Op 8 juni 2004 kwam ik in gesprek met deze twee mannen bij de Veldpoortbrug in Wijk bij Duurstede. ‘Ja hoor zet jij ons maar op de foto, ga je gang maar’ zeiden zij toen ik gevraagd had of ik een foto van hen mocht maken. Mooie sterke dingen uit vervlogen tijden werden verteld. Zoals in mijn jeugdjaren, zo omstreeks 1965 mannen bijeen stonden bij de Kasteelsepoort komen nu regelmatig wat oudere en soms wat jonge wijkenaren hier bij de Veldpoortbrug bijeen, bij het ‘Leugenbankje’ waar dingen uit vervlogen jaren, en de laatste nieuwtjes van Wijk worden besproken en doorgenomen. De zittende man was enkele dagen geleden gevallen, maar zoals hij zei ging het nu wat beter met hem.

Het gat van de dijk. Ad van Bemmel heeft het zo duidelijk met gegevens uit oude bronnen en archieven beschreven in zijn mooie boek ‘De Lekdijk van Amerongen naar Vreeswijk’. Een schitterend boek. Wat een werk moet het geweest zijn om alle in dit boek verzamelde gegevens te vergaren, te sorteren en beschrijven. Ik heb bewondering voor Ad, en ben hem dankbaar voor o.a. dit boek. Als ik het goed heb onthouden is hij, zoals hij mij tijdens een telefoongesprek vertelde, ongeveer 6000 uur bezig geweest om dit boek te maken, nou petje af voor hem. De oude dijkdoorbraak langs de Lekdijk-West nabij de boerderij ‘Den Noord’ waar in mijn jeugdjaren Klaas van Dijk woonde. Ach hoe vaak in mijn leven heb ik niet vanaf de dijk, en in vroeger jaren vanuit de weilanden naar deze stille waterplas gekeken en foto’s gemaakt. En nog steeds betekend deze oude dijkdoorbraak iets mij, hier liggen de voetstappen uit mijn jeugd van mijn eerste zwerftochten, alléén of met mijn broers en onze honden. Mijn ouders verhuisden in februari 1958 van de Hoogstraat 95 naar Sluis Zuid 2 in Wijk bij Duurstede. Het was een grote verandering, van de rand van het stadje naar het stille weidse Wijkse buitengebied. Ja rustig was het toen nog daar onder aan de dijk bij de sluizen. Over het stille landwegje kwam soms in geen dagen iemand voorbij. Een landbouwer met paard en wagen, zoals b.v. de jongens van ‘van Rijn’, of toen onze buurman Gooiert Spithoven met zijn paard en houten strontkar klepperden wel eens over de hobbelige klinkerweg. Zo af en toe liep omstreeks 1959 Han Spithoven de zwakbegaafde broer van Gooiert bij ons voor het huis op het wegje. Hij keek je altijd met vreemd indringende ogen aan van onder zijn vettige oude pet, en bromde dan wat in zichzelf. Vaak stond hij stil met een verziende blik in zijn ogen en gromde alléén maar vertelde mijn moeder vroeger. Op een gegeven dag liep Han voor ons huis met een grote stier aan een touw te wandelen, stond af en toe onverwachts even stil, mompelende wat en slofte dan weer wat verder, met de stier achter zich aan. Het ging allemaal goed maar wij als jongens vonden het wel vreemd en spannend. Maar Han ze niet allemaal op een rijtje, en dat was natuurlijk erg genoeg, maar wij jochies vonden hem een enge rare man, en bleven het liefst uit zijn buurt. Toen wij pas aan de sluis kwamen wonen had ik van vader een cavia gekregen. Ik liet het diertje op een dag op het wegje los lopen richting de ongeveer honderd meter verderop gelegen boerderij van Gooiert, tot plots Gooiert zijn hond onverwachts van hun erf kwam aanrennen en mijn cavia dood beet. De dood kende ik nog niet, ik was verbaasd, mijn cavia bewoog niet meer, maar lag vreemd stil op de klinkerweg. Dikke tranen heb ik gehuild om mijn cavia. Als in het voorjaar de lange rode mannelijke bloemslierten van de hoge populieren die langs langs het wegje stonden naar beneden vielen, en een soort rode deken vormden op wegklinkers en bermen, konden wij als jochies met vaders bezem paadjes vegen in de deken van populierenpluimen en maakten wij hierin een soort doolhof, om vervolgens tikkertje te spelen. De door ons met de bezem gemaakte paadjes bleven vaak dagenlang op het wegje aanwezig. De landelijke rust werd alleen verstoord door de sirene van de sluis, die ging als de schepen werden geschut. Maar na verloop van tijd hoorde je dat geluid niet meer, behalve als iemand, of familieleden wel eens zeiden ‘He wat is dat voor een geluid’, dan drong het weer even tot je door. In het kleine huisje, half verscholen achter de bijna altijd ruisende hoge populieren en tussen hoogstamfruitbomen had vroeger Reindert van Buren gewoond. Als ik het goed heb onthouden heeft hij na zijn overlijden alles aan de Nederlandse Hervormde kerk geschonken. Vader kon, zo vertelde moeder later op de Hoogstraat in Wijk niet zo zijn draai vinden. Hij had meer ruimte nodig, en wij verhuisden, zoals mijn oudere broer Henk vertelde, met paard en wagen van de Hoogstraat 95 naar Sluis Zuid 2. Ik was toen vijf jaar en zou op 21 augustus 1958 zes jaar worden. Samen met mijn oudere broers Wout en Henk zwierven wij in de jaren daarna achter, en naast ons huis gelegen boomgaarden en weilanden en Bosscherwaarden. Wij gingen in de zomer vaak met vaders schep en spade, slepend achter ons aan, naar de Lekoever om daar zandkastelen en lange pieren te bouwen van stenen en oeverzand. In later jaren deed ik dat met mijn jongere broers Johan en Jan. Een nieuwe wereld voor ons jongens ging open. Wat een ruimte ! In het begin bleven wij op moeder dringend bevel dicht bij huis. Waren wij in haar ogen te lang weg, dan riep zij vanuit de buitendeuropening een hoog en hard ‘ppiiieeewiieet’, wat voor ons een signaal was om thuis te komen, of om hard terug te roepen dat alles goed ging. Tjonge jonge hoe vaak zijn niet onze laarzen vol water gelopen, en zijn wij zeiknat thuis gekomen, van over met water gevulde greppels en slootjes te springen wat natuurlijk niet altijd goed ging. In later jaren kwamen wij regelmatig struinend langs heldere sloten en knotwilgen bij de in onze jongensogen grote toch wat geheimzinnige waterplas. Hij lag daar zo vreemd stil omgeven door bomen en struiken, zomaar in de weilanden en bij de in onze jongensogen hoge winterdijk. Wat verderop lag half verscholen in het fruitbomengroen de grote boerderij van Klaas van Dijk, waar wij, mijn oudere broer Henk en ik, zondagsmorgens in het oude van binnen witgeel verkleurde bakhuis op Zondagschool zaten. Een paar jaar in de zomermaanden, ongeveer een uur lang per zondag kregen wij onderwijs in Gods woord, door o.a. Dick van Beusekom. Mooi waren de verhalen die verteld werden, en iel klonken onze kinderstemmen bij het zingen van de versjes in het oude bakhuisje. Het was maar een klein groepje kinderen, een stuk of tien. Klaas van Dijk had toen nog een grote fokstier die met een ring door zijn neus buiten, wat verder weg van het bakhuisje aan een ketting stond. Hij gromde soms, schudde af en toe zijn geweldige langharige nek waardoor de ijzeren ketting rammelde, en schraapte met zijn voorpoot door het grind. Bang was ik voor het kolossale dier met zijn diepdonkere ogen zijn hoge gebogen rug. Ik scheet bijna in mijn broek en durfde echt niet dicht bij hem te komen, en was altijd bang dat hij los zou breken.Maar om op de dijk terug te komen, ja die was vroeger daar doorgebroken zeiden toentertijd mijn ouders. Wij als jochies zijnde konden ons eigenlijk niet voorstellen dat die grote dikke hoge winterdijk zomaar kon doorbreken. Zeker in de warme zomermaanden niet als de Lek zo vredig voortkabbelde. Maar wat wisten wij eigenlijk van de wereld, niet veel toch. Hoe hoog heeft het rivierwater in de jaren daarna en in vroeger dagen wel gestaan, zoals in januari 1995 toen vele duizenden mensen uit o.a. de Betuwe moesten evacueren, omdat er dijkdoorbraken dreigden. Mijn zus Bea en mijn goede zwager Bart, die in Zoelmond wonen moesten tijdelijk er anders verblijven. Kabbelend, klotsend, knagend aan de dijken stond er een enorm grijsgrauw watermonster van dijk tot dijk, tot bijna aan de bovenkant van de dijken. Een angstig beeld dat je hart doet krimpen en huiveren. Het is toch een zorgelijk beeld om dat te zien als bewoner van het rivierengebied, gaat het wel goed ? Als de dijk het maar houdt, ging er door menig mensenhoofd. Als je bij zo’n hoge waterstand op een winderige dijk staat, de enorme snel stromende watermassa aanschouwende is er weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat ergens de dijk zal bezwijken door de druk van het water, zeker als na langere tijd van hoge waterstand de dijken verzadigd raken van het rivierwater.Altijd heeft deze stille plas mij wat gedaan. Ik kon het niet laten in de loop der jaren vanaf 1977, toen ik mijn eerste fototoestel een Pentax KX voor bijna 1000 gulden had gekocht, er toch maar weer een foto van te maken. Hoe ik aan die 1000 gulden kwam ? In 1972 en 1973 ben ik in militaire dienst bij de Genie in Vught duiker geweest. In 1977 vervolgens twee weken op herhaling geweest, en toen, nog met terugwerkende kracht, een goede duizend gulden duikersgevarengeld ontvangen. Daarvan heb ik mijn allereerste fototoestel gekocht. In de zomermaanden was het gevarengeld tot 15 meter diep 25 cent per minuut, beneden de 15 meter 50 cent per minuut. In de wintermaanden werd dit bedrag verdubbeld. Dus beneden de 15 meter kreeg je één gulden per minuut. Het diepste wat ik gedoken heb was ongeveer 26 meter, dat was in het Nieuwe meer nabij Amsterdam. Ik had natuurlijk wel een spaarbankboekje maar daar mocht ik van mijn ouders niets vanaf halen. Maar ik draai de klok terug, ver terug…nog iets verder terug, ja, stop, tot hier ! Het is 28 februari 1747, het is dinsdagmorgen, in de kille vroege ochtend. In Wijk bij Duurstede is er groot alarm. Het al reeds zakkende rivierwater van de Lek heeft de dijk bij de Poelsweerd en Wijkerweerd verzwakt. En plots zakt de dijk weg, eerst tergend langzaam maar dan plots kolkend en bulderend over een afstand van een goede 50 meter. Er is geen houden meer aan Het water kolkt het achtergelegen land in. Het is een ramp. ‘De dijk is gebroken, de dijk is gebroken’ roept men verschrikt. De schrik en angst slaat de mensen in het achtergelegen land om het hart. Klokken verspreiden hun sombere onheilspellende slagen over het nog stille land. Zo snel mogelijk worden waardevolle spullen, paarden, koeien en overig vee indien nog mogelijk in veiligheid gebracht. Men vlucht naar het hoger gelegen land van de heuvelrug en naar de stad Utrecht. Het water stroomt de daarop volgende dagen tot aan Utrecht. Gelukkig zakt het water na enige dagen weg van het ondergelopen land, o.a. afgevoerd door de Vecht richting de Zuiderzee. Het water in de uiterwaarden was inmiddels gelukkig ook weer gezakt en ongeveer eind maart was de toestand bijna weer als van ouds. De dijk werd zo snel mogelijk hersteld om de ongeveer honderd meter brede dijkdoorbraak. De diepte van de dijkdoorbraak is volgens een landkaart uit ongeveer 1910, 9.50 meter, met een slik of blubberlaag van 60 cm.Maar ……er is nog een ander verhaal, luister maar eens, ik ben het nooit vergeten. Ik was een jochie van een jaar acht of tien, dus omstreeks 1960 of 1962, toen ik met vader op een warme zomerse zondagavond voor onze huis boven op de dijk, bij de middelste sluistoren, in het gras zat. Vader was met een aan de overzijde van de sluizen wonende sluiswachter in gesprek. Zijn naam was Booy of Booi dat weet ik niet meer precies. Ik was wat aan het spelen, en als zo vaak toen op een grasspriet aan het kauwen, toen ik vader het volgende verhaal aan de sluiswachter hoorde vertellen. Vol aandacht van hetgeen hij zei ging ik dichter bij hem zitten. ‘Ja’, zo vervolgde vader zijn verhaal, ‘Ik heb wel is horen vertellen, daar waar de put