf heb ook een keertje gehad dat ik in een aqualong duikerspak de afdaaltrap naar beneden ging, maar bij de eerste ademhaling onder water kreeg ik i.p.v. lucht rivierwater naar binnen. Het was even schrikken. In een reflex blies ik bijna al het water door het kraantje in mijn ademhalingsautomaat weer naar buiten en draaide zo snel mogelijk dit kleine kraantje dicht waarna ik gelukkig in het begin wel met wat druppels die ik doorslikte gewoon kon ademen. Het was gewoon een domme fout van mijzelf. Altijd moet je controleren voor je afdaal of het buitenkraantje in je ademhalingsautomaat dicht staat. Later in mijn diensttijd heb ik met mijn duikersmaat Gijs uit Eden, die na zijn diensttijd als duiker bij Wijsmuller is gaan werken en in het Midden oosten bij de aanleg van havens de nodige duikwerkzaamheden had, bij een meertje nabij Babberich een klein plaatsje ten zuidoosten Zevenaar, aan de Nederlands – Duitse grens oude wapens en munitie opgedoken. Het kader vroeg aan ons tweeën of wij dat wilden doen. Voorzichtigheid was geboden. In een militaire vrachtauto met onze duikerspullen reden wij die dag in de vroege ochtend naar het bewuste meertje. De mannen van de EOD ( Explosieven Opruimingsdienst ) uit Culemborg waren net hun materiaal aan het uitpakken en wij begroeten elkaar. In een stille door bomen omgeven waterplas, waar in het begin van de 2e oorlog een soort wachthuisje had gestaan hadden de Nederlandse soldaten bij het naderen van de Duitsers, als ik het allemaal goed heb onthouden hun wapens, granaten en ander gevaarlijke minutie in de waterplas gegooid. Omdat het meertje door hoge bomen was omgeven was in de loop der jaren op de bodem een dikke humusmodderlaag ontstaan. Gijs en ik kregen van de jongens van de EOD de nodige tekst en uitleg t.a.v. van eventuele minutie die wij op en in de bodem van het meertje zouden kunnen aantreffen. Nadat wij onze duikerspakken hadden aangedaan gingen wij vanaf de begroeide oever het meertje in. Opborrelende modder verspreide zich als een bruine uitbreidende wolk om ons heen en belemmerde onder water ons zicht, wederom moesten wij werken en zoeken in een totale modderige duisternis. Zo diep mogelijk, bijna tot aan onze schouders drukte ik mijn handen en armen in de zachte modder. Zo gauw ik iets verdachts of hards voelde haalde ik dit zo voorzichtig mogelijk uit de modder naar boven en deed dit aan een touw gebonden katoenen zak. Stuk voor stuk, je mocht absoluut geen twee gevonden dingen bij elkaar doen i.v.m. ontploffingsgevaar. Bovendien en begrijpelijk moesten Gijs en ik op het gevoel onder water te werk gaan en op geen enkele manier aan de gevonden voorwerpen peutteren aan iets draaien of onnodig betasten, ter voorkoming dat het zou kunnen ontploffen, en je daardoor je hand of arm kwijt zou kunnen raken, of nog erger. Die dag hadden Gijs en ik nog heel wat granaten, kogels ander spul gevonden. Zwaar verroest lag het op een lange tafel, en op een kleed op de oever ter beoordeling van de explosievenmannen. Aan het eind van de middag werd er door de mannen van de EOD een honderd meter verderop een groot gat gegraven en de gevonden minutie met een dikke laag zand bedekt. Wij, Gijs en ik wachten vol spanning op de explosieven die alle gevonden minutie onschadelijk zouden maken. Een doffe knal wierp een zanderuptie omhoog en iedereen was dik tevreden, en wij allen reden in de 4 tonner in de avonduren weer richting kazerne in Vught. Ik en nog een andere duiker ik dacht Piet werd ook gevraagd of wij in Duitsland bij een tankoefening die bij een rivier gehouden zou worden aanwezig wilden zijn voor het geval een tank onverwachts zou zinken en soldaten gered zouden moeten worden. Uren lang was onze rit in een 4 tonner met onze duikersuitrusting, met een paar kleine onderbrekingen naar Seedorf in Duitsland. Ik was hier nog nooit geweest. Tjonge jonge wat een enorme kazerne was dat. In een gebouw met een grote prachtig geschilderde indianenkop op de gevelwand, wat mij gelijk aan Winnetou, één van de helden van uit mijn jeugdjaren geliefde schrijver Karl May deed denken, konden wij overnachten. Overigens lees ik zo af en toe nog een boek van Karl May. Na even zoeken werd mij een bed aangewezen. Piet sliep op een andere kamer. In een vierpersoonskamer met onbekende soldaten bekeek ik mijn bed en directe omgeving. Ik weet van welke soldaat mijn tijdelijke bed voor één nacht was, maar zoveel pornofoto’s had ik nog nooit gezien. De wand achter het bed hing vol met prachtige meiden met enkele in de meest uitnodigende wijdbeense houdingen. Toen ik even op bed ging liggen na het avondeten en lange rit zag ik tot mijn verbazing dat zelfs de onderkant van de meterlange boekenplank boven mijn hoofd vol geplakt was met naakte meiden in allerlei houdingen, sommige in een soort schijnkuisheid en anderen alles uitdagend etalerend. Het kon natuurlijk zijn dat de soldaat waarvan ik één nacht zij bed mocht gebruiken, wel met een set schone lakens en kussensloop, in zijn vrije tijd een studie voor Gynaecoloog volgde. Natuurlijk als gezonde jongen zijnde heb ik alles wel even goed bekeken, maar op een gegeven moment had ik de dames ook wel ‘gezien’. Het was maar voor één nacht. De volgende dag was de tankoefening over de rivier. Alles ging gelukkig goed. Na een lange rit waren wij, Piet en ik en het kader weer veilig op onze kazerne. Eén van de oefeningen was om een gat wat tijdens oorlog of andere oorzaken in een scheepswand was ontstaan