Duiker bij de Genie. (Deel 1 ) Het is inmiddels alweer bijna 50 jaar geleden dat ik opgeroepen werd voor militaire dienst. Lichting 1972-3. ( van 15 mei 1972 tot 31 aug. 1973 ) In mijn gewone burgerkloffie in Utrecht, bij toen nog niet gesloopte oude treinstation in de trein, richting Den Bosch gestapt. Door het mooie landschap van mijn geliefde provincie Utrecht, over de oude indrukwekkende spoorbrug bij Culemborg, waar zoals moeder vroeger vertelde haar opa nog met paard en wagen overheen gereden waren, door het prachtige groene Betuwse land naar het NS station in ‘s Hertogenbosch gereden. De tijd lijkt nu ik wat ouder mag worden als droog rul zand tussen mijn vingers weg te glijden. Mijn militaire diensttijd is nu wel lang geleden, maar dank zij foto’s en wat aantekeningen en mijn krakend geheugen weet ik nog wel het één en ander. Bij het zien van de foto’s komen oude vervaagde herinneringen vanzelf weer naar boven, behalve een aantal achternamen van mijn dienstmaten die zijn in de loop der jaren weggeëbd. Hoe zou het met ze zijn ? Zouden zij allemaal nog leven ? Ook moeder had gelukkig tot haar overlijden een aantal brieven en kaartjes uit mijn diensttijd bewaard. Een mooie tijd was het eigenlijk geweest. Met een aan de voorzijde van het station in ‘s Hertogenbosch voor ons, nieuwe soldaten gereed staande bus, terwijl iedereen tijdens de busrit te horen kreeg van nu af aan onder militaire tucht te staan, werden wij een paar kilometer ten zuidwesten van Vught, naar onze bestemming, de ‘Lunettenkazerne’ gereden. Mijn gehele diensttijd, behalve een paar kleine onderbrekingen, zou ik op deze kazerne blijven. Deze kazerne is gelegen in een bosrijke omgeving, en nabij het mooie bosmeertje ‘De ijzeren man’ eveneens in Vught richting Helvoirt. In het begin had ik net als iedere andere soldaat een normale opleiding. Met o.a. exercitie, het in het gareel leren lopen van het peloton, wat ik het begin de nodige lol en gemopper gaf. Omdat toentertijd de kapsels van de nieuwe dienstplichtigen bij het in dienst treden niet tot meer een kort koppie afgeschoren werd, waren er mooie hilarische momenten met jongens die hun baret amper konden ophouden op hun soms weelderige uitstaande haardossen, dit soms tot ergernis van enkele netjes kaal geschoren kaderleden, die hoofdschuddend de langharige ‘ellendelingen’ moesten aanzien. Wij moesten als prille soldaten ( Bollen ) diverse dingen leren en oefenen, zoals o.a. stormbaan lopen, handgranaat gooien, schieten, hardlopen met volle bepakking, stormbaan lopen, etc. Natuurlijk waren er de droppings, met aan het einde van een uren durende lange wandeling met volle bepakking, in ons geval door o.a. de Loonse en Drunense duinen een schuttersputje graven met je kleine inklapbare pioniersschep. Althans het was de bedoeling om met z’n tweeën zo’n schuttersputje te graven. Iedereen kreeg iemand toegewezen om te samen te graven. Zo ook ik. Bij mij kwam een jongen te staan die geen vin verroerde. Hij was een wel overtuigde dienstweigeraar of hij barste van de heimwee. In ieder geval ging hij somber kijkend en niets zeggend in het zand zitten met zijn onderarmen voor zijn opgetrokken benen en voorhoofd op zijn knieën. In begin baalde ik van hem, maar later kreeg ik toch wel wat medelijden met de jongen toen ik hem daar zo zag zitten met die trieste blik in zijn ogen op de schaarse momenten dat hij even opkeek. Ik probeerde hem nog over te halen om mee te graven, maar nee hoor er was geen beweging in de jongeman te krijgen, ook niet door de sergeant. Dus zat er voor mij niets anders op om alléén het schuttersputje te graven. Na de graafwerkzaamheden en de lange wandeling kroop ik met kleding en al in mijn slaapzak op de zandverstuiving, en sliep als een hamster in de frisse heldere nacht, onder een wonderschone met ontelbare sterren bezaaide hemel. De volgende dag, na poepen en plassen nabij wat bomen marcheerden wij ongewassen soldaten weer richting de kazerne. De jongen waarmee ik het schuttersputje had moeten graven was een uitslaper en kwam ‘s morgens vroeg op de kazerne in de grote slaapzaal moeilijk uit zijn bed. Het ging echt niet goed met die jongen. Hij wilde nergens aan meedoen. Van het kader kreeg hij de opdracht als hij niets wilde doen maar de hele dag in de slaapzaal te verblijven. Na een paar dagen toen ik met wat maten op de slaapzaal terug kwam zat hij met opgetrokken benen en hoofd op zijn knieën bovenop een kast. Tot op de dag van vandaag vind ik knap hoe hij daar bovenop is gekomen. Een paar dagen later bij het ontwaken, er werd als wekker door iemand van het kader