aan de dijk is, ja daar bij de boerderij van Klaas van Dijk’ over zijn schouder kijkend richting de Bosscherwaarden. ‘Dat daar jaren geleden voor de dijk doorbrak er een naar slechte boer woonde, die bar veel dronk en vloekte, en te keer ging tegen Jan en alleman, maar ook bar slecht voor zijn dieren was, ja dat heb ik wel us hore zegge’ zei vader. De sluiswachter en ik luisterden aandachtig. ‘Maar God laat niet met zich spotten, de mens kan niet alles zomaar doen wat hij wil, vloeken kan niet ongestraft blijven’ zei vader op zachtere en eerbiedige toon. En je moet goed zorgen voor je beesten, als je dieren heb zorg je er voor’ Op een kwaaie nacht is de dijk doorgebroken, de boerderij, de boer en al zu’n vee spoelden weg en zijn verzopen’. ‘De put moet naar diep zijn, ze zegge wel us dat er geen bodum in zit’ zie vader zacht. ‘Of dat waar is weet ik natuurlijk niet, maar je weet maat nooit he, maar dat is wat ik ooit us heb hore vertelle’. besloot vader zijn verhaal. Zou het waar zijn dacht ik ? Ik ben het verhaal nooit vergeten. Ook moeder vertelde in de jaren daarna hetzelfde verhaal. Vader was uitverteld, de dag liep ten einde. De volgende dag moest iedereen weer vroeg zijn bed uit, en ging vader werken en wij kinderen naar school. Koeien die in de weide liepen aan de overzijde van de sluiskolk, tussen de sluizen en de sluiswachterswoningen loeiden de dag ten einde. ‘Kom jochie’ zei vader tegen mij, ‘wij gaan naar huis, je moeder zal wel denken waar blijven ze, je bent toch al zo’n zwerver’ Samen liepen wij de dijk af, via het met soms losse schots en scheef liggende stenen trapje, naar ons achter de hoge populieren aan de voet van de dijk gelegen huisje. Zelfs de bijna altijd ritselende populierenbladeren waren stil, en schemering kondigde de komende nacht aan. Een steenuiltje riep klaaglijk ‘wwiiieew’ vanuit onze boomgaard. Die avond in mijn bed op zolder, waar ik met mijn drie broers sliep, heb ik nog lang nagedacht over het door vader vertelde verhaal. En ik dacht als ik later groot ben ga ik eens bij de dijkdoorbraak kijken of ik nog iets te vinden is van de verdwenen boerderij. Ach in later jaren, als jonge jongen heb ik natuurlijk nog gezocht naar dingen van de verdwenen boerderij, zoals oude halfvergane balken en planken of boerengereedschap maar natuurlijk nooit iets gevonden, het was ook al zo lang geleden. Mijn oudere broer Henk wilde graag een keertje gaan vissen in de plas. Het was verboden, maar zo te zien krioelde het van de vissen en aan de oppervlakte zwemmende kleine visjes. Hij kon toch de verleiding niet weerstaan. Broer Henk nam de oude hengel uit vaders schuur en liep vol verwachting door de achter ons huis gelegen weilanden naar de dijkdoorbraak. Gelijk nadat hij zijn vishaakje met oud brood of een pier in het water had gegooid krioelde het om zijn dobber. Hup daar trilde de dobber en verdween onder water. Vol spanning en verwachting haalde Henk zijn gevangen vis omhoog. Maar zo gauw hij de vis boven water probeerde te halen viel deze weer spetterend terug in de plas. Na een paar pogingen kwam hij als jongen erachter dat zijn haakje toch niet helemaal goed was. Een beetje teleurgesteld niets te hebben gevangen, maar wel een spannende middag te hebben gehad liep hij met zijn hengel over zijn schouder door de weilanden terug naar ons ouderlijk huis. Ja de ‘put’ noemden wij als jongens deze met een klein dijkje omgeven en met bomen en struiken omgroeide plas. Toen zo omstreeks 1965 woonde in het bij de plas gelegen boerderijtje, landbouwer ‘van de Brink’ als ik mij niet vergis. In 1978 was het huisje nog aangesloten op laagspanning en stonden de lange houten palen met wit glimmend porseleinen ‘potjes’ en lang doorgebogen stroomdraden in de weilanden. Later is dokter Honing er komen wonen. Zijn vrouw kwam op een goede dag bij ons, bij moeder aan de deur, gekleed in een oude lange jas, met één schouder ruimschoots ondergescheten door vogelstront. Of wij Karel haar kauw hadden gezien, zij was hem kwijt. ‘En als wij Karel toevallig mochten zien of wij hem wilden vangen en even wilden komen brengen’. Maar nee wij hadden Kareltje de kauw niet gezien, en ook later die dag niet. Na enige dankbetuigingen stapte de welbespraakte maar als een zwerfster uitziende dame weer op haar oude damesfiets op zoek naar haar ontrouwe vogel. Zo omstreeks 1965 kon je nog gewoon via de weilanden naar de dijkdoorbraak lopen. Wij jongens, ik alléén of met mijn jongere broers Johan en Jan, en verspreid over diverse jaren, onze honden Snuffel, Teddie, Donar of de kleine Kobus, zwierven regelmatig in de achter ons huis gelegen boomgaarden, weilanden en uiterwaarden en Lekoever, waar wij in 1978 nog een aangespoeld lijk hadden gevonden. Het lichaam was half vergaan. Toen ik met een takje er tegenaan tikte voelde het leerachtig en keihard. De vondst heb ik aan het eind van die middag nog netjes aan de politie op de Zandweg in Wijk doorgegeven. Nooit hebben wij er iets meer van gehoord. Wel stond een paar dagen later een klein stukje in de krant dat spelende kinderen een lichaam hadden gevonden bij de Lek. Maar terug naar de dijkdoorbraak, waar ik omstreeks 1974 een ringslang door hoge gras zag glijden richting het water. In het voorjaar zwommen tussen waterplanten en gele plompen, meerkoeten met hun fel roodkoppige jongen in de plas. Wel genoot ik hier van het oude land, tjonge jonge wat heb ik hier gezworven, langs oude, boven de blinkende hemelsblauwe spiegelende sloten hangende knotwilgen. De weidse met witte wolken besprenkelde weidenluchten. De stilte van het land, de geur van het pas gemaaide gras of het droge hooi, de zachte wind in de wilgen die de langwerpige bladeren deed trillen en speels wisselend, draaiend liet verkleuren van licht naar donker. De dartelende vlinders, de bloemrijke sloten, met rietpluimen en dikke pluizige bruine lisdodden, de dikke sigaren, waterviolier, munt, pijlkruid enz. De weidevogels, zoals grutto’s, tureluurs, en de wild duikelende klaaglijke kieviten die je van hun nest of jongen probeerden weg te lokken. Wat teer en wonderlijkschoon waren die jonge weidevogels, die je angstig en hulpeloos plots voor je zag in het hoge gras. Even bewonderden wij zo’n diertje, zo’n teer schepseltje, het woog bijna niets in je hand, en wij zette het vervolgens weer voorzichtig terug in het hoge gras. Toen waren er nog leeuweriken die je liggend in het gras, of staand met hun trillende zang tot in de hoge lucht probeerde te volgen, tot je pijn in je nek kreeg van het omhoog turen, wonderlijk verdwijnend in de trillende hemellucht. Hoe vaak heb ik ze niet proberen te volgen in het hemelblauw tot je ogen zeer gingen doen van het felle licht en turen. Ik heb als jongen vol verbazing gelegen tussen het riet en oeverplanten en in het heldere slootwater gekeken naar de waterkevertjes, salamanders, wantsen, rode watermijten, de glinsterende kleine stekelbaarsjes en natuurlijk de watervlooien waarvoor ik altijd al een zwak heb gehad. Wonderlijk die kleine diertjes die altijd ogenschijnlijk nooit zonder rust met hun lange tentakeltjes zwemmen en vervolgens langzaam weer iets in het slootwater naar beneden zakken. Wat was het niet spannend als je heel af en toe verscholen tussen de waterplanten de onbeweeglijke snoek zag staan, wachtend met zijn grote bek op zijn voorbijkomende prooi, om vervolgens wonderlijk snel toe te happen. Dan waren er nog de wat enge dikke, grote en kleinere sierlijk golvend zwemmende kronkelende bloedzuigers. Soms als wij, als jochies zijnde tijdens warme zomerdagen onze voeten en benen in het slootwater wilden afkoelen, zat zo’n kleine bloedzuiger vast aan je been of voet. Nou die waren er niet altijd makkelijk van af te krijgen, en altijd bloedde het wondje wat na, als je de bloedzuiger met je nagels eraf had gekrabd. Omstreeks 1964 heb in met het AGFA fototoestelletje van mijn zus Bea hier nog een foto gemaakt. Het is een vaag fotootje, maar ach ik ben er blij mee. Een stukje van vroeger heb ik dan nog. Kijk, ja daar waar verderop staan de fruitbomen en walnotenbomen aan de rand van de boomgaard van Tollen van Dijk, en links een rij knotwilgen langs de heldere sloot. Eenden broeden in de holle knotwilgen. Soms schrokken wij wel eens, als tijdens het struinen langs een knotwilgenrij plotseling een broedende eend van zijn nest opvloog. Een grote verroeste ijzeren drinkbak voor de in het weiland lopende koeien stond hier in de buurt van het houten hek. En de naast deze bak staand vaak een nog erger verroeste handwaterpomp. Bijna iedere dag werd door de boer, of één van zijn zonen of meiden de bakken volgepompt, want met warm weer dronken de koeien nogal wat. Die oude pompen piepten vaak droog en klaaglijk bij iedere pompbeweging, en vaak kon je toen een landbouwer uit de verte horen pompen, als het piepgeluid over het stille land zweefde. Als wij in de weilanden struinden en dorst kregen dronken wij regelmatig van het koele water uit deze pompen door met je ene hand een kommetje te maken en daaruit te slurpen, Het pompwater smaakte wat anders dan leidingwater, er zat een soort grondsmaak aan, maar het was heel goed te drinken. En dat pompwater waren dat wij als jongens wel gewend. Want toen wij in 1958 bij Sluis Zuid 2 kwamen wonen was er nog geen waterleiding, maar in de keuken stond boven een lage gemetselde wasbak een waterhandpomp. Als ik mijn ogen dicht doe, hoor ik nog het zacht knerpende geluid van de pomp waarvan ik dan soms ‘s morgens wakker werd, als vader of moeder in de vroege ochtenduren water nodig hadden, voor zichzelf, voor ons of de dieren. Van de Hoogstraat komende, waar wel waterleiding was, was het pompgeluid voor mij een nieuw geluid in de vroege stille ochtend. Ik weet het nog dat zo omstreeks 1962 er bij ons aan de sluis waterleiding werd aangelegd, vanaf de steenovenarbeiderswoningen gelegen aan de Lekdijk-West door de achter ons huis gelegen boomgaard heen, vlak langs de heining, van nu het weiland van Herman van Rijn naar mijn ouders huis. Vader verplaatste de pomp vanuit huis naar de tuin. Na moeders verhuizing in mei 2006 van de Sluis naar de Singel 27 in Wijk heb ik de pomp met behulp van neef Wim Boon afgezaagd, en hij staat nu op een mooi plekje in onze achtertuin in Almere. Heel af en toe dronken wij uit een heldere sloot, als er geen pomp in de omgeving was, of wij als jongens, na een middag zwerven en struinen niet altijd zin hadden om een stuk om te lopen, en over sloten te springen, naar de wat verderop staande weidepomp. Het slootwater in je holle hand opscheppend en opslurpend ging heel goed. Wij waren bijna nooit ziek. Jammer genoeg heb ik geen foto van zo’n oude drinkensbak met pomp. En ja die mooie oude dikke knotwilgen, prachtig vond ze, en nu nog steeds, al zijn er jammer genoeg veel verdwenen. O ja, nu schiet het mij te binnen dat wij zo omstreeks 1963 hier vlak bij de dijkdoorbraak staande knotwilgen, samen met toen mijn vrienden Toon en Hugo van Rijn voor hun moeder een zinken emmer hadden gevuld met onder in de holle knotwilgen vergaande bladeren, die in de loop der jaren goede voedingsrijke potgrond was geworden. Bijna alle knotwilgen en vogelrijke weilanden hier bij de oude dijkdoorbraak zijn verdwenen en laagstamboomgaarden bepalen hier nu het landschap. Ja veel is jammer genoeg verdwenen, maar in mijn hart draag ik de mooie herinneringen met mij mee. En regelmatig kom ik hier terug, om hier en in de Bosscherwaarden en omgeving, al sinds ongeveer 1958 te zwerven. m.v.g. Gerrit Marchal.