met een ijzeren metalen plaat zo goed mogelijk te dichten. Hiervoor werd voor de oefening in de haven met de takel van het schip een grote stellage met daaraan verbonden een stuk scheepswand gemonteerd op de bodem van de haven gezet. In de scheepswand zat een gat van ongeveer 20 cm in doorsnede. Met een aan een takel hangend ongeveer 80 cm lang gun een soort klein kanon moesten wij duikers met een losse metalen plaat en ongeveer 15 cm lange bouten, afgeschoten door het gun het gat in de scheepswand zo goed mogelijk dichten. Om de bouten af te kunnen schieten werd op het dek het gun geladen met een ongeveer 20 cm groot patroon. Als eerste ging ik naar beneden. Op een diepte van een paar meter bleef ik wachten op de modderige bodem totdat de gun naar beneden gezakt zou zijn. Alles ging goed. Ik kan het mij nu niet allemaal meer zo goed herinneren of de vast te maken plaat die het gat moest dicht wel of niet al gedeeltelijk voor het gat vast geschoten was door een van mijn duikersmaten die de dag daarvoor deze oefening moesten doen. Met mijn linkerhand tastend in het donker voelde ik of op welke plaats de gun op de metalen plaat geplaatst moest worden om de plaat verder vast te schieten en het gat in de scheepswand te dichten. Iedere duiker moest in ieder geval minstens één keer deze oefening hebben gedaan. Het gun had ik in een volslagen duisternis in de goede positie tegen de metalen plaat en mijn rechterschouder geplaatst. Met mijn linkerhand moest ik rechtsvoor bij het gun een rode knop indrukken en gelijktijdig met mijn rechterhand de stevige trekker overhalen en met al mijn kracht het handvat met mijn rechterhand en schouder indrukken om de bout af te kunnen schieten door de metalen plaat en de scheepswand. Alles indrukkend haalde trekker over, maar ik hoorde niets. Zeker niet hard genoeg gedrukt ging er door mij heen, nog maar eens proberen. Maar ook nu hetzelfde resultaat, er gebeurde wederom helemaal niets. Ik begreep er geen reet van. Nogmaals met al mijn kracht die ik bezat drukte ik het grote pistool wat meer weg had van een soort klein kanon voor de derde keer in, maar weer gebeurde er niets. Gloeiende …gloeiende. Door de microfoon in mijn duikershelm laat ik weten het na drie keer geprobeerd te hebben er niets gebeurde. ‘Gerrit… wat ben jij nu voor een slappe lul, je weet toch wat je moet doen. Heb je staan pitten vanmorgen tijdens de instructie ? Heb je misschien de hele nacht in je nest liggen rukke ?’ hoor ik de stem half schreeuwend van de majoor aan het dek. ‘We takelen de hele zooi wel naar boven en kijken wat er aan de hand is, blijf jij maar gewoon beneden’. Ik begreep er niets van, waarom de gun niet werkte. Alle instructies die wij als duikers de uren daarvoor aan dek hadden gehad, had ik volgens mij goed opgevolgd. Nou wachten maar. Minuten gingen voorbij tot ik plots de nu veel mildere stem va de majoor door mijn krakende microfoon in mijn duikershelm hoor. ‘Sorry…sorry…. die lompe boer, die lulhannes van een Klaas heeft de patroon verkeerd, achterste voren in de gun gedaan, sorry jongen wij wisten niet eens dat het mogelijk was, jij kon er niets aan doen, ik zal Klaas zo wel even voor z’n ballen trappen. Let op je kop, wij laten over een paar minuten de boel weer naar beneden zakken, doe voor de zekerheid een paar stappen naar achteren, en probeer het zo nog maar een keer, het zal nu wel goed gaan. Laat even weten als je gaat beginnen’ klonk de nu vriendelijke krakende majoorsstem door de microfoon in mijn helm. Even later hoor ik schuin boven mij geplons aan de oppervlakte en voelde ik toen ik mijn armen in het donker recht naar voren hield weer het ongeveer 80 cm grote gun. Hup maar weer proberen, het zal nu wel goed gaan. Met een flinke druk met mijn rechterschouder de gun zo hard mogelijk aandrukkend voel ik een schok en een harde metaalachtige tik gonst onder water. Tastend in het donker voel ik dat de metalen bout op de juiste plaats zit in de metalen plaat en scheepswand. Een opgelucht gevoel van blijdschap gaat door mij heen. Mooi zo dat is gepiept. Als ik later weer op het dek ben staat Klaas met zijn rechterhand op zijn hoofd naar mij te lachen. ‘Sorry Gerrit.. sorry ouwe’. De andere jongens hebben de grootste lol. Wij zijn allen maten van elkaar, die tijdens het duiken elkaar voor 100 % willen en kunnen vertrouwen. De majoor loopt wat mopperend maar lachend over het dek, blij dat er geen ongelukken gebeurd zijn. ‘Als Klaas het nog een keertje verkeerd doe, duw ik persoonlijk die patroon diep in z’n reet’. ‘Gelukkig is hij niet afgegaan, voor hetzelfde geld schiet je onder water je halve arm er van af, wij wisten niet eens dat het mogelijk was dat de patroon andersom in de gun geplaats kon worden…zo zie je maar ik moet overal met mijn neus bovenop staan’. Hij haalde diep en hard zijn neus op en spuugde aan de andere kant van het schip tussen wal en schip. Iedere doordeweekse dag gingen wij duikers het water in. Zomer en winter. Vooral de oefening in winterdagen als sneeuw over het dek jaagde was het onder water misschien nog aangenamer dan voor de jongens op het dek, die constant in de jachtige sneeuw en wind stonden. Trouwens ook duikers deden de werkzaamheden van de duikerhelpers. Echter, duikerhelpers mochten en konden niet duiken. Onder water draagt het geluid anders dan je misschien zou verwachten heel ver. Een boot van de vaartuigen dienst die hoog over je aan de oppervlakte vaarde hoorde je al van ver aankomen. Zo ook als sporadisch als één van de grote schepen ging varen hoorde je de draaiende schroeven door het water slaan. Zeker als majoor met de bijnaam, ‘Plank gas’ achter het stuurwiel stond. Zijn echte naam ben ik vergeten, maar het was een lompe en onverschillig overkomende majoor van de vaartuigendienst, die zoals zijn bijnaam al aangaf altijd ‘plank gas’ vaarde. Onder water was dat goed te horen. Majoor van Pelt, een keurige rustige man onderhield alle duikerspakken en reinigde de ademhalingsautomaten na iedere duik en hield alles bewonderingswaardig in orde. Majoor ‘De Roo’, was de ‘ouwe’ het hoofd van alle duikers en duikerhelpers en jongens van de vaartuigendienst. Maar deze ‘ouwe’ zagen wij eigenlijk niet zoveel, alléén zo af en toe tijdens een bijzondere toespraak. Maar voor de rest was het altijd, mocht je hem tegenkomen een gewoon vriendelijk groetende man. Aan zijn ene hand waren een paar misvormde vingers wat hij had overgehouden aan de 2e wereldoorlog. Wij duikers zijn aan het begin van onze opleiding tegen diverse dingen ingeënt. Want bij lang onder water blijven worden je handen zacht en week. En zoals bij een duik in ‘De Dieze’ in ‘s Hertogenbosch toen wij duikers op zoek waren naar iets i.v.m. een gepleegd misdrijf waren mijn handen week en zacht geworden en diversen malen heb ik ze opengehaald aan allerlei troep wat in de loop der jaren in het water gegooid was en op de bodem lag, zoals fietsen, kapotte flessen, blikjes ets. Bovendien was het goed opletten dat de luchtslangen per ongeluk niet door iets scherps wat boven de bodem uitstak lek raakten. Het vervelende is als je handen en huid door het water zo week worden, dat pas bij diepe sneden in je vingers en handen dit gaat voelen. Met een paar flinke japen in mijn vingers en handen kwam ik boven water. Gelukkig nooit ziek geworden, en vrij snel waren de sneeën weer dicht gegroeid. Zie voor aanvullende foto’s Facebook onder; Lenie Gerrit Marchal.

m.v.g. Gerrit.

Duiker bij de Genie. ( Deel 2 ) Diep duiken en Hyperventilatie. Op een goede dag zouden wij duikers van de Genie dieper gaan duiken. Wij hadden onze opleiding grotendeels volbracht, in het grote aquarium op het Genieterrein, in de haven langs de Maas bij Crevcour. Over de Maasboden tegen de waterstroom opkruipend en je op de plaats houdend door met je groot duikermes en handen om beurten in de zanderige Maasbodem te steken, om meesleuren met de stroom te voorkomen, was spannend maar goed gegaan. Wij hadden in een langs de Maas, nabij Kerkdriel gelegen zandafgravingen gedoken, tot een diepte van 8 of 10 meter. Wij vaarden met de ‘Kempenaar’ ons duikersschip van de Genie over de rivieren en kanalen naar het ‘Nieuwe meer’ in Amsterdam, om een aantal dagen daar in dieper water gaan duiken. De decompressietank voor het geval een duiker van grote diepte plotseling naar boven gehaald moest worden was in gereedheid gebracht. In mijn 83 kilo zware duikerspak liep ik de eerste duikdag, in de gaten gehouden, en zijdelings ondersteund door mijn duikermaten naar het metalen afdaaltrap. Onderaan deze trap aangekomen hield de duikerhelper, staand in het gangboord de lijnen, de luchttoevoer en seinlijn van het duikerspak strak en trokken je langs de zijkant van het schip naar het afdaaltouw. Dit afdaaltouw zat stevig aan een bolder op het schip vastgebonden met o.a. een mastworp en nog een verzegelde knoop. Onder aan het afdaaltouw is een afdaalgewicht van een goede 25 kilo gebonden en ligt op de bodem van, in dit geval het meer. Langzaam liet ik mij langs het afdaaltouw naar beneden zakken. De lichtgele omgeving ging geleidelijk maar vrij snel over in een steeds donkerder wordend geel om vervolgens in een blijvende totale duisternis over te gaan. Aardedonker was het om mij heen, mijn luchtbellenstroom ging constant borrelend richting de oppervlakte. Langzaam zakte ik verder naar beneden in een totale duisternis. De geleidelijk toenemende waterdruk voelde ik drukken tegen mijn gehele lichaam, behalve mijn bovenlichaam waarin ik de hoeveelheid lucht nauwkeurig in de gaten hield…niet te veel maar ook niet te weinig. Met door in mijn duikershelm aanwezige klep, die ik met mijn hoofd zijdelings kon indrukken kon ik de hoeveelheid lucht in mijn duikerspak regelen. Plots blijf ik hangen en liet de duikerhelper mij vanaf het dek niet verder meer zakken. Op 10 meter diepte zat ik dus. Mijn eerste stop waar ik een minuut of vijf op deze diepte moest verblijven om mijn lichaam en al mijn lichaamsholten aan de omgevingsdruk te laten wennen. Daar hing ik dan, mij met mijn handen aan het afdaaltouw vasthoudend. Via mijn manchetten voel ik water langzaam in piepkleine stroompjes naar binnen sijpelen, maar dat kon geen kwaad. Na enige minuten voel dat ik, na een kort rukje via de seinlijn dat ik weer langzaam verder naar beneden zakte, traag het touw in de holte van mijn vingers als een soort geleider gebruikend. Langzaam zakte ik verder naar beneden. ‘Hoe diep zou het hier zijn ? zouden er grote vissen in het meer zitten ? Geen idee had ik van beiden. De druk van het water nam langzaam toe, dikke duikerspakplooien drukten tegen mijn benen en armen. Plots blijf ik weer hangen, en moet mijn 2e stop maken. 