Beste mensen, op Facebook staan een aantal hier geplaatste verhalen maar dan met vele bij het verhaal aansluitende foto’s. Zie onder: Lenie Gerrit Marchal. Veel lees- en kijkplezier. m.v.g. Gerrit Marchal.

Testbericht nummer 7

In 1982, toen ik nog in Wijk woonde, kwam ik zo heel af en toe bij schoenmaker Jan de Jongh. Toch wel een beetje een bijzondere man maar wel een vriendelijke man. Als je de in de Peperstraat in Wijk bij Duurstede gelegen winkel binnenstapte, rinkelde ergens een belletje, om te verkondigen dat er een klant was. Soms moest je even wachten voor er iemand kwam. Een enkele maal zag ik, zelf uit het felle zonlicht komende en met aan het duister wennende ogen een vrouw zacht hoofdknikkend achterin de winkel of gang even als een schim voorbij gaan en weer verdwijnen achter een donker geelbruine deur. Maar vervolgens verscheen even later Jan. De zwijgende vrouw die ik nooit gesproken heb was een zuster van Jan dacht ik. Maar meestal was als je binnen kwam Jan aan het werk in zijn winkel wat ook tevens zijn werkplaats was waar hij allerlei schoeisel repareerde en verkocht. Door het glas in loodraam, boven de etalageruit met gordijntjes stroomde zacht kleurenlicht de winkel in. Maar voor de rest was het zeker wat naar achteren in de werkplaats toch minder goed verlicht. De aan het plafond hangende gloeilamp gevangen in een ooit wit geweest vettig kapje verspreide schaars licht en wierp schaduwen op de opgestapelde schoenendozen en op een tafel liggende, in mijn ogen totaal onoverzichtelijke schoenenstapel en gereedschap. Een voor Jan zijn winkel modern aandoend blauw omkaderd klokje tikte zacht de tijd weg. Maar ach in deze winkel leek het alsof de tijd had stil gestaan en zijn strijd met de toekomst had verloren. In een rond in een achttal vakjes verdeeld houten bakje lagen diverse rechte en onooglijk krom gebogen spijkertjes en andere troep. Toen ik binnenkwam mompelde Jan wat terwijl hij wijdbeens voorovergebogen zat met zijn aandacht vol bij zijn werkzaamheden. Ik bleef maar rustig staan en wachten. Jan bleef gewoon onverstoord doorwerken. ‘Ja ja’ zeggend en mompelend en mopperen tegen zichzelf en zijn onderhanden hebbende schoen. Tegen de achterwand stond in mijn ogen een museumstuk dat diende als schuur- en poetsmachine. Maar ogenschijnlijk werkte alles nog want een van de schijven draaide er lustig maar nutteloos op los. Nee, soms even tussendoor hield Jan zijn te repareren schoen tegen de draaiende schijf bekeek hem al draaiend en ging verder. Regelmatig tijdens zijn werkzaamheden spreidde hij zijn benen wat verder uit elkaar, en liet tot mijn verbazing een klodder spuug, oppassend niet op zijn werkjas te spugen voor hem tussen zijn benen op de houten vloer vallen. Maar Jan was aan het mopperen zonder mij aan te kijken. ‘Verrotte plastic, rotzooi…., vroeger maakte ze alles van ‘leer’ jochie, waarmee hij echt leder bedoelde ‘maar tegenwoordig is veul gemaakt van dat verrotte plastic, rommel is ut, ik kan er bijna niks mee’. Na enige minuten was hij gereed en bekeek aandachtig zijn net volbrachte reparatie. Met een aantal dagen niet geschoren stoppelbaard en ingevallen mond keek hij mij aan. ‘He eentje van Marchal, ja toch’ ? Wat ik beaamde. ‘Ja ik ben er een van Wout van de sluis’. Tanden kon ik tijdens het gesprek niet ontdekken, mochten zij er zijn dan waren het er weinig of door het slechte licht kon ik ze niet zien. ‘Hoe is het aan de sluis en hoe gaat ut met je moeder gaat alles goed’ ? vroeg Jan met zijn gecombineerde vraag, de bovenkant van zijn linkerhand langs zijn vochtig glimmende neus halend, en vervolgens op bovenbeenhoogte aan zijn gevlekte jas afvegend. Ik bracht Jan weer op de hoogte van de dingen die hij wilde weten. Intussen was hij naar voren gelopen in zijn winkel en wierp bij het etalageraam een blik op de tas die ik ter reparatie had meegenomen. Toen iemand in de Peperstraat zijn winkel voorbij liep keek hij even op over zijn laag hangende gordijntjes door de etalageruit de straat in, ‘Kek, daar loop nog een stuk nicht van je, als ik ut goed heb’. En inderdaad liep Ger de dochter van vaders broer ome Hamp en tante Bets in de winkelstraat van Wijk. Intussen was Hannes, Jan zijn broer zachtjes op zijn pantoffels die winkel in komen lopen. Ik draaide mij naar Hannes om en hij keek mij flink loensend, vriendelijk en glimlachend aan, al kauwend op zijn pruimtabak en mompelde wat in zichzelf. Waarschijnlijk had hij al een gedeelte van ons gesprek gevolgd. ‘Ja, hier Hannes het nog us een boomgaard met appels naast je ouders gepacht, is ut niet Hannes’ ? zei Jan zijn zwijgende broer aankijkend. ‘Was die boomgaard niet van de Jodin of van Toon van Bemmel’ ? ik zou ut verrek niet meer weten’ stelde Jan zichzelf de vraag,. Hannes trok zijn glimlach nog breder dan dat deze al was knikte mompelend bevestigend en zei tweemaal ‘Ja ja’, draaide zijn hoofd schuin van mij weg en spoog door een spleet tussen zijn verkleurde tanden een geelbruine pruimtabaksapstraal in een donkere hoek op de houten vloer van de werkplaats. Hannes zijn bijnaam was ‘De Kapaje’. Ach, iedereen in Wijk had vroeger wel een bijnaam. Maar waar Hannes zijn bijnaam vandaan kwam, ik weet het niet. Ik heb een stuk of honderd bijnamen verzameld in de loop der jaren. Jan, de schoenmaker werkte nooit met bonnetjes of iets dergelijks. Je leverde je te repareren schoenen gewoon in, die Jan dan ergens neerzette en zei bijvoorbeeld, kom ze vrijdag maar weer ophalen. Kwam je dan, dan verbaasde het mij tot op de dag van vandaag, dat hij jou gerepareerde schoenen na enig hoofdgedraai en gemompel tussen zijn opgestapelde schoenen en andere spullen in zijn werkplaats terug kon vinden. Maar Jan en Hannes zijn er niet meer. Bijzondere mensen waren het maar met een goede inborst. Mooie kleurrijke figuren. En ik ben blij dat ik toen in 1982 een paar foto’s van hem mochten maken. Hans Korstanje, die in de Muntstraat woonde en waarmee ik vanaf 1972, als eerste leerlingen bij Wijnand van de Broek in Wijk bij Duurstede een aantal jaren samen op karate heb gezeten, had in 1991 dacht ik, achter in zijn tuin een muur van een schuurtje gesloopt, toen hij plotseling twee oude foto’s vond van de ouders van Jan en Hannes de Jongh met hun kinderen. Hans zijn achtertuinmuur sloot aan op de achtertuin van Jan en Hannes de Jongh. Ik mocht de foto’s van Hans meenemen, hij deed er toch niets mee en wist dat ik gek was op foto’s en oude kiekjes. Ik bewaar de twee foto’s zuinig.

Henk Westerbeek, Wanneer was het dat wij als schoolkinderen moesten leren omgaan met geld ? Nou ja omgaan met geld, ik bedoel eigenlijk om te leren wat de waarde van geld was, een cent, een stuiver, dubbeltje, kwartje, gulden, rijksdaalder enz. Natuurlijk via je ouders kwam je ook het een ander te weten, dat je zuinig op je geld moest zijn, en sparen erg belangrijk was. Een gulden kon je tenslotte maar een keer uitgeven, er moest hard voor het geld worden gewerkt. En dat klopt natuur als een zwerende vinger, mijn ouders hadden daar helemaal gelijk in. Vader werkte bij wijze van spreken dag en nacht, en nu ik zelf ouder ben neem ik postuum nog mijn pet voor hem af, en bewonder zijn werklust en zorg voor zijn gezin. Trouwens moeder maakte eveneens lange dagen, en bijna iedere doordeweekse avond was zij druk met bv sokken te stoppen en de kapotte kleding van haar jongens te herstellen aan de tafel onder de kamerlamp. Maar op school ging het wat omgaan met het geld betreft toch anders, ik dacht in de vijfde of zesde klas van mijn lagere school, dus zo omstreeks 1962, kreeg je van de meester uitleg over geld. Als ik mij vergis dan hoor ik het wel van jullie. In mijn geval was mijn lagere school, de in de Mazijk en Volderstraat gelegen ‘School met de Bijbel’ in Wijk bij Duurstede. Van mijn lievelingsschoolmeester Jan van Dijk kregen wij op een goede dag als schoolkinderen allemaal kartonnen geld uitgedeeld. Ja echt waar, kartonnen dubbeltjes en kartonnen kwartjes, kartonnen guldens enz. De kartonnen muntstukjes leken net echt, zij glommen metaalachtig, maar wogen lichter dan het echte geld. Of ik een snelle leerling weet ik eigenlijk niet meer. Mijn schoolrapporten, ik heb ze nog ergens, nam ik soms met een kloppend hart mee naar huis, maar gelukkig ben ik alle jaren gewoon overgegaan, al was ik dan geen ‘wonderlicht’ op school. Maar om op het kartonnen geld terug te komen dacht ik met mijn toen al lichtbedorven kinderbrein, ‘hee… misschien kan ik met zo’n kartonnen duppie ( Wijks voor dubbeltje ) iets bij Henk Westerbeek in zijn winkeltje kopen. Heel af en toe kocht ik van mijn weinige zakgeld voor een dubbeltje een zakje zwart / wit poeder, en strooide dit uit in een van de voorste hoekjes van het kastje van mijn schoolbankje, in de buurt van het inktpotje. Als de meester even niet keek maakte ik snel mijn rechtervingertop nat en drukte die in het kasthoekje bij het uitgestrooide zwart / wit poeder en likte deze vingertop af met mijn tong, die verraderlijk genoeg binnen de kortste keren een ranzig bruine kleur kreeg. Als je betrapt werd en van de schoolmeester en ter controle je tong moest uitsteken was je de klos. Regelmatig moest je deze likvinger even extra schoonlikken omdat hij wat licht bruingrijs verkleurde door de poeder, en vooral onder je nagel ging het vochtige poeder zitten in de vorm van een goor bruin randje. Nu ik er over nadenk, zal dat een lekker vies hoekje zijn geweest, daar in mijn schoolbankkastje. En er waren natuurlijk ook andere kinderen die op deze manier van hun eigen zwart / wit voorraad likten. Als je echt veel had gelijkt werd je soms wat licht in je hoofd, maar van hoge bloeddruk hadden wij als jochies nog nooit gehoord, ja misschien bij heel oude mensen van veertig jaar en nog ouder. Maar ach wij werden er niet ziek van. In de schoolpauze, was ik snel via het ‘tollestraatje’ Langs de Wal, met een onschuldig smoelwerk, maar een jongenshart vol spanning en samengeknepen billetjes, met mijn kartonnen duppie zo omstreeks 1962 bij Henk Westerbeek, met de bijnaam ‘De nachbakker’ zijn winkel binnen gestapt. Het winkeltje lag in de Volderstraat schuin tegenover de hoofdingang van mijn school. Een belletje rinkelde schel en deed mijn oplichtershart nog sneller kloppen. Het liefst was ik weer zo snel mogelijk naar buiten gehold, maar Henk verscheen al uit de gangdeur, en boog even later vanachter zijn volgestapelde toonbank en met zijn hoofd tussen de rijen aan het plafond hangende lichtbruine papierenpuntzakken naar mij toe, mij bekijkend door zijn vettige brillenglaasjes. ‘Of ik wat wilde kopen van hem’ was zijn vraag. Ik scheet van spanning bijna in mijn broek. Schuchter gaf ik hem mijn kartonnen duppie, en vroeg een zwart / witpoederzakje. Henk keek mij argwanend aan en draaide het door mij aan hem gegeven kartonnen dubbeltje om en om, en liet het even in zijn hand opspringen. Gevaarlijk, nog verder over zijn toonbank naar mij gebogen keek hij mij nu wat vuiler aan. ‘Maar die in niet ech jochie, hij is van karton, hoe kom jij er aan’ ? vroeg hij met zijn schelle hoge speeksel spetterende stem. Met angst in mijn stem vertelde ik Henk dat het dubbie van school was om te leren omgaan met geld. ‘Nou ik zal wel even naar je meester gaan’ zei hij met een mond vol stompies en rotte tanden. De speekselspetters kwamen mij tegemoet. Ik vond dat toen als jochie zijnde heel vies, en je ogen werden gewoon naar die rotte tanden, die ‘okkies’ zo noemden wij jongens dat getrokken, ik kon er niets aan doen, zulke tanden als bij Henk had ik nog nooit gezien. Vurig keek hij mij door zijn bevlekte brillenglazen aan. Het dubbeltje kreeg ik wel van hem terug, en ik haastte mij met bonkend hart zijn winkel uit. Ja ik zat die dagen daarna echt in de piepzak. Gelukkig heeft hij nooit met mijn meester hierover gesproken. maar ik had mijn les wel geleerd. Dit was mijn eerste contact met Henk Westerbeek. Zo omstreeks 1965, ik was 13 jaar, kreeg ik van moeder de opdracht om bij Henk Westerbeek wat boodschappen halen. Wij thuis hadden als kinderen een aantal werkzaamheden, om beurten bv, alle schoenen poetsen, de grindpaden om huis harken, zaterdags voor twee dagen voor acht personen aardappels en appels schillen enz. Niet dat wij als jongens daar altijd zin in hadden, nee wij gingen liever spelen, maar je moest het gewoon doen, en eigenlijk zijn wij er echt niet slechter van geworden, integendeel, je leerde wat te doen voor de kost. Maar een van de werkjes was boodschappen doen. Hup boodschappentas aan de linkerzijde van mijn fietsstuur, want snelbinders had ik niet, en in dit geval op weg naar de winkel van Henk Westerbeek. Trouwens jarenlang, tot omstreeks mijn veertigste, heb ik met mijn linkerbeen wat meer naar buiten gefietst, aangewend door de soms zware dikke boodschappentas die aan de linkerzijde aan mijn fietsstuur hing. Ik heb om met mijn linkerbeen gewoon weer recht naar voren te fietsen dit bewust weer aan moeten leren. Moeder vond het sneu voor Henk en zijn oude moeder, dat er zo weinig mensen bij hem in de winkel kwamen. Eveneens als vroeger toen ik met mijn kartonnen duppie wat bij hem probeerde te kopen, rinkelde het schelle belletje bij het naar binnen stappen in zijn winkeltje. Het belgeluid ebde weg, opgevangen door de vele stapels troep, papieren en kranten die op de toonbank lagen, en de honderden lichtbruine papieren puntzakjes die broederlijk strak tegen elkaar gebonden, verbonden door een dik vliegertouw aan het plafond waren vastgeknoopt. Op de vele prijskaartjes was de verkoopprijs vaak meerdere malen aangepast. Terwijl in zijn winkel aan het bewonderen was verscheen Henk uit een deur aan de rechterzijde achter in zijn winkel. ‘Zo meshal, hoe gaat ut ermee ? Gaat allus nog goed daar bij jullie an de sluize ? vroeg hij met zijn schelle stem. Voor ik kon antwoorden verscheen Henk zijn geheel in zwart geklede moeder, die mij vriendelijk gedag zei, en weer verdween, en waarschijnlijk even kwam kijken naar het uitzonderlijk geval dat er een klant in de winkel van haar zoon was. Ik had van mijn moeder een boodschappenbriefje gekregen, die ik begon die voor te lezen. Maar ik had nog geen twee artikelen opgenoemd toen Henk diep over de volgestapelde toonbank naar mij toe boog en zei ‘geef mij dat brieffie maar effe, jochie’. Hij zette zijn bril weer op, en krapte op zijn, in het midden bijna kaal vet glimmend hoofd, een soort zureregenkapsel. Vervolgens viel er een stilte, onderbroken door gemompel van Henk, en potloodgekras op moeders boodschappenbriefje. Ik bleef maar wachten, maar mij bekroop het gevoel toch iets te hebben gedaan wat ik beter niet had kunnen doen. Henk was met een potlood druk aan het krassen en schrijven op moeders boodschappenbriefje. Vervolgens vroeg hij mij de boodschappentas en deed naar ik verwachte de door moeder gevraagde boodschappen in. Maar tot mijn verbazing deed hij er meer in dan dat ik mij kon herinneren van hetgeen moeder op haar briefje had gezet. Henk zag waarschijnlijk mijn wat verbaasde blik in mijn ogen. ‘Ja jochie ik heb wat veranderd, dan kom je moeder voorlopig niet tekort, ik uh…. handel graag, da wit je wel’ was zijn oplossend maar in mijn ogen vreemd antwoord. Toen ik thuis bij moeder kwam met de volgeladen tas, was moeder verbaasd en een tikje boos. ; Je had je briefje ook niet af moeten geven’. Maar moeders boosheid zakte vrij snel weg en veranderde even later in een glimlach, en kreeg ik een aai over mijn bol. Een aantal weken later moest ik weer boodschappen bij Henk doen. Vol zelfvertrouwen bleef ik in de winkel met mijn rug bijna tegen de muur, tegenover de toonbank staan de dingen van moeders briefje oplezend. Henk probeerde evenals de vorige keer het briefje uit mijn handen te frutselen. Maar ik hield het stevig vast, en vertelde Henk moeders opdracht het briefje niet aan hem af te geven. Mompelend deed Henk de gevraagde boodschappen in de tas, en stapte ik even later trots met een overwinningsgevoel weer op mijn fiets op weg naar de sluis, naar moeder. Poe poe, het was wel even trappen, met de volle boodschappentas aan mijn stuur tegen de lange hucht van de Middelweg, iets voorbij ‘De Galg’ naar boven op de dijk van de sluis. In de daarop volgende jaren deed ik voor moeder af en toe nog boodschappen bij Henk. Ik was ongeveer 15 jaar toen ik weer in zijn winkel was en hij aan mij vroeg, ‘Jij leer toch voor meubelmaker of zoiets is nie’? Op de LTS in Culemborg of Kuilenburg zoals wij zeiden leerde ik voor meubelmaker en timmeren en later machinale houtbewerking. Uiteindelijk ben ik vanaf 1969, na een bedrijfsopleiding en diverse cursussen te hebben gevolgd, tot mijn pensioen in 2018 landkaarten gaan maken. Maar nog altijd heb ik profijt gehad van mijn meubelmaker en timmeropleiding. Maar bij Henk in de gang, achterin de winkel werkte een slot niet goed in een van zijn deuren, en vroeg hij aan mij of ik dat voor hem kon maken. Enkele dagen later heb ik met hamer en twee houtbeitels en wat ander gereedschap het probleem kunnen verhelpen, wat overigens niet meeviel in de half verlichte gang. In de kamer van de deur met het kapotte slot waren de gordijnen dicht getrokken en drong een vaag licht de kamer in. Er lagen er hoge stapels kranten, tijdschriften en andere papier en wat andere spullen, dat kon ik nog wel zien. Ik durfde niet tussen de tijdschriften te kijken maar was wel heel nieuwsgierig, omdat ik een echte boekenworm was en nog steeds ben. In een van de kamers mocht ik uitdrukkelijk niet komen en kijken. Vreemd vond ik dat, in mijn fantasie en jongensbrein dacht ik gelijk dat hij daar stapels vieze boekjes zou hebben liggen, wie weet. Maar nee hoor daar in die kamer mocht ik beslist niet naar binnen zei Henk uitdrukkelijk. Het kapotte slot werkte weer, en Henk was blij. Of ik iets van een vergoeding heb gekregen weet ik niet meer, maar wel een vriendelijk dank je wel. Even later stond ik lopend door zijn bijzondere volgepakte winkeltje weer buiten in de Volderstraat, toch met een beetje trots gevoel dat de klus mij was gelukt. Maar in later jaren ging ik nadenken over dat winkeltje van Henk. Wat zou het jammer zijn als Henk zou overlijden en alles zomaar voor eeuwig zou verdwenen. Zo omstreeks 1982 kwam ik Henk weer eens tegen, hij stond op de oude ijzeren brug naar het schutten van de sluizen, en scheepvaart te kijken. Ik had enkele jaren geleden nog een foto van Henk zijn winkel in de Volderstraat gemaakt, dan had ik tenminste nog iets van hem. Maar hoe moest ik het aanpakken om in zijn winkel foto’s te mogen maken. Henk was toch wel een beetje eigenaardig en schuchter mannetje. Ik sprak hem aan op de brug, en liet hem weten dat ik een mooie foto van zijn winkel had gemaakt. Nou daar wilde haar wel een afdrukje van. ‘Dan kom ik de foto’s wel brengen’ zei ik tegen hem. Een week later ging ik met mijn fototoestel en beloofde afdruk van zijn winkel, naar de winkel van Henk Westerbeek. Voor mijn gevoel, toen ik binnenkwam was hier in geen jaren iets veranderd. Zijn moeder was enkele jaren geleden overleden. Ik vertelde, om vertrouwen te winnen, dat ik vroeger nog een deurslot voor hem had gemaakt. O Ja dat wist hij nog, en was er toentertijd wel heel blij mee. Voorzichtig vroeg ik hem of ik wat foto’s van zijn winkel mocht maken. ‘Wat ga je er dan mee doen ?’ vroeg Henk argwanend. Ik liet hem weten dat ik zijn winkel, en dat was ook zo. heel mooi en bijzonder vond, en daar graag een paar foto’s van wilde maken. ‘Och jij he me vroeger goed geholpen met mun slot, maak jij maar een paar foto’s’ was zijn antwoord. Van binnen was ik verheugd. en maakte zo goed als het ging in dat kleine winkeltje wat foto’s. Henk was een roddelaar en kwaadspreker als er mensen voorbij liepen of fietsten zei hij zoiets van ‘Kek. Kek daar loop die en die, och das zo’n vies frommes’ waarmee hij een vrouw bedoelde. Voorzichtig gluurde hij over zijn met een hand naar beneden getrokken etalagegordijntje. Even later fietste er weer iemand langs, gelijk kreeg ik weer een Wijkse bijnaam en bijbehorende roddels te horen uit zijn mond vol rotte stompies. Ja volgens Henk deugden er maar weinig mensen. Zou hij de wijze woorden van Jezus vergeten zijn ‘Waarom kijkt gij naar de splinter in het oog van uw broeder, maar ziet gij de balk in uw eigen oog niet’. Maar Henk bleef roddelen, en mij bekroop het gevoel als ik later weg zou gaan er van mij misschien ook niet veel deugde, tenslotte had ik hem als jochie zijnde al willen bedriegen met een kartonnen dubbeltje. Hij bleef maar doorpraten met zijn hoge schelle stem, vol speekselspetters en half rotte tanden. Een tandarts zou zijn pensioen er mee kunnen halen, mits hij zijn maaginhoud binnen zou kunnen houden, om van Henk zijn gebit weer iets fatsoenlijks te kunnen maken. Regelmatig trok hij tijdens ons gesprek even aan zijn stropdas om deze weer in de goede positie te brengen op zijn ooit helderwit geweest overhemd. In het zakje van zijn colbert staken een paar pennen en potlood, die hij als echte winkelier altijd bij zich moest hebben. Na enkele pogingen van mij wilde Henk zelf ook wel op de foto, maar wel wat achteraf gezeten. Maar goed beter iets dan niets dacht ik. Zijn stropdas werd nogmaals met extra aandacht rechtgetrokken, en daar ging Henk op het trapje van de opkamer zitten. Klik, hij stond erop, een beetje vaag, maar ik had geen betere flits. Ook van Zijn woonkamer mocht ik een paar foto’s maken, maar voor de rest niets. Ik was allang blij met de foto’s die ik van zijn winkel mocht maken, en bewaar de ook zuinig. Een paar weken voor zijn dood heb ik Henk in De Heul in Wijk, waar hij toen woonde nog eens opgezocht. Hij was oud geworden, bleek en stil. Zijn gesloten maar ingevallen mond deed mij toch vermoeden dat er een tandarts was geweest die het had aangedurfd zijn resterende tanden en kiezen te verwijderen, petje af voor die tandarts. Ja Henk kende mij nog. Van de vriendelijke verzorgster kregen wij een kopje koffie, en maakte ik nog een praatje met Henk. Enige weken later is hij overleden. En ja, toch is er weer een van de markante figuren van oud Wijk verdwenen. Oud Wijk is oud wijk niet meer. Maar er is een troost. Markante en bijzondere mensen is iets van alle tijden, gelukkig maar. Zij zullen er altijd zijn, komen en gaan, en dat is een hele mooie troost. Hartelijke groeten, Gerrit Marchal.

Op een van mijn fietstochten in 1992 vanuit Almere naar mijn ouders in Wijk bij Duurstede was ik een stuk omgefietst richting Renswoude en Ederveen. Vanaf kasteel Renswoude via de Veenweg kwam ik op de Munnikeweg nabij Ederveen. Hier is de grens tussen de provincies Utrecht en Gelderland. De weg zelf ligt in Utrecht de berm gezien vanaf Renswoude in Gelderland. Ik wilde hier weer eens gaan kijken. Omstreeks 1974 was ik met een landmeter Willem Groters van Ingenieursbureau van Steenis uit Utrecht, waar ik toen werkte, hier hoogtemetingen nabij ‘De Klomp ‘aan het doen. Ik vond het toen een mooi groenrijke omgeving, en altijd was ik van plan om hier weer eens te gaan kijken, vandaar. En ook wilde ik eens gaan struinen bij het hier in de buurt liggende fort Daatselaar. Maar daar is die dag niets van gekomen, maar pas jaren later tijdens een wandeling hebben Lenie en ik het fort opgezocht. Ik was afgetapt om mijn landkaart te bekijken, toen een man, die wat verder naar links in een weide stond naar mij keek. ‘Zoek je de weg, ben je niet van hier ? vroeg hij vriendelijk, terwijl een paard naast hem kwam staan en tegen de schouder van de man begon te schuren om aandacht te krijgen. Wij raakten in gesprek over dieren, de boerderij en het vee. ‘Kiek ik woon met mun twee broers daar op de boerderij, kom us an, ik verzamel oud boerenspul, kom maar us kieke’ was de vriendelijke uitnodiging van man, Arie van Wagensveld. Ik had een foto van hem met zijn paard gemaakt en beloofde hem, mocht ik ooit hier weer in de buurt komen de foto mee te nemen. Belofte maakt schuld. En omstreeks 2005 was ik hier weer in de buurt en ging natuurlijk de beloofde foto bij Arie afgeven. Hij was er toen heel blij mee en zei tegen mij ‘Jong oe ben altied welkom’. Ik had die dag nog wat meer foto’s gemaakt van o.a. zijn wat stille broer Job op zijn oude fiets achter de boerderij, met de naam ‘De Nap’. Zijn andere broer Evert was niet op de boerderij, en ergens aan het werk. Zo af en toe belde ik de broers wel eens hoe het met ze ging, en bij een van de telefoongesprekken zei Arie dat zijn broer Job toch vrij plotseling was overleden. ‘Wie zunt nu nog maar met zu’n tweetjes’ zei Arie met een trieste stem. Ik beloofde Arie de foto van Job op zijn fiets, voor hem af te drukken en langs te komen brengen. Toen ik tijdens een fietstocht op 8 juli 2013 met Lenie vanuit Rhenen langs de Grift hier naartoe was gefietst, was er niemand op het erf te zien. Een bruine hond lag te slapen op het erf aan de achterzijde van de boerderij. Hij stond traag kwispelend op en kwam naar ons toe. Een kleinere hond, die wat verderop stond bleef op zijn plaats en keek alleen maar naar ons. De deeldeur van de boerderij staat half open, en Leentje en ik liepen naar binnen. Het deel stond tot onze verbazing vol met allerlei spullen. Kleine boerenwagens, weegschalen, stoelen, een houten kar vol houtblokken, en ijzeren wagenwielen, en bijenkorven, etc. Aan de balken hangen in plastic zakken bonen en kruiden te drogen. Aan de houten wand hingen platen van Anton Pieck, en levenswijsheidteksten. Eigenlijk was alle beschikbare ruimte gebruikt, door boerengereedschap, potten en emmers etc. Wij horen stemmen en zachte kerkmuziek, en ik riep ‘Hallo’. Maar geen reactie. Nog een keer wat harder ‘hallo’ geroepen. Plots verstillen de stemmen, en horen wij alleen de kerkmuziek. ‘Kom binnen’ wordt er geroepen. Arie zit in zijn stoel, en een voor ons onbekende man staat, met aan de voorkant omgedraaide broeksriem, en zijn handen op zijn rug in de kleine boerderijkamer. Hij blijkt later een vrachtwagenchauffeur uit Barneveld te zijn. Arie zegt tegen mij ‘Je mot deurlope as je hier kom, lop voortaan maar gewoon naar binnen, ok al is hier geen mins, je ben hier toch al us vaker gewies, of nie dan, ha ha haa’ zegt de vrolijke Arie. ‘Zal ik doen’ zeg ik tegen hem, dankbaar voor het vertrouwen, dat ik of wij gewoon de boerderij in kunnen ook al is er niemand, de deur is altijd open. ‘Ga zitten, willen jullie koffie? Ik laat Arie de meegebrachte foto van zijn overleden broer Job zien. Hij wordt even stil bij het bekijken van de foto, en kijkt ontroerd naar zijn overleden broer. Met dankbare ogen kijkt hij ons aan ‘Ja wie zunt nu nog maar met zu’n tweetjes, ja hij was de jongste’. Ook de vrachtwagenchauffeur bekijkt de foto, en Leentje en ik krijgen koffie. Het door ons onderbroken gesprek wordt voortgezet. ‘Ja’ zegt de staande man ‘Ik ben al jaren vrachtwagenchauffeur, en vurige week net 69 geworden, maar ik zal je zegge ik had vreuger een soort eczeem of zoiets zei ik net tegen Arie. Da kwam van dat zeil van de zitting van de wagen, tjonge jonge da werd heet… heet, wel 60 of 70 graden in de zon. Mijn hele huid zat onder, en op een gegeven moment van mien vrouw ok. Het was een vieze ziekte, je hele kont brande door’. Ik zee tegen de dokter, he je er wat veur? Toen zei die dokter uit Lunteren, ‘Jong wit jij wat je moet doen, naar huis en alles uit doen, gewoon in je nakie lopen’. ‘Ik zal je zeggen’ zei de chauffeur’ De gordijnen gingen dicht, mijn vrouw en ik hebbe allus ut gedaan, en wij hebbe spiernaakt drie of vier dagen in huis gelopen, en wat doch ie, allus verdween, nooit gene las meer van gehad, tot op de dag van vandaag nie, en ‘t mooie is, hut het me niks gekocht. Ja das was eene goeie dokter, die he je tegenwuurdig nie meer, ja ik ben blie dak er vanaf ben’. Zijn krachtige stem vult de kleine boerenkamer, terwijl Lenie en ik onze koffie opdrinken. Even later verdwijnt de chauffeur en moet verderop nog wat doen. Arie laat ons de hele boerderij zien. De kamers en de zolder waar hij met zijn broer slaapt. ‘Kiek, hier slapen wij, nee hoor maak maar gerust foto’s, ga je gang maar, maak niks uut, Ik zal je zo het vee nog even laten zien, en kom nog maar us effe kieke naar mun verzameling boerenspullen. ‘He je da jong nog gezien hier op ut erf ?’ vraagt Arie. Maar wij hadden behalve de honden geen jongen gezien. Maar even later zien wij hem buiten. Het is een neefje van Arie, rijdend in zijn taptrekker met een jonge hond in zijn aanhangwagen. ‘He jullie kinderen ? , Ik zal je zeggen da jong wat buiten lop, da’s een neefje van mie, een best jong, maar hij krieg een strenge opvoeding van zu’n moeder, mot ook psalmversies leren van zu’n moeder. Het is een mirakels best jong, niks dan achus en negeus en tienen op school. ‘Mien vader zeit altied, ‘Je kunt beter een ondeugend peerd hebben, dan een verwend jong’ ha haa haa, maar zo is net’. ‘Wij zunt vroegur nog us op de televisie gewies, ha ha haa’. Buiten gekomen neemt Arie ons mee naar de stallen en laat zijn koeien en varkens en kippen zien. De bruine naamloze hond volgt Arie trouw, en is een paar keer op zoek naar ratten. Tot slot neemt Arie ons mee naar een van de schuurtjes, die van beneden tot boven volgepakt is, met door de broers, maar vooral door Arie verzamelde spullen. Trots laat hij verzameling zien.’ O man ik veind het zo mooi he, da ouwe spul, wit jij wa dit is’? vraagt hij aan mij, een lange ijzeren stang in zijn handen houdend, ‘Nee he, das een thermometer voor de hooibroei, gekriege van een man ut ‘t Veen’, waarmee hij Veenendaal bedoeld. Leentje en ik hebben genoten. Aan het eind van de middag fietsen wij weer naar Rhenen terug. Wij hebben een prachtige dag gehad. In later jaren heb ik Evert nog eens gebeld en opgezocht, nadat hij mij vertelde dat Arie was overleden. Het werd stil aan de andere kant van de lijn. ‘Arie is overleden aan een hartaanval, en Job, ja die had kanker, die had toen gezeit ‘Ik he niet lang meer te leve’. ‘Er is er nu nog maar untje van de drie broers over’ zegt Evert met een trieste klank in zijn stem. Evert klinkt mat en is aangeslagen, en er valt een stilte in ons gesprek door de telefoon. Vrij snel ben ik bij Evert langsgegaan, en liet hij mij foto’s zien van zijn ouders en grootouders, en Aaltje, een tante van vroeger, geboren op 8 juni 1869, met ‘voorkind’ wat niet op de foto staat. Een voorkind was, zo noemde ze dat in vroeger jaren, als je voor je huwelijk in verwachting raakte en een kind kreeg. Buiten heb ik nog een foto van Evert met twee vrienden gemaakt die hem geregeld komen opzoeken, om te kijken of het goed met hem gaat. Bij een van de vrienden hangt een jachtgeweer voor in zijn Jeep. Alle drie de broers zijn inmiddels overleden. De vader van de broers heeft in het verleden nog aantekeningen gemaakt van de familie. Trots laat Evert het aan mij zien. Maar wij bewaren onze ontmoetingen, met deze drie vriendelijke boerenbroeders, als dierbare herinneringen in ons hart. Voor familieleden die graag de door mij gemaakte foto’s wil hebben, stuur mij even een mailtje, naar: helenah51@hotmail.com, of bel mij even 06 23431253. Hartelijke groeten, Gerrit Marchal.