20 meter diep was ik nu. Het water om mij heen was kil en de waterdruk werd steeds hoger. Mijn luchtbel rondom mijn bovenlichaam hield ik steeds zorgvuldig ook tijdens het afdalen in de gaten. Regelmatig tijdens het afdalen ‘Klaar’ ik mijn oren zodat de druk in mijn hoofdholten dezelfde blijven als mijn omgevingsdruk in het meer, dit om pijnlijke of gescheurde trommelvliezen te voorkomen. Ook mijn bloed met daarin kleine gasbelletjes moeten tijdens deze nodige ‘stops’ zich reguleren. Toch weer onverwachts, na het bekende rukje van de duikerhelper op het dek, zakte ik verder naar beneden ‘Hoever zal het nog naar de bodem zijn ?’ Al weet ik dat ik de bodem van het meer ieder ogenblik kon voelen, kwam ik toch onverwacht het moment van aanraking. Een vreemd en wat spannend moment te beseffen dat je op de bodem meer staat met het duikersschip ver boven je. Met mijn ene duikerschoen bleef ik wat schuin staan op het in de modder weggezakt afdaalgewicht en mijn ander been voelde ik alleen maar zachte bodenmodder. Ik gaf een ruk aan de seinlijn naar de verre oppervlakte die direct met een gelijksoortige ruk beantwoord word. De duikerhelper aan dek, 27 meter boven mij, zo hoorde ik later van hem weet dat ik op de bodem ben aangekomen. Ik kreeg nu een goede vijf minuten om te acclimatiseren en alles in orde te brengen, om o.a. mijn looplijn op te zoeken die eveneens aan een ring aan het afdaalgewicht is vastgebonden. Na een paar minuten trok ik mij met mijn handen langs het afdaaltouw tot het afdaalgewicht naar beneden om de looplijn te pakken. Goed bukken en hurken in een duikerspak op deze diepte is bijna onmogelijk. Maar ik kreeg de looplijn te pakken. Deze looplijn is een ongeveer 8 of 10 meter lang touw waarmee je als enige oriëntatie en houvast over de bodem kon lopen wilde je ooit weer in volkomen duisternis bij je afdaalgewicht terug willen komen. De waterdruk drukt in het begin onwennig op mijn benen en armen en op een onprettige manier in mijn kruis. Maar mijn jongeheer was waarschijnlijk door het koude water rondom mij gekrompen tot een harmonicamodel, misschien wel Guinness book of Records waardig, zo klein was het mormeltje geworden denk ik te voelen. Maar goed hij zal boven water gekomen wel weer de normale vorm aannemen hoop ik. Nog steeds sijpelde water via mijn manchetten mijn mouwen in. Een kil waterstroompje die gelukkig door mijn lichaamswarmte in het duikerspak weer snel op temperatuur kwam. Ik kreeg van boven het sein, een ruk en nog een ruk, om naar achteren te lopen. Met mijn voeten, en door het duikerspak en hoge waterdruk rondom beknelde benen probeerde ik zo goed mogelijk op naar voren te lopen. Maar iedere keer zakten ze weg in de decimeters dikke modderlaag. Maar ik vorderde, traag maar gestaag. Plots ondanks de waterdruk kreeg ik het gevoel dat mijn rechterbeen door iets omklemd werd. Ik zat muurvast ! Even sloeg de schrik om mijn hart. Rustig blijven…. nadenken… wat moet ik doen ? Een paar extra zweetdruppels gleden langs mijn gezicht naar beneden en prikkelen in mijn ogen. Wrijven kon natuurlijk niet, dan maar een paar keer goed je ogen dicht en open knijpen. Mijn hart bonkte in mijn borstkas. Zo goed mogelijk probeerde ik te bukken en te voelen wat de oorzaak was. Een gedeelte van het 10 meter lange looplijn bleek vast aan mijn been te zitten. Langzaam ging ik de paar afgelegde meter terug naar mijn afdaalgewicht. Door mij iets langs het afdaaltouw naar boven op te trekken schudde ik in het duister het touw van mijn rechterbeen, en rolde ik het, weer op de bodem aangekomen de hele looplijn zo goed mogelijk op, mijn afdaaltouw aan de binnenzijde van mijn ene ellenboog omvattend. Poe dat was een opluchting. Vastzitten op zo’n diepte is geen pretje. Eigenlijk had ik achteraf bekeken voor ik ging lopen beter eerst de gehele looplijn naar mij toe kunnen halen en niet voor een groot gedeelte. Maar goed daar zijn deze oefeningen voor, en aldoende leert men. Niet in paniek raken, nadenken, een oplossing bedenken is het eerste wat een duiker moet doen als er iets onverwachts gebeurt. Uiteindelijk was ik eerst door de modder, maar wat verderop was de bodem gelukkig wat steviger tot aan het einde van mijn looplijn gelopen. Wel lag op de bodem veel brokken steen met uitstekende ijzeren staven op de bodem. Gestort bouwafval hoorde ik later die dag. Aan het einde van mijn looplijn bij de dikke knoop begon ik in een cirkelwandeling over de bodem te lopen. Tot ik na enige tijd merk dat mijn looplijn en cirkel veel korter was geworden. In het duister volgde ik de looplijn terug. Achter een hoog dik stuk betonijzer van het hier waarschijnlijk gestort bouwafval is mijn looplijn blijven hangen. Poe ..was even schrikken en nu ik voel wat de oorzaak was een opluchting voor mij. Op de tast mijn looplijn volgend kwam ik uiteindelijk weer bij mijn afdaal gewicht terug. Idee van van tijd heb je in het volslagen duister niet meer. Ben ik op een onbekende planeet ? vroeg ik mij wel eens af. Zou een ruimtereiziger zich ook zo voelen ?, Op deze diepte in volledige duisternis waarin ik alleen mijn eigen ademhaling hoor, en een constant borrelende luchtbellenstroom naar de verre oppervlakte schoot dat wel eens door mij heen. Bij mijn afdaal gewicht aangekomen gaf ik een stevige ruk aan mijn seinlijn die direct weer door de duikerhelper beantwoord werd. Hij weet dat ik bij mijn afdaalgewicht terug ben. Vrij snel daarna kreeg ik weer via de seinlijn het sein op langzaam met behulp van de duikerhelper naar boven te stijgen. Deze duikerhelpers, onze maten zijn heel belangrijk en staan zolang jij onder water ben, zomer en winter, in weer en geen weer, in het gangboord jouw lucht- en seinlijnen goed in de gaten houdend. Ik moest en kon voor 100% op deze jongens vertrouwen, en dat deed ik ook, en in geval van nood trokken ze je snel mogelijk naar de oppervlakte. Langzaam hand overhand mij zelf naar boven trekkend, maar meer getrokken door de duikerhelper steeg ik naar de ver boven mij zijnde oppervlakte. Onverwachts blijf ik hangen. Mijn eerste stop, die was heel belangrijk om de gevreesde caissonziekte te voorkomen. Daar hing ik zwevend tussen de bodem van het meer en het ver boven mij drijvend schip. Wederom, maar eigenlijk constant hield ik goed mijn luchtbel in mijn duikerpak in de gaten. Het moest niet gebeuren, zoals ik had gehoord van de oude duikershelpers van lichtingen voor mij dat zoals bij één van de kaderleden, en dat zijn toch echt ervaren duikjongens die tijdens een duikoefening in Zeeland op een diepte van een dikke 20 meter zijn lucht in zijn duikerspak net even niet goed geregeld had hij als een raket naar boven kwam stijgen, en zoals de duikershelpers zeiden de duiker als een walvis boven de oppervlakte stuiterde. Met spoed was deze duiker toen in de altijd klaar staande decompressie tankt gelegd met gescheurde bloedende trommelvliezen tot gevolg. Het met gehaaste spoed plaatsen van een te snel opgestegen duiker in de decompressietank moet voorkomen dat een duiker last krijgt van de gevreesde caissonziekte waardoor door plotselinge drukverschillen in het bloed ontstane luchtbellen een blijvende schade achterlaten in het lichaam waar je de rest van je leven last van kunt hebben. Met een zachte ruk wordt ik uit mijn gedachten gewekt en steeg ik traag naar boven tot de 10 meter hoger stop, waar ik eveneens een goede vijf minuten bleef zweven. De waterdruk is geleidelijk afgenomen. Uiteindelijk na het opstijgen na de 2e stop wordt het water donkergeel overgaand in een steeds lichter geel en komt mijn duikershelm boven de klotsende waterspiegel. Ik had het beneden op de bodem koud gekregen en kan amper mijn vingers en benen nog bewegen. De overgang vanuit het water de trap op met een 83 kilo zwaar standaardduikerspak is en blijft even wennen. Geholpen en ondersteund door duikerhelpers nam ik plaats op een stevig houten bankje waarna de seinlijn en dikke luchtslang worden ontkoppeld, en vervolgens voorzichtig de metalen duikershel van je hoofd word gedraaid. Heerlijk fris was de buitenlucht. Ik was trots op mijzelf dat mijn diepe duik gelukt is. Meer dan een uur was ik onder water geweest. maar nogmaals beneden op de bodem van het Nieuwe Meer in volkomen duisternis ben je het tijdsbesef zo kwijt. Ik denk dat ik zo maar stop met mijn verhaal er is nog zoveel meer te vertellen. Maar het zo wel genoeg. Nou ja…O ja hoe kan ik het vergeten de laatste gebeurtenis dan. Aan ons duikers werd via het kader gevraagd of wij aan een oudheidkundig onderzoek mee wilden doen door in de kasteelgracht van kasteel Helmond op zoek te gaan, naar in de loop der tijd in het water gevallen voorwerpen. Zo wist men ons te vertellen dat door een blikseminslag vroeger een gedeelte van een torenspits in de gracht was gevallen. In de kasteeltuin nabij de gracht werden wij duikers aangekleed, en om beurten zouden wij vanuit en houten boot van de jongens van de vaartuigendienst te water gaan. Langer dan verwacht moest ik in mijn duikerspak in de boot zitten tot het mijn beurt was om onder water te gaan. Hoe lang precies dat weet ik niet. 20 minuten of misschien nog langer zat ik afwachtend in de boot. Ik begon het de warme septemberzon in mijn duikerspak steeds warmer te krijgen en licht te transpireren. Maar uiteindelijk was het mijn beurt om uit de boot te stappen en in de gracht naar de bodem af te zakken en op zoek te gaan naar voorwerpen van welke aard dan ook. Onder water gekomen in de paar meter diepe modderige gracht van kasteel Helmond ga ik reeds half bevangen door de warmte van het lange zitten in de boot en het lastige adembenemend overboord klimmen vanuit de houten boot, op de bodem aangekomen steeds sneller ademen, steeds dikkere zweetdruppels parelen van mijn gezicht en lippen die het vochtige mondstuk vasthouden. Gejaagd steeds sneller gaat het ademen. Mijn longen gaan gejaagd in mijn steeds heftiger op en neer gaande borstkas. ‘Hyperventilatie’ !! vlamt door mijn gejaagde hersenen! Een verlammende angst schiet door mij heen. Mijn hart bonkt als een bezetene. Het liefst zou ik het mondstuk uit willen doen en mijn duikerspak van mijn hoofd willen rukken. Ik wil naar boven naar de oppervlakte frisse lucht inademen…lucht…lucht.. verse lucht wil ik in ademen ..niets en niets om mijn hoofd. Het strakke door angstzweet vochtige rubberen duikerspak knelt vochtig tegen mijn bezweet hoofd. ‘Denken !!!