Maar er is nog een leuk verhaal over deze mooie woning ‘Nieuw Bouwlust’, met zijn tuinkabouter, gelegen aan de Lange Singel in Wijk. Jammer, dat mijn zo jong overleden, jongere broer Johan er niet meer is. Hij wist precies, wie en wat. Maar goed ik zal het zo goed mogelijk verwoorden, want hij heeft het verhaal mij een paar keer verteld, in de loop der jaren., En namen zijn eigenlijk niet belangrijk, het gaat om het gebeuren. Zo omstreeks 1975, en vader nog bij de Gemeente Wijk bij Duurstede werkte, had hij en een aantal collega’s van de gemeentewerkplaats een etentje. Schijnbaar werd er door sommigen flink gedronken. Aan het eind van de avond, liepen een paar beschonken gemeentewerkers, als broeders huiswaarts, en langs de bovengenoemde woning. Daar woonden toen de bankdirecteur van Dam, met moeder. Een keurige dame, die bijvoorbeeld, als zij zondags met haar zoon naar de kerk in Wijk ging, links en rechts kijkend, vele mensen toeknikte en zachtjes gedag zei, echt een dame van aanzien. Maar goed, naast de indrukwekkende toegangsdeur hebben jarenlang twee grote bloembakken gestaan. De aangeschoten broeders waren de woning nog niet gepasseerd, toen er een zei ‘Ik moet schijten’. Maar aangezien het al bijna donker geworden was, werd de ‘scheiter’ maar aangeraden alles beneden maar zo stevig mogelijk dicht te knijpen tot hij thuis was. Maar schijnbaar was de nood hoog, en zei tegen zijn collega’s, ‘Bel aan, en zeg dat ik moet schijten’. Maar geen van de anderen wilde dat doen, aangezien hier de keurige mevrouw van Dam, met haar directeurszoon woonde. En ja in zo’n klein stadje wilde je geen ellende, of slechte naam krijgen. ‘Bel aan, bel aan, of ik trap de deur in’ zei de scheiter nogmaals, die inmiddels zijn broek naar beneden had getrokken, en over de rand van een van de bloembakken was gaan zitten, en zijn behoefte tussen de kleurrijke planten had gedaan. Er werd toch maar aangebeld door een van de makkers, en even later ging de deur langzaam open en stond de oude mevrouw van Dam verbaasd in de deur opening, om vervolgens het verhaal aan te horen. De man in de bloembak had WC papier nodig. ‘Foei, foei’ was het enige wat mevrouw van Dam kon uitbrengen, en trok de deur weer dicht. Inmiddels was de scheiter achterover gevallen in de bloembak tussen de bloemen en had zichzelf ruggelings bevuild, maar werd door zijn makkers weer op zijn benen geholpen. Hup broek omhoog, de rest zag hij thuis wel. Waggelend liep een ieder naar zijn eigen woning. Maar de scheiter werd een dag later op het werk wel op het matje geroepen, en moest zich verantwoorden. Hij heeft net geen ontslag gekregen, maar moest o.a. zijn excuus bij mv. van Dam gaan aanbieden. Ach zo gebeurde er in vroeger jaren nog wat in Wijk.

Mijn ouders woonden tot februari 1958 op de Hoogstraat 95, in Wijk bij Duurstede. Daarna zijn zij verhuisd, als ik het goed heb onthouden, in een vrachtauto van Fam. Verbeek, naar Sluis Zuid 2, eveneens in Wijk bij Duurstede. Ik was toen 5 jaar, maar ik kan mij nog veel herinneren. Tenslotte was het voor mij als jochie zijnde een hele spannende gebeurtenis. Toen wij nog op de Hoogstraat woonden, gingen mijn ouders, bij een beetje redelijk weer iedere zondagmiddag wandelen, en alle kinderen gingen mee. Als kind had ik daar niet altijd zin in, maar ja, je moest gewoon mee, geen gezeur. Op een van deze wandelingen kwamen wij langs de mooie statige woning met de naam: ‘Nieuw Bouwlust’, gelegen langs de ‘Lange Singel’ zoals wij dat toen noemden. Als ik het goed heb onthouden, woonde daar een bankdirecteur, Fam. van Dam. Links naast de woning was een mooie tuin, en tot mijn verbazing stond daar zomaar een kabouter in de tuin. Prachtig vond ik hem. Vol bewondering, en om hem zo dicht mogelijk te bekijken drukte ik mijn hoofd tegen twee tuinhekspijlen. Plots schoot mijn hoofd tussen beide spijlen naar voren, en kon ik met geen mogelijkheid terug, wat ik of vader ook probeerde. Bij het terugtrekken bleef ik met mijn oorschelpen achter de spijlen hangen. Daar stond ik dan, licht voorovergebogen met mijn hoofd door het tuinhek. Vader probeerde eerst mijn hoofd voorzichtig terug te trekken. Maar nee hoor, ik bleef hangen achter mijn oren. Vervolgens probeerde vader, die best wel sterk was, de twee ijzeren spijlen aan beide zijden van mijn hoofd wat uit elkaar te trekken en drukken, maar zonder resultaat. Ik zal denk ik wel in mijn broek hebben gescheten van angst, Ja wat nu ? De Wijkse smid Henk Hoogendoorn, die wat verderop aan de Singel woonde, en gelukkig thuis was, werd op die zondagmiddag gehaald. Hij had zover ik mij kan herinneren, een soort grote tang bij zich en heeft beide spijlen iets uit elkaar gebogen, en ja hoor ik kon mijn hoofd opgelucht weer terug trekken. Jarenlang heeft de door mij bewonderde kabouter daar nog in de tuin gestaan. Ik heb omstreeks 1992 nog eens geprobeerd een foto te maken van de kabouter tussen de twee gebogen hekspijlen, maar de struiken waren inmiddels zo groot geworden, dat wat ik voor ogen had niet lukte. Stom van mij, ik had die foto veel eerder moeten maken. Ja, het hek staat er nog steeds. Wel is op toegevoegde zwart / wit foto, aan de rechterzijde, een van door de smid Henk Hoogendoorn gebogen spijlen te zien. Bijna altijd als ik hier langs fiets, of wandel kijk in even in deze tuin, en naar de gebogen spijlen. Een aantal jaren heeft de kabouter i.p.v. in de tuin, op een vensterbank in de woning gestaan. Maar hij was er gelukkig nog. Tijdens een wandeling door Wijk op 5 mei 2005 zag ik de kabouter helemaal niet meer, niet in de tuin, en niet in de vensterbank. Eigenlijk schrok ik een beetje, hij zou toch niet zomaar weggegooid zijn ? Ik stond wat onthutst naar de tuin te kijken, toen een keurig geklede jongeman de woning binnen wilde gaan. Ik zag er nou niet echt lekker uit met mijn zwerversoutfit, meestal doe ik wat oude kleding aan als ik ga struinen, en aan mijn oude spijkerjas, jaren geleden, in Seattle gekocht hingen de rafels aan mijn mouwen en in mijn kraag, maar ik ben aan mijn oude spijkerjas gehecht. Toen ik de vriendelijke man het verhaal vertelde uit 1958 van de kabouter, en hem de twee gebogen spijlen in zijn tuinhek had laten zien, moest hij lachen. Natuurlijk had hij de twee gebogen spijlen wel eens gezien, maar geen idee hoe dat gekomen was. Ondanks mijn versleten kleding, en gelukkig had hij geen vooroordeel zei hij vriendelijk ‘Komt u maar even mee, dan zal ik u wat laten zien’ Via een mooi ingerichte gang, besprenkeld met mooie kleuren op een van de wanden, van het kleurrijk glas in loodraam volgde ik de jongeman door zijn prachtig ingerichte woning naar de achtertuin. ‘Kijk, daar staat je kabouter’ zij hij trots. De kabouter was groter dan in mijn herinnering. Het liefst had ik de kabouter even wast gehouden en geknuffeld, maar dat was onmogelijk, aangezien hij een aantal meters boven het grasveld, in een diepe scheur, in een van de bomen, achter een stang, veilig opgeborgen was. Want zo liet de vriendelijk man mij weten, dat er mensen van het ‘kabouterbevrijdingsfront’ waren geweest, die geprobeerd hadden om de kabouter uit de tuin te stelen. Wat een mafketels lopen er eigenlijk ook rond op deze wereld. Maar mijn kabouter stond op veilige hoogte de wereld te bekijken. Ik was blij hem na al die jaren weer eens te zien, en blij dat hij er nog was. Ik heb de vriendelijke jongeman hartelijk bedankt, en hij was blij nu de geschiedenis achter de gebogen hekspijlen te weten. Met een blij hart, mijn kabouter weer eens te heb gezien ben ik verder gaan wandelen.

Deze foto is gemaakt omstreeks 1964. Vader en ik kijken planten in vaders tuin naast het huis ( Sluis Zuid 2 in Wijk bij Duurstede ). Moeders waslijnen waren twee kromme ijzeren draden gespannen tussen twee ijzeren palen. Eentje is nog net rechts op de foto te zien. Rechts op de voorgrond is nog een stuk van vaders broeibak te zien, en geheel rechts nog een stukje van een van de glazen broeikasramen. In de broeikas kweekte vader in het vroege voorjaar o.a. slaplantjes. Soms als het te warm werd in de broeibak deed vader een steen onder een van de ramen. Het gebeurde dan regelmatig dat onze poes, dan heerlijk opgerold lag te zonnen tussen de jonge plantjes. Op de achtergrond is een gedeelte van de vele tientallen bessenstruiken te zien die toen nog naast en achter het huis stonden. Het merendeel waren het rode bessen, kruisbessen, en een paar zwarte bessenstruiken. De rode- en de kruisbessen vond ik wel lekker, maar de zwarte wat minder. Regelmatig als wij trek hadden zaten wij verborgen, gehurkt tussen de bessenstruiken ons half vol te eten, maar vader vond dat niet erg. Geheel op de achtergrond was toen nog een oude hoogstamboomgaard met aan de slootkant hoge dichte struiken. Een paar keer heb ik toen daarin Ransuilen gezien, wel drie of vier tegelijk. Doodstil zaten zij, half verborgen tussen de takken van de grote struik, maar je met hun vastzittende grote ogen, en draaiende koppen je nauwlettend volgend. Rond schemertijd vlogen zij geluidloos laag over de boomgaardbodem op zoek naar voedsel, zoals muizen enz. Als jochie zijnde heb ik het altijd een beetje een spannende, donkere en stille boomgaard gevonden, en schrok je best wel, als in de schemering een Ransuil, vlak naast je plots langs je vloog. Bij het ijzeren hek bij de ingang van deze boomgaard, bij de lange meidoornhaag, stond een wilde kers, die in het voorjaar wonderschoon in bloei stond. Achter deze boomgaard waren de weidse weilanden met zijn rijk dieren- en plantenleven, en met in de meimaand vele kwakkende kikkers. Soms. Nee vaak als ik hier kom, mis ik wel het toen zo rijke vogelleven, de vele Grutto’s, Kieviten, Tureluurs, en hoogvliegende en zingende leeuweriken. Wat was het altijd leuk, als jonge jongen zijnde, om deze steil omhoogvliegende vogeltjes zo ver mogelijk in de blauwe lucht proberen te volgen, totdat zij plots waren verdwenen in het hemelblauw. Van de heldere bloemrijke sloten, met hun stille over het water gebogen oude holle knotwilgen is veel verdwenen of een stuk minder mooi geworden. Hoe mooi was het niet als de wind met de langwerpige wilgenbladeren speelde. Ik ben blij dat ik nog wat foto’s heb uit deze tijd. Hannes de Jongh met de bijnaam ‘De Kapaje’, en broer van Jan de Jongh, de schoenmaker uit de Peperstraat in Wijk heeft eens de boomgaard naast ons huis gepacht. Een goedlachse vriendelijke in zichzelf mompelende, en een wat loens kijkende man, die pruimde en soms geelbruine sapstralen tussen zijn tandenspleet, met een gedraaid hoofd van zich af spoot.

Bij ons thuis hadden wij vroeger bijna altijd een hond, soms twee. Zoals ook de kleine Kobus, die op een goede dag gewoon kwam aanlopen en bij ons thuis is gebleven. Waarschijnlijk was hij van, bij de sluizen aangemeerde schepen afkomstig. Op bijgaande foto, uit omstreeks 1978, zijn moeder en mijn jongste broer Jan achter ons huis, onze Snuffel, een heel lieve hond aan het wassen. Als wij als jongens, en ook jaren later gingen wandelen en struinen in de achter ons huis gelegen weilanden en uiterwaarden, ging de hond altijd mee. Wel letten wij er altijd goed op dat zij niet achter de koeien en schapen gingen rennen. Maar op een goede dag was onze Snuffel alleen op pad gegaan, en bij thuiskomst stonk zij vreselijk. Waarschijnlijk had zij op in het weiland op een dode mol liggen rollen. Aangezien onze Snuf gewoon in huis zijn plekje had, bv naast de oude houtkachel, was het dit keer echt niet te harden. Zij stonk vreselijk. Moeder begon te gillen ‘Snuf wat stink je vreselijk, m’n huis uit’ Met zijn kop naar beneden, een schuldige blik in haar trouwe hondenogen, en staart tussen haar poten droop snuf af en ging via de houten hordeur naar buien. En echt, op Snuf haar rug stonden haar donkere haren, gedeeltelijk vies plakkerig omhoog, en er kwam een vreselijke gore stank vanaf. De teil werd gepakt, en de onwillige Snuffel kreeg met Dreft een grondige schoonmaakbeurt. Niet alle stank was verdwenen, maar het was te doen. Nadat onze hond weer een beetje was opgedroogd, mocht zij weer in huis komen, draaide een paar keer rond en ging vervolgens met d’r kop op haar poten lekker slapen, bijkomend van haar mollenavontuur en wasbeurt

Mijn moeders vijf jaar oudere zus, tante Dina Nokkert was een prachtig mens, die in Maartensdijk woonde ( Nieuwe Weteringseweg 187 ) en van alles verzamelde. Kasten vol kleding, gehaakte kleedjes, bakken vol zeepjes, een sigarendoos met mooi kleurrijk borduurdraad van voor de 2e wereldoorlog, etc. Ik ging altijd tijdens een van mijn fietstochten even een kopje koffie ( met vel ) bij haar drinken. Als zij toevallig geen melk in huis had liep zij even naar de overbuurman Dirk Boogaard om daar een kannetje melk te halen. Tijdens een van die bezoeken zei zij tegen mij ‘Loop is effe mee jochie ik heb in de schuur nog een heleboel mooie jassen, er zit er vast en zeker wel eentje voor je bij’. ‘Oohhh wacht even dan ik doe nog even een vest aan’ zei zij. En voor zij naar buiten liep bevestigde zij haar huissleutel met een grote veiligheidsspeld op borsthoogte aan haar jurk. ‘Ik raak mijn sleutel wel eens kwijt he, ik weet dan niet meer waar ik hem gelegd, nou kom maar met mij mee’. Ik achter haar aan, zij liep gebogen, in haar uit de zak van Max gehaalde kleurrijke gympies, met haar door ouderdom krom getrokken benen, en ondersteund door de wandelstok van haar overleden man Henk Wouters. In het volgepakte schuurtje opende zij een van de kasten, waarin o.a. geheel zwarte, en zwart/ witte met grijs geblokte damesjassen hingen. ‘Na even snuffelen, binnensmonds gepiep, gemompel, en schuiven tussen de jassen pakte zij er eentje en zei ‘Ik denk dat deze je wel past’. Al voor dat ik het kledingstuk had aangetrokken zag ik al dat het zeker niet mijn maat was. Maar goed ik wilde haar niet teleurstellen. Maar mijn onderarmen bleven halverwege de veel te strakke mouwen steken. Van achter haar vettige oude brillenglazen keek tante Dina mij schuin omhoog kijkend aan, en zei met haar wat hoge stem ‘Oohhh hij past echt niet he, jammer het zijn nog zulke mooie jassen’. In stilte was ik blij dat het fossiele kledingstuk niet mijn maat was. Een van de mooiste verhalen vertelde mijn overleden lieve tante Wil. Tante Dina moest op een gegeven dag naar het ziekenhuis voor onderzoek. In de kleine ruimte van de steile zoldertrap haalde zij vier paar nylonkousen te voorschijn uit een verzameling van tientallen, zo niet meer, andere gelijksoortige kousen die aan een oude kapstok hingen. De meeste waren kapot of met ladders, of van twee was weer een goed paar gemaakt, etc. Zittend op haar stoel begon zij vier kapotte nylonkousen over elkaar aan te trekken, vervolgens een beetje te draaien en trekken, Vervolgens gaf zij aan klaar te zijn voor het ziekenhuisonderzoek. Vol verbazing zag tante Wil het aan en zei ‘Maar Dien zo kan je toch niet voor onderzoek naar het ziekenhuis, met vier paar kousen over elkaar’. ‘Oooh, ach dat zien zij toch niet in het ziekenhuis, je ziet toch zo geen gaten en ladders of zo’ zei tante Dina verbaasd. Maar tante Wil liet haar weten zo niet met haar weg te gaan. Alle vier de kousen werden weer uitgetrokken en een goed stel aan gedaan. Tante Wil en ome Gerard Nokkert hebben de laatste jaren van haar leven bewonderingswaardig veel voor tante Dina gedaan. De foto heb ik genomen op 28 Mei 2004, en is een van de weinige foto’s die ik heb van tante Dina in haar schuurtje.

Het varkentje. Op 18 mei 2005, had ik zoals zo vaak zin om heerlijk te gaan struinen in de uiterwaarden ‘De Bosscherwaarden’ in Wijk bij Duurstede. Vanaf mijn prille jeugd zwerf ik hier rond. Vanaf de eind 50er jaren met mijn broers, en later ook met mijn vrienden Toon en Hugo van Rijn. Het was altijd heerlijk struinen hier in de uiterwaarden. Tjonge, jonge wat hebben wij hier in bomen en wilgen geklommen en slootje gesprongen tot wij zeiknat waren. Soms proberen wij wel eens koeien stil van achteren te benaderen en pakte dan hun staart. De geschrokken koe begon te hollen, ons achter zich aan slepend door gras en soms ook dikke droge en natte koeienvlaaien. Op een keer waren bijna al mijn knopen van mijn overall, en was moeder boos toen ik thuis kwam, zonder knopen en de voorkant van mijn overall en kin, die ik een beetje met de hand had schoon geveegd, dik onder de koeienstront. Hoofdschuddend met haar ene hand op haar voorhoofd liep zij met de kapotte vieze overall naar de wasteil, en ik moest in het kleine houten keetje in de teil, want ik stonk als een bosvarken. Maar op de 18e mei had ik weer eens de kriebels, m’n laarzen aangedaan en natuurlijk mijn fototoestel meegenomen. Bij zijn boerderij, daar waar de Sluis Zuid en Lekdijk-West bij elkaar komen zag ik Joop van Rijn op zijn boerderijerf lopen. Een praatje is dan gauw gemaakt. Ook Joop ken ik al vanaf ongeveer eind 50er jaren, mijn ouders zijn immers in februari 1958 hier wat verderop komen wonen. Plots zie ik tijdens ons gesprek een ongeveer 20 cm groot stenen varkentje op de muur naast de garage staan. In de bovendorpel van de garage staat in het cement ‘Corry van Rijn 1954’ ingekrast. ‘Wat een leuk varkentje’ zeg ik tegen Joop. “Gert ik zal je eens wat vertellen’ zegt Joop. ‘Hoe hard het ook waait, hij blijft daar op het muurtje staan’. ‘Maar later, tijdens een opruimdag, dacht ik, ach hij is kapot, z’n staart is eraf, ik gooi dat ding maar weg’. ‘Ik had het ding beetgepakt en op de afvalhoop gegooid, maar toen hoorde ik wat piepen, in het varkentje’. Er bleek een nestje met jonge vogeltjes in te zitten. ‘Voorzichtig heb ik hem weer opgepakt en teruggezet’. ‘Ik zag dat de vogels via het kontgat in- en uitvlogen’ zei Joop. Ik heb het altijd een leuk verhaal gevonden. Ik had Joop gevraagd als hij echt later nog eens van plan was het varkentje alsnog weg te gooien ik het wel wilde hebben. Ik heb die dag nog een heerlijke struinwandeling in de uiterwaarden gemaakt. Enkele jaren later sprak ik Joop weer eens, en schoot het varkentje in mijn gedachten, ‘Heb je het varkentje nog Joop ? vroeg ik. Maar nee, Joop liet weten dat het ding plotseling was verdwenen, Iemand heeft het meegenomen, maar hij heeft geen idee van wie. Jammer het was een leuk knorretje. Gelukkig heb ik nog een paar foto’s van hem gemaakt.

Op 29 oktober 2008 was ik in het Buurtschap ‘Steenen brug’ gelegen tussen Neder- en Overlangbroek, foto’s aan het maken van de oude boerderij van Gart van der Zand. Een mooie omgeving, en de geboortestreek van mijn voorouders, van enkele generaties terug. Mijn ouders, en meerdere voorouders, en mijn jongere broer Johan, tante Jans en ome Theus / Teunis Marchal, zijn hier begraven op de begraafplaats in Nederlangbroek. Ik was enige jaren geleden nog bij Gart binnen geweest, in zijn oude boerderij met zijn rijke geschiedenis. Gart stond in zijn kleine boerderijkeuken krom gebogen over zijn op meerdere plekken rokende oude houtkachel. Waarschijnlijk was het gestookte hout nog niet helemaal goed droog, omdat er rokerige pluimen uit enkele scheurtjes, en kieren van de houtkachel kwamen, en ook langs de kachelringen in het keuketje omhoog kronkelden. Gart stond mopperend voorovergebogen, met een horizontale rug stevig te hoesten en te kuchen, en het kleine keukentje van zijn boerderij vulde zich met een keelkriebelende rook. Gart had met een paar houtjes geprobeerd, de plekken waar de rook op ongewenste plekken vanuit de kachel in het keukentje kwam, dicht te stoppen. Maar het was een mislukte poging, en in mijn ogen ook een gevaarlijke poging, omdat de in de kachel gedrukte houtjes zouden kunnen gaan branden. Toen ik hierover wat zei, liet Gart, op een opgetrokken wenkbrauw, mij opzij aankijkend weten dat het wel goed ging, en met een blik van ‘bemoei je er niet mee, ik doe dit al tijden zo’. Waarschijnlijk ging het toch niet zo hij het gewild had. Ik bemoeide mij er verder maar niet mee, en dacht ik kan beter m’n kop maar houden. Op het granietenaanrecht stonden een paar omgekeerde borrelglaasjes en lag er wat los geld naast. Ik had even te voren, van de toch wel vriendelijke Gart begrepen, dat mensen, hier uit de omgeving gewoon zijn boerderij konden binnenlopen, ook al was hij niet thuis, zichzelf konden bedienen. In de koelkast stonden een paar drankflessen. De klant kon zelf de borrelglaasjes volgooien en leeg drinken, en daarna onder de kraan schoonspoelen, en weer op zijn kop op het aanrecht terugzetten. Het verschuldigde bedrag werd daarna, in alle eerlijkheid op het aanrecht gelegd, waarna de klant de boerderij weer verliet. Maar de rook begon inmiddels ook in mijn keel te kriebelen, en na Gart gedag te hebben gezegd, ben ik maar naar buiten gegaan en verder gaan fietsen. Gart heb ik verder maar alleen te gelaten in zijn strijd met zijn oude kachel, met de geruststellende gedachte, zoals hij al zelf aangaf, al tijden ervaring mee had. Toch was de inmiddels overleden Gart een mooie kerel die, zo vertelde hij, niet zo nauw naar houdbaarheidsdatums van etenswaren keek, en een aan de buitenzijde wat beschimmeld worstje aan zijn overall broekspijpen afveegde, en gewoon opat. Maar om even weer terug te komen op bijgaande foto van het meisje met haar hond. Tijdens het fotograferen van de boerderij van Gart, raakte ik in gesprek raakte met dit aardige meisje met haar hond, die zij aan het uitlaten was. Zij vroeg vriendelijk wat ik aan het doen was, en of ik Gart had gekend. Als iemand weet wie zij is, kan ik haar de drie, van haar, en haar hond gemaakte foto’s toesturen. Misschien vind zij dat wel leuk. In de jaren 90 heb ik nog eens een tekening van de boerderij van Gart gemaakt. Op de dakpannen van de vol scheuren zittende hooibergschuur groeien prachtige bijna dakpanbreede gele korstmossen. Met vriendelijke groet, Gerrit Marchal. Telefoon: 06 23431253. Emailadres: helenah51@hotmail.com