…goed nadenken…nadenken !!!. Blijf rustig. rustig…rustig !! gaat gejaagd door mijn paniekerige hersenen. Wat moet je doen…wat moet je doen bij hyperventilatie ? Mijn adem, hart en borstkas gaan steeds gejaagder. Ik trek aan de uitpuilende pooien die bij mijn borstkas tegen mijn lichaam drukkend duikerspak. Adem in houden…adem inhouden…. inhouden…schiet door mijn hoofd. doe je mond dicht …en pers je lippen op elkaar, ook al lijken je hersenen te barsten en je longen om zuurstof te schreeuwen.. Adem inhouden, kom op, je kunt het…je kunt het…je moet !! Iets anders kun ik niets doen schiet door mij heen. Het angstzweet stroomt in straaltjes aan de binnenkant van mijn strak tegen mijn hoofd klemmend rubberduikerspak naar beneden mijn kraag in. Ik hou met op elkaar geperste lippen mijn adem in ondanks dat mijn longen om zuurstof lijken te schreeuwen. Mijn vochtige tranende ogen lijken door de spanning uit hun kassen te worden geperst. Mijn hart bonkt als een bezetene in mijn borstkas. Het lukt ..ik hou mij adem zo lang mogelijk vast…. hou vast.. hou vast ..nog even !! Dan even tussendoor een flinke diepe ademhaling, en mond weer dicht, stijf dicht houden.. hou vast…hou vast, je kan het !! Na een paar minuten voel ik dat het beter gaat en een vlaag van Hemelse dankbaarheid naar boven schiet door mij hoofd. Mijn ademhaling is nog wel onrustig maar onder controle. Zeiknat is mijn haar en wollen duikerspak rondom mijn kraag. Ik ben opgelucht en intens dankbaar dat ik op een gegeven moment weer normaal kan adem halen. Uiteindelijk hebben mijn duikersmaten en ik die middag toch nog wat leuke dingen gevonden, zoals borden, bestek en het gedeelte van de ooit naar beneden gestorte torenspits. Zo hier laat ik het maar bij. De laatste twee maanden van je dienstplicht had je de bijnaam ‘Ouwe stomp’. En het moment van ‘afzwaaien’ is toch wel een vreemd iets, en tevens een uiteen gaan van je maten. Aan het einde van mijn diensttijd en duikersopleiding kregen wij duikers een certificaat, een diploma dat wij onze opleiding als duiker goed hadden volbracht. Als je belangstelling had kon je direct na het vervullen van je dienstplicht bij een bergingsbedrijf gaan werken, deze wilden je maar wat graag in dienst nemen, zoals toentertijd bij Smit-Tak of Wijsmuller, zoals mijn maat Gijs heeft gedaan. De Nederlandse duikers waren en zijn de beste van de wereld omdat zij hun opleiding bijna altijd in een volledige duisternis hebben gehad, en bij duikwerkzaamheden in het buitenland veel vaker hun werk in een zichtbare onderwateromgeving kunnen doen. Ikzelf ben weer na mijn diensttijd bij mijn oude werkgever Ingenieursbureau Van Steenis in Utrecht gaan werken en mijn werkzaamheden als Kartografisch tekenaar vervolgd, en een aantal Kartografische aanvullende cursussen gaan doen. Maar sommige duikmaten bleven duiker. Gijs werkte in het Midden – Oosten bij het aanleggen van havens. Eén duiker ging werken bij de sluizen in IJmuiden waar hij dagelijks de 15 meter diepe sluizen en o.a. enorme sluisdeuren ed. controleerde en inspecteerde. Een andere dienstmaat ging op een booreiland op de Noordzee werken, waar hij bijna dagelijks de enorme poten waarop het booreiland ruste tot een diepte van 60 meter inspecteerde en o.a. aangroeisel zo goed mogelijk verwijderde. Als je een goede duiker was moest je er voor zorgen dat je financieel met je 40e of 45e binnen was. Daarna werd het werk lichamelijk te zwaar. Het lijkt allemaal mooi en spannend en uitdagend en veel poen is er te verdienen. Maar vele voor mij onbekende duikersjongens zo las ik in de duikerslectuur zijn in de loop der jaren verdronken. Ik ben Kartograaf gebleven om mooie landkaarten te vervaardigen. Dit werk en landkaarten hadden mij altijd al aangetrokken. Bovendien wilde ik mijn karatetraining waarmee in in 1971 in Wijk bij Duurstede bij Wijnand van den Broek was begonnen tot de zwarte band afmaken. Uiteindelijk ben ik eind 2007 na ongeveer 35 jaar gestopt met karate. Maar aan mijn duikersperiode en maten bij de Genie heb ik mooie, spannende en dierbare herinneringen. Bedankt jongens, bedankt maten. m.v.g. Gerrit Marchal. Zie voor aanvullende foto’s Facebook onder : Lenie Gerrit Marchal

Woensdag 18 november 2020 moest Lenie ter controle bij de Bergman kliniek in Amersfoort terug komen om haar een week eerder aan staar geopereerd rechteroog te laten controleren. Gelukkig zag het er allemaal voorlopig goed uit. Misschien t.z.t. een nabehandeling met een laser voor nastaar. Zij kon nog 15 tot 20% zien met haar rechteroog en het zicht was nu afgelopen woensdag een week na de operatie al verbeterd naar 90%. Zij zag als vanzelf sprekend wel op tegen de operatie. Op de dag van de operatie kreeg zij o.a. pijnstillende druppels in haar oog. Toen deze voldoende waren ingewerkt werd Leentje op de operatietafel als bij een echte operatie geheel ingepakt en een heel felle lamp scheen op haar te opereren oog. Zoals Leentje later aangaf voelde zij geen pijn, wel dat er van allerlei handelingen die met haar oog gedaan werden, soms zag zij in het intens felle licht de arts met puntscherpe voorwerpen op haar oog afkomen. Er werden twee kleine sneetjes in haar oogbol gemaakt en de oude staarlens werd er vervolgens eruit gezogen. Een kunstmatig vervaardigde nieuwe lens werd dubbelgeklapt via één van de kleine sneetjes weer in het oog op de goede plaats geschoven. Een week lang heeft zij ‘s nachts een oogkapje op moeten houden ter voorkoming dat zij in haar slaap in haar oog zou wrijven. Wel moet zij een aantal weken afbouwend per dag een aantal malen met twee verschillende vloeistoffen druppelen. Maar het gaat gelukkig goed met haar oog en daar zijn wij dankbaar voor. Nu wij toch voor de 2e maal in Amersfoort waren had ik haar gevraagd of zij, als alles gegaan was met haar na de oogcontrole of wij even bij het kapelletje Isselt konden gaan kijken. Misschien hebben jullie nog nooit van Isselt gehoord, of kennen jullie het alléén als een bedrijventerrein in Amersfoort. Nou ik vroeger ook niet. Jaren geleden kwam ik een geschreven stukje over het kapelletje Isselt tegen in een oud gebonden tijdschrift ‘In weer en wind’ jaargang 1939, waarvan ik een aantal jaargangen op de kop had getikt en zorgvuldig in mijn boekenkast bewaar. Eén