Tussen 1890 en 1902 werd het herenhuis ‘Beukenburg’ gelegen aan de oostzijde van Groenekan, een flink stuk vergroot, tot een aanzienlijk groot landhuis. Maar jammer genoeg liet in 1925 eigenaar John E.W. Twiss Quarles van Ufford het meer dan veertig kamers tellende landhuis slopen. Volgens moeder zei haar vader, mijn opa, Jan Hendrik Nokkert, dat het vaak in huis koud was, vooral in de winterdagen. Alleen het koetshuis, en vier boerderijen zijn bewaard gebleven en gelukkig niet gesloopt. In het weiland langs de Nieuwe Weteringseweg, en aan het begin in de kromming van de ‘Beukenburgerlaan’ is ook nu nog de voormalige vijver van het landhuis te zien. Op deze vijver schaatste moeder ( Geboren op 13 mei 1921 ) in haar kinderjaren met andere kinderen uit de omgeving. Moeders vader werkte op het landgoed Beukenburg. Op zijn persoonsbewijs, verstrekt in Maartensdijk, op 5 november 1941, staat als beroep: ‘Boscharbeider’. Toen ik jaren geleden tante Dina, moeders oudere zuster had geholpen een formulier in te vullen, wilde zij mij, bij hoog en bij laag iets geven. Ik wilde eigenlijk niets van haar aannemen, ik was al blij met de door haar gemaakte koffie, behalve dan met het dikke vel, maar ach even slikken en weg was hij. Maar tante Dina gaf mij een mapje afkomstig van het oude, in 1925 gesloopte Beukenburg. ‘Als ik er niet meer ben wordt het misschien wel weggegooid, en jij ben toch gek op oude dingen’ zei tante Dina, dankbaar dat ik haar geholpen had. Ik heb het maar aangenomen en bewaar het mooie bruine mapje, met aan de voorzijde een wapen, als een mooie herinnering aan tante Dina, en aan het oude Beukenburg. In het oude huis van tante Dina, boven aan haar steile trap naar de zolder, stond nog een stuk ijzeren hek om het trapgat, wat van het oude Beukenburg afkomstig was. Ik heb er ergens nog een foto van. Wisten jullie dat er een paar mooie tekeningen, uit omstreeks 1858 van Beukenburg en omgeving zijn gemaakt door o.a. J. van Ravenwaay.

Mijn moeders vader, Jan Hendrik Nokkert, geboren op 5 december 1877, werkte vroeger op het landgoed Beukenburg. Vroeger vertelde mijn moeder wel eens wat over Beukenburg, en noemde namen, ja zij klonken mij wel bekend in mijn oren, maar wie het waren, ach het zei mij eigenlijk niet veel, ik had die mensen nooit persoonlijk gekend. Het was allemaal ver voor mijn tijd, voor mijn geboorte in 1952. Maar nu heb ik via mijn nicht Meta Nokkert, een foto uit 1930 gekregen, van het oude Beukenburg. Van links naar rechts: Henk Hogeweg, Ab Nokkert ( opa’s broer ), Willem Klomp Jr., Jonkheer Robbie Quarles van Ufford, de bewoner van Beukenburg, Willem Klomp Sr. , Rijk Oudhof, daar naast een vriend van Robbie, Vervolgens Henk Nokkert met snor, mijn opa, moeders vader, en als laatste geheel rechts, Wout Mastenbroek. Namen genoemd in de loop der afgelopen jaren door moeder, als zij vertelde over het oude Beukenburg, krijgen gezichten en komt voor mij tot leven. Op de andere foto is opa Nokkert, boven op de hooiwagen bij het hooi binnen halen op het landgoed Beukenburg. De hooibouw was vroeger nog een hele gebeurtenis, de drukste periode van het jaar voor een landbouwer en zijn knechten, arbeiders, of werknemers zou men nu zeggen. Zo tegen eind juni ging de landbouwer het hooiland eens goed bekijken, en wilde hij weten of er al gemaaid kon worden, want de hooimaand ( Juli ) kwam eraan. Liefst liet hij het gras maaien als het in bloei stond, zou hij langer wachten dan werd het gras houtachtig, en minder van kwaliteit, want het voedsel, het hooi moet goed zijn voor zijn koeien en ander vee. Het gras werd met de zeis gemaaid. Voor dat er begonnen werd met het maaien werd de zeis ‘gescherpt’. Een soort klein aambeeldje ( Haar, of Haarspit ) werd in het grasland in de grond goed vastgeslagen. Vervolgens werd het ijzeren maaiblad van de zeis, die in een schuin, in het weiland gestoken houten, aan de bovenzijde V vormige stok stond, op de haarspit gelegd en met een maanvormig hamertje ( Haarhamer ) ‘gescherpt’. De snijrand van de zeis weer scherp geslagen, en later met de ‘Strijk’ een langwerpig soort wedsteen verder gescherpt en eventuele bramen ( omgekruld ijzer ) weggeslepen. De zeis was nu gereed om gebruikt te gaan worden om het gras maaien. Het was vroeger een eigenaardig geluid, dat tikken ( Scherpen ) van de zeis door de maaiers in het stille weiland. Het met de hand maaien lijkt makkelijk, maar het valt tegen om de goede ‘Slag’ te pakken te krijgen. Het gemaaide gras liet men zo goed mogelijk drogen, en regelmatig moest het ‘gekeerd’ worden. Het groene gras moest helemaal geel zijn, goed ‘afgestorven’ zijn. Als het hooi goed gedroogd was werd het met de hooihark, of ‘Rijf’ bij elkaar geharkt en op hopen ‘Opper’ verzameld, en later werd het hooi met de hand, met behulp van een ‘Hooivork’ een soort twee- of drietand aan een lange stok op de hooiwagen opgestoken. Degene die op de wagen stond pakte het opgestoken hooi met zijn hooivork over, en verdeelde dit zo goed mogelijk over de steeds hoger wordende hooiwagen. En dit was geen gemakkelijk werk, want hij moest goed uitkijken dat het opgestapelde hooi niet ging schuiven. Als de wagen was volgeladen ging de ‘Voer- of ‘Rijgboom’ ( een houten boomstam ) er overheen, en deze werd zowel aan de voor-als achterzijde van de hooiwagen met touwen stevig aangetrokken. Bij de boerderij aangekomen werd zo snel mogelijk het hooi in de hooiberg, of hooizolder in de boerderij of naastgelegen schuren opgeborgen. Het hooien was een stoffig werk, want veel hooisprieten en stof dwarrelde naar beneden. Over het algemeen werd er in die dagen goed voor het hooien betaald, en dat was een welkome aanvulling voor menig arbeidersgezin. Als het laatste hooi binnen was dan was het feest op het erf van de boerderij. De boerin bakte wafels, waarvan iedereen die meegeholpen had aan de hooibouw kon smullen. De drankfles kwam tevoorschijn en er werd vaak een welverdiende borrel gedronken.

Op bijgaande foto, zo omstreeks 1964 genomen op het wegje voor ons huis ( Sluis Zuid toen nog no: 2 in Wijk bij Duurstede ), staat mijn jongere broer Johan, die toch geheel onverwachts, in mei 2019 is overleden. Achterop het rekje zit mijn jongste broer Jan. Het is een mooi plaatje uit vervlogen tijden. Wat was het toen nog stil op het klinkerwegje met zijn dikke hoge, en altijd ruisende populieren. Ons huis was toen nog gelegen tussen oude hoogstamboomgaarden. Achter de boomgaarden lagen weilanden, en achter de dijk, in mijn kinderogen, de wijds uitgestrekte uiterwaarden van de Bosscherwaarden. In februari 1958 zijn mijn ouders hier komen wonen. Voor die tijd woonden wij op de Hoogstraat no: 95. Op de achtergrond is geheel links de boerderij van toentertijd onze buurman Gooiert Spithoven, die met zijn broer Han ( Hein ? ) woonden. Jammer genoeg heb ik geen foto’s van Gooiert of van Han. Maar voor ik groot genoeg was om zelf een fototoestel te kopen waren beide al overleden. Bijgaande foto is waarschijnlijk door mijn oudere zus Bea gemaakt. Maar goed, Gooiert was in onze ogen gezien een soort ouwe knorrepot met grote oren, die ik weet niet hoeveel eieren at. Achter de boerderij stond een grote schuur waar ongeveer duizend kippen in rondliepen. En eigenlijk als jochie van een jaar of 8 of 10 was ik wel een beetje bang voor hem. Maar Gooiert had ook een broer die wij altijd, ik weet niet beter, Han noemden. Maar Han had ze allemaal niet helemaal op een rijtje. Soms grommend en brommend liep hij wel eens voor ons huis op het wegje met een grote stier aan een halster, een gevlochten touw, te wandelen. Waren wij jochies voor Han al bang, voor zijn enorme stier scheten wij helemaal in onze broeken. Maar ach, toen zo omstreeks 1959 kon dat nog, wandelen met je stier, In geen dagen kwam er soms iemand over het stille wegje voor ons huis. Hoogstens een landbouwer met een klepperend paard en wagen. Vader ging overdag werken, en mijn moeder was hele dagen alleen met de allerkleinsten thuis. De deuren en ramen stonden vroeger gewoon open, iets wat je nu niet meer kan voorstellen. Bijna bij iedereen in de buurt kon je gewoon naar binnen lopen, eigenlijk was nergens een deur op slot. Maar moeder was toch wel bang voor Han, die soms lange tijd voor ons huis op de weg, of dam kon staan, en vaak stond te grommen, en in zichzelf stond te praten, en richting ons huis keek. Moeder vertelde het aan vader, en ja die maakte zich ook wel zorgen. Op een goede dag, waarschijnlijk in het weekeinde, toen Han weer eens op de dam stond te turen, is vader naar hem toegegaan. ‘Weet je dat daar een vrouw woont’ had Han tegen mijn vader gezegd. Pa maakte zich toch wel zorgen, en zij tegen Han’ Han zie je daar dat grote houten hakblok ?. Han knikte mompelend bevestigend. ‘Luister Han als ik nog een keer zie dat jij een voet op onze dam zet, hak ik net als bij de kippen je kop eraf’ Han schrok, Misschien is het hard, maar wat moest vader toen anders. Maar Han heeft nooit meer staan turen naar ons huis, en eveneens nooit meer ook maar een voet op onze dam, die over de sloot die voor ons huis lag gezet. Soms zette Han ook wel eens tijdens zijn wandelingen hekken van weilanden open, en vervolgens liepen de koeien overal in het rond. Gelukkig was er omstreeks 1960 nog niet zoveel verkeer. Maar de desbetreffende boeren baalden flink en moesten hun loslopende koeien maar weer in het weiland zien te krijgen. Toen jaren later Gooiert was overleden, werden mijn ouders als buren ook gewaarschuwd. Moeder bleef bij de kinderen thuis, en vader ging even bij de boerderij van Gooiert, met de naam ‘Elke morgen nieuwe zorgen’ kijken. Zo vertelde vader later, zaten familieleden in de grote voorkamer in een kring bij elkaar. Maar waarschijnlijk vertrouwde niemand elkaar. Als er iemand naar de WC ging, liep iemand anders mee. Een van de boerinnen begon in bijzijn van de gehele groep haar kunstgebit grondig schoon te likken. De grote boerderij is later verkocht aan Geert van Rooijen, die de bijnaam had van de ‘Grote God’. Zijn zoon Adriaan kwam later nog regelmatig bij ons over de vloer, en vader en Adriaan hielpen elkaar wederzijds. Rechts op de foto is nog juist tussen de bomen wat van de oude schuur in Gooierts pruimenboomgaard te zien. Mooie oude boerenwagens stonden in deze vervallen schuur weg te rotten. Als jochie zijnde heb ik regelmatig stiekem, want het mocht echt niet van moeder, overheerlijke pruimen gejat, uit de naast ons huis gelegen boomgaard. Als jochie zijnde kon je met een kleine aanloop zo tegen de iets schuinstaande stammen omhoog lopen en de onderste takken beetpakken. Een mooie jonge kindertijd, met avontuurlijke herinneringen bewaar ik dierbaar de rest van mijn leven.

Vanmorgen ( Donderdag 9 juli 2020 ) zijn mijn nicht Meta en Ruud, haar man bij ons in Almere geweest. Het was harstikke gezellig, met een kopje kofje en een koek. Jammer eigenlijk, dat je elkaar soms jaren niet meer ziet. Meta heeft een aantal oude foto’s van vroeger meengenomen, die ik gedeeltelijk ga scannen, bedankt Meta. Mooie oude foto’s van haar ouders, opa en oma Nokkert, haar broers en andere familieleden van o.a. haar moeders zijde. In overleg met Meta zet ik de komende tijd wat van de gescande foto’s op facebook. Als iemand aanvullingen heeft, hou je niet in, wij zijn erg benieuwd. Niet alle foto’s zijn even duidelijk. Ik heb met scannen mijn best gedaan er iets van te maken, nou ja de scanner dan. Sommige heel kleine foto’s ( zoals de hier geplaatste foto ) was rechts geheel overbelicht, en de onderzijde was een vaag tuinpad wat ik maar heb weggelaten. De hier geplaatste foto is afgaande naar de geschatte ouderdom van de kinderen uit omstreeks 1928. Dus bijna honderd jaar geleden. Van links naar rechts: Jan, Henk, Jo ( Mijn moeder met haar pop ) en Rein Nokkert, drie broers en hun zusje, mijn moeder, voor de oude schuur in de achtertuin bij hun ouders, en vroeger mijn opa en oma Nokkert, Nieuwe Weteringseweg 187 in Maartensdijk. Wat ben ik blij met deze foto. Mijn moeder als klein meisje met haar pop, jammer dat zij het zelf niet meer kan zien, heel jammer, wat zou dat leuk hebben gevonden, het raakt mij om haar zo te zien, ik krijg toch een beetje vochtige ogen. En de oude schuur, prachtig. Eindelijk na al die jaren heb ik er een foto van. Als jochie zijnde van een jaar of vijf, zes of misschien iets ouder, vond ik deze schuur in de grote stille achtertuin, met zijn, aan een zijde vreemd laag dakpannen dak, een spannend iets. Een volwassen iemand moest flink bukken om binnen te komen. Het was stil en donker in deze, in mijn kinderogen grote schuur, met vreemde, door de schots en scheef liggende dakpannen, naar binnenvallende lichtstralen. Volgens mijn oudere nicht Ria van Binsbergen – Nokkert uit Amersfoort, deed opa ‘s avonds zijn geiten in deze schuur, en bewaarde hij hierin ook het voer, hooi en stro, en andere dingen.