van de schrijvers van dit blad was mijn favoriete schrijvers van vroeger Jan P. Strijbos en Rinke Tolman. Prachtig zoals die mannen vroeger konden schrijven en wat een kennis van de natuur en hun omgeving. In jaargang 1939 heeft dhr. Johan Pouw een prachtig boeiend stukje geschreven hoe hij omstreeks 1938 de weg vragend bij T splitsingen van landwegen ten noordenwesten van Amersfoort, langs een boerderij met de toen al verdwenen boerderijnaam ‘De platluis’ een oude plaatselijke benaming die alléén bekend was bij een oude boerin, en een even verderop gelegen boerderij ‘De vurige wagen’ over stille door weilanden lopende landwegen naar het kapelletje Isselt fietste en er een mooie foto van heeft gemaakt. Ik heb jaren geleden en nu nog steeds genoten van het door Johan geschreven stukje, en vol bewondering naar de foto van het kapelletje en boerderijen gekeken. Via het tegen de kapel gebouwde boerderijtje mocht Johan van de vriendelijke bewoonster de fam. Van Dam van Isselt door de kleine boerderij via de ‘mooie kamer’ in de kapel kijken. In het getemperde licht kon hij de oude rouwborden ( geschilderde naam en wapenborden van overledenen ) en fraaie glas in loodramen bewonderen. In de winter, voorjaar en najaar zie je hier bijna niemand had de hier wonende boerin tegen Johan gezegd. Het kapelletje is omstreeks 1339 door Dirk Cosijn gebouwd, en tussen 1636 en 1649 was een herenhuis tegen de kapel gebouwd wat in 1784 weer word afgebroken. Tijdens de laatste restauratie in 1922 tot 1923 werd er een onder het koor in het kapelletje een grafkelder gevonden. De familie ‘Van Dam van Isselt woont al vanaf 1775 tot aan vandaag de dag in de kapel. Maar genoeg over de geschiedenis van het kapelletje. Ik ben het mooie verhaal van Johan Pouw uit het tijdschrift “In weer en Wind’ uit 1939 nooit vergeten, en ik heb het in afgelopen jaren een aantal keren gelezen en de bijbehorende zwart / wit foto’s bewonderd. Het kappelletje is gelukkig dank zij de “Stichting behoud kapel Isselt’ behouden gebleven. Want het is nu tegenwoordig geheel in een groot bedrijventerrein ingesloten. Triest, intriest vind ik dat. Natuurlijk ben ik blij dat het behouden is gebleven, maar…ja dat de wereld zo snel veranderd, en prachtige weilanden en boerderijen zomaar worden opgegeven voor de steeds sneller oprukkende bebouwing baart mij wel eens zorgen. Wat blijft er uiteindelijk over van ons eens zo mooie groene kikkerland. Ik benijd de jeugd van tegenwoordig niet. Samen met Leentje ben ik afgelopen woensdag eens via het oude nog resterende stukje landweg wederzijds ingesloten door bedrijven en onder hoge bomen naar het kapelletje gewandeld. Je kon het amper zien. Een heel kleine groene oase in een drukke bedrijvenwereld. Het klokje met zijn windvaan was tussen het groen en takken met zijn laatste verkleurde bladeren van dit jaar nog net te zien. De stenen toegangspalen een houten hek dragend zijn wat verderop door de struiken nog net te zien. Maar het is hier verboden gebied. Het hele terrein om het kapelletje is afgesloten, maar wel bewoond. Nee op het terrein komen kan en mag niet. Zo goed mogelijk door braamstruiken en brandnetels stappend heb maar wat foto’s gemaakt. Bijna ging ik er onder uit tussen de stekelige braamstruiken. Wat had ik graag even op het terrein rondom en in het kapelletje willen kijken. Maar er was niemand te zien. Mijn iets oudere nicht Ria van Binsbergen Nokkert zo vertelde zij mij door de telefoon ging als meisje omstreeks 1950 met haar vader, mijn ome Gerrit Nokkert, die met zijn gezin in Amersfoort in het Soesterkwartier woonden als ik mij niet vergis, op de fiets met Ria achterop langs het kapelletje Isselt naar zijn moestuin welke aan het riviertje ‘De Eem’ gelegen was. Eindelijk ben ik nu bij ‘mijn’ kapelletje Isselt gaan kijken, Ja een beetje teleurgesteld was ik wel, en ook een beetje triest gevoel bekroop mij dat zoveel mooie weilanden verloren gaan aan de steeds meer als een schimmel oprukkende bebouwing. Ik ben echt een ouwe zak aan het worden, met een steeds grotere hang naar vroeger. Niet dat toen alles veel beter was, beslist niet, maar wel met meer natuur, bloemen en bijen etc. Op weg naar de wat verderop geparkeerde auto kwamen wij nog langs een overdadig in kerstsfeer ingerichte achtertuin, waarvan ik wat foto’s mocht maken. Maar laten wij iedereen maar in zijn waarde laten. Leven en laten leven zullen wij maar zeggen. Sommige mensen brengen gelukkig wel kleur in het leven. De één is tevreden met een klein kerststukje met een licht brengend flakkerend kaarsje, en voor de ander kan de tuin niet groot genoeg zijn om zo vol mogelijk te proppen met slingers, rendieren, sinterklaaspoppen, kerstmannen, kerstbomen en sneeuwpoppen en weet ik veel wat nog meer. Met een bedenkelijk rokerskuchje en smeulende sigaret vertelde de vrouw met hoog opgestoken geblondeerd haar dat zij veel, heel veel werk heeft gehad om alle spullen en poppen uit het schuurtje te halen en in de tuin te plaatsen. Een stukje sigaretsliertje wat op haar onderlip blijft hangen wordt gedachteloos met gouden armbanden behangen arm en goud geringde vingers aan haar tijgervelshirt afgeveegd. Ik bedank haar, terwijl zij op haar lichtpaarse tijgervelsloffen weer de met glimmend marmerstenen betegelde tuin inloop, dat ik wat foto’s mocht maken van haar tuin. Vriendelijk wenst zij ons eveneens een goede dag. Het is gewoon een aardige vrouw die geniet en trost is op haar tuin, en gelijk heeft zij.

Even een klein verhaaltje tussendoor. Tijdens mijn fietstochten fietste ik wel eens door Naarden-Vesting richting het Naardermeer en omgeving. Een mooie omgeving en een mooi oud vestingstadje, en zeker het bezoeken waard als je hier eens in de buurt mocht zijn. Op de fiets zwalkte ik een beetje door wat straatjes van de oude stad. Hé, in de Kloosterstraat zag ik een tweedehandsboekenzaak. Mijn hart als boekenworm begon sneller te kloppen, en ik dacht’ daar ga ik niet zomaar aan voorbij, even binnen kijken’ ondanks dat mijn boekenkamer uitpuil van de boeken, maar ja…., een boekenjunk hé. Van dat gevoel kom je nooit meer vanaf, als je dat al zou willen. Maar goed. In de etalage lag een variatie van diverse soms door de zonlicht kromgetrokken boeken. Ik stapte het aan de linkerzijde van de etalage gelegen toegangsdeur naar binnen. Een belletje rinkelde schel met een rammelende valse nagalm. In het kleine halletje net achter de deur, die nog maar gedeeltelijk open kon lagen stapels boeken en andere spullen. Rechts was de ingang naar de eigenlijke boekhandel van Hendrik Poolman de eigenaar van het antiquariaat / boekhandel. Ik zag niemand alléén een poes die zich op met moment dat ik binnenkwam in mijn ogen met een gevaarlijke kromming in zijn rug uitrekte en langdurig gaapte. Het ging goed met de kattenrug en het dier ging zitten op de stapel boeken en sloeg zijn staart voor zijn voorpoten miauwde en staarde mij afwachtend aan. Er gebeurde verder niets, en ik dacht ik wacht wel tot er iemand komt. Maar na een kleine minuut hoorde ik in de rechterhoek wat gekuch achter een geknikte hoge boekenkast die het zicht van hetgeen daarachter was belemmerde. ‘Jaaaa … kom maar even hier naar toe’ riep een door jarenlang roken krassende stem. Achter de hoge boekenkast zat een man met van boven opengeslagen overhemd. Op zijn enigszins schuinstaande neus waren een paar lange littekens te zien. Zijn hoofdharen waren naar achter gekamd of met de hand in een zo goed mogelijk model geschoven, en een donker half grijs baardje sierde zijn kin. In zijn rechterhand hield hij een zelf gedraaid half vochtig peukje waaruit traag een grijs rooksliertje naar boven kronkelde. Ik gaf aan dat ik graag in de stapels boeken wilde kijken. Voor de man kon antwoorden kreeg hij een stevige hoestbui die ik al staand tussen de stapels boeken maar afwachtte. ‘Ja ik moet eigenlijk stoppen met dat roken, het is niet goed voor mij, zeker tussen al die stoffige boeken, maar ja een mens wil wat’ zei Hendrik een trekje van zijn laatste peukrestje nemend. De uit zijn slapie ontwaakte poes was via de opgestapelde boeken mijn richting uit gekomen en probeerde door mijn onderarm kopjes te geven mijn aandacht te trekken. Ik ben die middag een uur of zo gaan snuffelen in de stapels boeken. In de loop der jaren als ik hier in de buurt was, alléén of met Leentje gingen wij vaak even bij Hendrik kijken. Soms zei hij lange tijden niets, maar hij kon ook een heel gezellige prater zijn, met belangstelling voor velerlei dingen. Wat een mooie boeken heb ik bij hem gekocht, bijna altijd voor verhoudingsgewijs weinig geld. Mooie oude boeken uit omstreeks 1880 “Van de aarde en haar volkeren waarin geweldig mooie gravures staan, en o.a. diverse Verkadealbums en oude aanzichtkaarten heb ik bij Hendrik gekocht’ Toen ik Hendrik al een jaar of 10 kende en ik weer eens tijdens een mooie zonnige dag tijdens het fietsen even bij hem langs ging, en niet langer gezien het mooie weer dan tien minuten wilde gaan kijken tussen zijn boeken, zij hij na vijf minuten nadat ik binnen was gekomen. ‘Gerrit hoe lang blijf je denk je, ongeveer anderhalf uur ?, want dan ga ik even boven slapen en dan zie ik je straks wel weer als ik wakker word’. ‘En mocht er een klant komen leg het geld hier maar op tafel’. Mooi hé dat vertrouwen. Maar ik moest Hendrik teleur stellen, en liet hem weten gezien het mooie weer dat ik verder wilde fietsen.’ Is goed hoor’ zei hij voorover gebogen kuchend’ Ik doe de winkel wel dicht, je gaat toch zo hé’ ? zich in de ogen wrijvend van de slaap of rook van zijn sigaret. Later hoorde ik dat Hendrik enige maanden later was overleden, zijn vrouw belde mij of ik zij de door mij gemaakte foto van Hendrik mocht gebruiken voor een artikel in een plaatselijke krant en voor het overlijdensbericht. Natuurlijk gaf ik haar mijn toestemming. Als ik nu weer eens door Naarden fiets kijk in nog even bij de voormalige winkel van Hendrik, Het is nu een woonhuis geworden. Maar Hendrik en zijn prachtige oude boekenwinkel zijn voorgoed uit de tijd, en eigenlijk als in in Naarden ben mis ik hem wel, omdat ik niet even meer bij hem naar binnen kan wippen, een babbeltje maken en tussen de hoog schuin soms stoffige opgestapelde boeken kan snuffelen.

Langs het ‘Euvenpad’ ( Huppelpad ) in Wijk bij Duurstede. Omstreeks 1982.