Gisterenavond iets over half tien, ik kwam net uit Almere Buiten gefietst, toen ik vlak bij huis was dacht ik, laat ik nog even bij de Lubischbrug, naar de zwanen kijken. Twee mannetjeszwanen zwommen net als een paar weken geleden, weer elkaar uitdagend naast elkaar. Het ene zwanenpaar zwom waarschijnlijk door het territorium van het andere zwanenpaar, eveneens met jongen. Maar daar is bijna niet aan te ontkomen, als zwanen met jongen, in grachten naar het Weerwater, of zoals in dit geval, weer van het Weerwater terug naar de gracht, en hun eigen gebied willen zwemmen, zij het gebied van andere zwanen doorkruisen. Ik stond nog geen vijf minuten op de brug of de mannetjeszwanen begonnen te vechten. gelukkig na ongeveer vijf of tien minuten wist iemand met een lang visnetstok de vechtende zwanen te scheiden. Het ene bijna verdronken mannetje was geheel versuft, en twee zwanenliefhebbers hebben hem via de weg naar een andere gracht, zijn eigen gebied gedragen, waar even later het bij hem horende vrouwtje met de jonge zwanen weer bij elkaar kwamen. Het de natuur, maar wel erg te weten dat vechtende zwanen elkaar kunnen verdrinken. Maar als de strijdende zwanen midden op de gracht aan het vechten zijn kun je niet zo veel doen. Gelukkig is het ook deze kaar weer goed afgelopen. Foto’s heb in maandagavond, 15 Juni 2020, genomen.

Mijn moeder, aan de telefoon, in haar huisje bij de ‘Sluis’ in Wijk bij Duurstede. Mijn ouders hebben altijd met veel genoegen en plezier, vanaf februari 1958 hier gewoond. Het kleine huis, prachtig gelegen achter de hoge populieren, half verscholen tussen oude hoogstamboomgaarden en de verderop gelegen weilanden, aan de voet van de dijk. Deze foto heb ik gemaakt op 6 Oktober 2005.

Twee volwassen Boomkikkers zitten in een braamstruik heerlijk in de zon. Dinsdagmiddag 9 Juni 2020, in de duinen bij Vogelenzang.

Ik ben vandaag een uur of 6 in de duinen bij Vogelenzang gaan wandelen en struinen. Plots zag ik tussen de biezen, een meter van de waterkant dit prachtig hertenjong. Toen ik stopte om de kleine beter te bekijken drukte het zich zachtjes tegen de grond. Ik ben op een paar meter afstand gebleven. Mochten jullie ooit zo’n diertje in de natuur tegenkomen, dan nooit, maar dan ook nooit aanraken !!! Ook niet even aaien helemaal niet aanraken !! Want anders wordt het door de moeder verstoten i.v.m. de vreemde geur van onze handen, en gaat het dood van de honger. Het is voor mij voor het eerst in mijn leven dat ik in de natuur zo’n prachtig jong hertje tegenkom. Dinsdag 9 Juni 2020.

Even iets anders. In de jaren 80, 90 en later fietste ik alleen, en soms met Lenie, van Almere naar Wijk bij Duurstede. Een afstand van ongeveer 80 KM. Wij overnachten dan bij moeder, en na een goed ontbijt, liefdevol gemaakt door moeder fietsten wij de volgende dag weer terug naar Almere. Bijna altijd gingen wij op de heen- of terugweg even bij tante Dina ( Wouters-Nokkert ), moeders oudere zus langs. Zij woonde samen met de vriendelijke ome Henk Wouters ,langs De Nieuwe Weteringseweg 187 in Maartensdijk. Die tante Dina was een prachtig mens, heel zuinig maar beslist niet gierig. Zo gauw je binnen kwam maakte zij koffie met een dik vel, en wilde zij eten voor je maken. Tante Dina verzamelde van alles. Haar schuurtje stond vol spullen. Zij had ook van oude lappen stof een soort van grote slaapzak gemaakt, waar zij dan gedeeltelijk inkroop als het koud was, en zo toch in haar schuurtje in de verzamelde spulletjes kon snuffelen. Zoals op de foto te zien is, snuffelde zij in de jaren 80 in de ‘Zak van Max’ en haalde voor haar bruikbare schoenen en gympen eruit. ‘Snap jij dat nou, dat mensen dat zomaar weggooien, in de oorlog zouden de mensen er erg blij mee zijn geweest, wat mensen nu zomaar weggooien’ zei tante Dina dan verbaasd. Ik had haar een keertje meegenomen naar Bilthoven. In een winkel, waar zij toch wel de aandacht trok met haar oude kleding, was zij volaandacht een paar rollen Mariakoekjes aan het bekijken en vergelijken. ‘Ja soms zit er in een rol koekjes eentje meer in, wist je niet he, met een glimlach mij schuin aankijkend. Na haar overlijden zijn enkele kledingstukken van tante Dina naar het museum gegaan. Op een van mijn fietstochten, zo omstreeks 1992, had zij moeite een van de Gemeente Maartensdijk ontvangen formuliertje in te vullen. Toen ik haar geholpen had, en binnen vijf minuten klaar was, wilde zij mij een briefje van honderd gulden geven voor de moeite. Ik heb het niet aangenomen. Ik wilde er echt niets voor hebben, en zei tegen haar dat ik blij was iets voor haar te kunnen terug doen. ‘Jij bent toch gek op oude spulletjes he’. Als dank moest ik bij hoog en bij laag een oud leren mapje, uit omstreeks 1920 van het nu verdwenen landgoed Beukenburg meenemen. Haar vader, mijn opa had daar vroeger gewerkt. Kijk tante Dina was wel erg zuinig, mijn moeder zei ‘Ach Dien heeft geld zat’. Maar zij was beslist niet gierig. Een goed mens was zij. En ome Henk kon met een glinstering in zijn ogen, prachtige verhalen vertellen van vroeger.

Misschien kennen jullie hem nog wel. Een prachtige kerel was Dirk van Noort uit Elst nabij Amerongen. Dirk, geboren in Ommeren in 1898, woonde op zijn grote boerderij ‘De Opslag’ aan de oever van de Rijn. Eind 80er en begin 90er jaren fietste ik alleen, en soms met Lenie als wij daar in de buurt waren wel eens naar hem toe. Zijn broer was jaren geleden al overleden. In het deel van de boerderij stond veel boerengereedschap, maar vooral visserspullen, oude bijenkorven, ijzeren kooien, etc. opgeslagen en kris, kras door elkaar. Het jaartal 1898 was ingebrand aan de zijkant van een houten kist. O ja Dirk is omstreeks 1969 dacht ik nog eens bij het programma ‘Showroom’ op de TV geweest. Hij geloofde niet dar de mensen op de maan waren geweest, en ach zoals hij het mij uitlegde, ja daar zat wel wat in. ‘Ze hebben gewoon mannetjes in pakken op een grote barg zand gefilmd, we worden allemaal bedrogen, ze kunnen alles wel filmen, en de mense geleuve het wel’ zo vertelde hij omstreeks 1988 aan mij. Als ik bij hem langs ging nam ik altijd een pak pruimtabak voor hem mee, waar hij blij mee was. Dirk was niet zo groot. Als ik toen wel eens met hem buiten achter de boerderij liep en hij dingen al pruimend vertelde, moest je goed oppassen dat hij zijdelings zijn pruimtabakssapstraal niet tegen je broekspijpen spoog. Zijn kin zat vaak vol opgedroogd pruimtabakssap, kijk maar eens naar de foto die ik van hem heb gemaakt. Naast zijn bed stonden aan beide zijden aan het hoofdeind twee jachtgeweren. ‘Als er ‘s nachts vreemden kome, zak ze verolme’ ,waarmee hij bedoelde vol gaten schieten. Soms kon hij ook een poosje niets tegen je praten, en leek hij verzonken in gedachten van vroeger dagen. Terwijl wij samen achter zijn boerderij over de rivier de Rijn kijken, en naar het aan de overzijde gelegen Gelderland, vraagt hij plotseling aan mij ‘Wit jij waar alle vlinders zijn gebleve, vroeger waren er honderden hier aan de rivier, ik snap er niks van, jij wel ? “Kijk hier met deze boot ging ik vroeger vissen op de Rijn, ja jochie toen zat hier nog vis…, In vroeger dagen is Dirk nog een verwoed imker geweest, en was bijna altijd aanwezig op bekende bijenmarkten in de omgeving, zoals in Veenendaal. Dirk had ook een aantal middeltjes voor diverse kwalen, zoals bij een vlooiebeet moest je de huid insmeren met vochtige pruimtabak. Bij de hik je neus kietelen met een ganzenveer. En een van de mooiste middeltjes vond ik wel, dat je bij keelpijn een vochtige opgerolde doek, of beter in een ongewassen sok, met daarin regenwormen om je hals moest binden. Een prachtig mannetje vond ik Dirk, ik mocht hem wel. Poe ..poe er zat nog wel pit in dat ouwe baasje. Ik ben blij met zijn bibberende hand geschreven naam ( 1989 ) in een van mijn boeken. Dit boek bewaar ik, met mijn gemaakte foto’s van hem als een dierbare herinnering aan Dirk.

Je komt ze zo weinig tegen. Maar wat blijven ze prachtig om te zien. Deze volwassen boomkikker ( ongeveer 4 of 5 cm groot ) zat heel stil, in het versluierde zonlicht, in een braamstruik. Het was dit keer weer heel goed zoeken tussen het groen van de braamstruik. Woensdag 3 Juni 2020.

Meer dan een uur zitten en staan wachten, op een zandberg, in de toch wel wat frisse wind, bij een vossenhol in de duinen bij Vogelenzang. En ja hoor daar is hij dan. Een van de jonge vosjes. Prachtig om te zien. Heel even zat het kleine vosje stil en keek naar mij. De Moervos was wat verderop tussen de lage struiken eten aan het zoeken. Woensdagavond, 3 Juni 2020.

Vandaag hebben Leentje en ik, op onze gewone fietsen, omstreeks 60 Km gefietst. Het was prachtig fietsweer. Ten zuiden van het Naardermeer, nabij de ‘Karnemelksloot’ stak plotseling een gek beest de weg over. Snel gestopt voor het verdwenen was tussen het geel verdorde gras van de berm. Ik kon mijn ogen niet geloven..een Veenmol. Nooit eerder gezien, ik ken hem alleen uit de boeken. Hij was lastig te fotograferen, omdat hij vrij snel kan lopen. Maar ik heb hem. Het ongeveer 5 cm groot insect snel even met mijn schoen tegengehouden. Ik was in twijfel op het diertje in mijn hand te nemen, omdat ik niet zeker wist of hij kon bijten, steken etc. De verleiding was groot, maar toch maar niet gedaan. De Veenmol valt onder de Orde van Krekels en Sprinkhanen, en is vrij zeldzaam in Nederland. Het leeft grotendeels ondergronds, in gangen net onder de oppervlakte op zoek naar voedsel, zoals insectenlarven, en wortels van planten. De Veenmol kan zowel voor- als achterwaart lopen in zijn gangen. Aan de voorzijde zijn nog net een klein stukje van zijn grote stevige graafpoten te zien. De Veenmol kan niet springen, daarvoor zijn de achterpoten te kort. Het is wel een goede zwemmer, en snelle loper. De volwassen dieren kunnen vliegen, maar daar is dan ook alles mee gezegd, het is een wat onhandige vlucht.

‘De landing’. Woensdag 27 Mei 2020.

Een van de oudste kiekjes uit de familie van mijn moeder. Het is de Oma van mijn moeders vader ( Jan Hendrik Nokkert uit Maartensdijk ). Haar naam was: Janna Nieteman en woonde in Laren. Zij is geboren op: 19 April 1814 en overleden op 31 Mei 1852 in Harfsen. Leuk he, zo’n kiekje van vroeger. Mijn moeder Jo Marchal-Nokkert ( geboren 13 Mei 1921 ) is bijna 97 geworden, en heeft de weinige foto’s die zij had van vroeger altijd dierbaar bewaard.

Gisteren ben ik te horen gekomen dat mijn karateleraar Ger Schuurman ( School: Shizentai, Stijl: Wado Ruy ) uit Almere afgelopen maart 2020 is overleden. Jarenlang heb ik bij Ger getraind ( Tot eind 2007 ). Hij was altijd gedreven, met een warm hart voor de karate- en vechtsport. Langs deze weg wil ik mijn dank kenbaar maken, voor de vele dingen die ik van hem heb mogen leren. In 1972 ben ik met 4 andere jongens ( Met o.a. Hans Korstanje ) in Wijk bij Duurstede bij Wijnand van den Broek, ( Een heel goede leraar, School: Shiai Jo, Stijl: Kyokushinkai ), als een van zijn eerste leerlingen, met karate begonnen, tot omstreeks 1983. Na verhuizing i.v.m. werk, van Wijk naar Almere in 1983, ben ik eind 2007, is was 55 jaar, met karate gestopt. In januari 2008 is suiker bij mij geconstateerd, waardoor ik een paar maanden flink ontregeld was. En bovendien had ik de laatste twee jaar in beide benen mijn hamstring gescheurd. De dokter zei ‘Misschien moet u iets rustiger aan gaan doen’. Tegenwoordig ben ik regelmatig aan het hardlopen, en maak met Lenie mijn vrouw lange wandelingen. Op bijgaande foto uit oktober 1992, v.l.n.r. Bery van Rassel, Ger Schuurman en geheel rechts ik. De foto is gemaakt door mijn vrouw Lenie Marchal.