met een ijzeren staaf in een lange metalen buis gerammeld, was iedereen uit zijn bed en zich aan het wassen en aankleden om op tijd bij het ‘appel’ te zijn. De trieste dienstweigeraar en slaapkop lag nog in zijn bed. Wij wisten wel dat het een echte slaapkop was maar die ochtend was hij echt niet wakker te krijgen. Een paar jongens riepen zijn naam en trapten tegen zijn bed, maar zonder resultaat. Een soldaat, Willem die voor arts studeerde liet weten dat dit niet normaal was en schudde aan de weigeraar en probeerde hem wakker te krijgen. Echter zonder resultaat. Iemand gaf dit snel aan het kader door en vrij snel daarna werd de slaapkop door hospikken, militaire artsen op een brancard meegenomen. Enige dagen later zagen wij hem weer in zijn burgerkloffie met een vage glimlach op zijn mond, maar dit keer met voor ons onbekende sprankelde ogen, in de slaapzaal op zijn bed zitten. Hij had pillen ingenomen en wilde zelfmoord plegen zo liet hij wat schuchter weten. Hij was afgekeurd en kon weer als burger verder door het leven gaan. Toch wel triest zo’n jongen. Hoe zou het nu met hem zijn ? In de kazerne sliepen wij in stapelbedden met meer dan dertig man in een grote slaapzaal, wat in de eerste dagen echt wel even wennen was. Ik sliep boven ene Ben uit Den Haag. Die Ben was iemand met in het begin een grote bek, maar naar een paar weken hoorde je hem nog amper. Op een zondagavond terwijl ik, en de meeste jongen al lagen te slapen kwam hij strontbezopen de slaapzaal op. Hij hield zich staande aan mijn bedrand en liet een gore boer die mijn richting uitwasemde. Door zijn gerommel en gestommel en ranzige boer waren ik en nog enkele andere jongens wakker geworden. Sommige begonnen te mopperen op Ben en zeiden tegen hem, dat hij ‘zijn muil moest houwen en gaan pitten’. Hij kon nog amper op zijn benen staan. Vervolgens trok Ben zijn metalen kastdeur open en vroeg aan mij hoeveel procent alcohol in een uit zijn kast gepakte flesje hoestdrank zat. Ik had geen idee, maar door zijn drankkegel en gerommel was ik inmiddels helemaal wakker geworden. Zonder verder mijn antwoord af te wachten zette Ben het donkerbruine flesje aan zijn mond en klokte de zoete vloeistof met een paar grote slokken naar binnen, met een voldaan ‘aaaaahhhh’ geluid het lege flesje onder zijn bed weggooiend. Zonder zich van sommige wakker geworden en mopperende maten wat aan te trekken, liet hij zacht in zichzelf lachend als toetje een vochtige dronkenmansscheet waar hijzelf schijnbaar de meeste lol om had. Vervolgens kroop Ben met zijn schoenen en kleding en al in zijn bed, trok de dekens half over zich heen en was binnen de korstte keer vertrokken, maar snurkte als een bosvarken. Ik kon van zijn gesnurk in het begin niet slapen maar uiteindelijk door vermoeidheid zakte ik gelukkig weer in een diepe slaap. De volgende morgen zag Bens hoofd eruit als een nat bleek laken vol kreukels, had hij een paar uur daarna een wat minder goed humeur, en stonk vreselijk uit zijn bek. Tijdens de nachten in de grote slaapzaal lagen een paar jongens hard te snurken en anderen lieten in hun slaap onbewust of gewoon expres gore scheten. Relmatig als het voor sommigen, toen wij elkaar na een paar weken wat beter leerden kennen ‘s avonds te laat werd riep er wel eens iemand ‘Hou jullie nou eens je muil en ga meuren’, waarmee slapen bedoeld werd. Vaak hielp dat wel en zakte iedereen in een diepe slaap. Ik zou er nu niet meer aan moeten denken om met dertig man of meer in een slaapzaal te moeten overnachten, maar het was toen eenmaal niet anders, en alles went. Natuurlijk hebben wij met zu’n allen soms de grootste lol gehad. Zoals op die ene ochtend tijdens het wakker worden toen tussen twee jongens een kussengevecht als een geintje begon. Binnen de korstte keren was bijna iedereen elkaar aan het bekogelen met kussens en soms zweefden een paar matrassen een stukje door de slaapzaal. Het was in de vroege ochtend een geschreeuw en gebrul van jewelste. Iemand had met zijn pioniersschep de ijzeren stang waarmee wij ‘s morgens gewekt werden van de muur gewrikt. Allemaal hadden wij een hekel aan die bel wanneer wij in de vroege ochtend gewekt werden, als iemand van het kader ons waker maakte door met een ijzeren staaf hard tegen of in de holle de ijzeren stang te slaan. Eén of andere onverlaat had zelfs een waarschijnlijk net gescheten drol tegen de spierwitte slaapzaalwand gegooid. Want als een soort stinkende bruine banketstaaf lag hij gebroken en zijdelings gedeukt onder aan de muur op de vloer, maar wel een gore spettervlek op de muur achterlatend. Plotseling, waarschijnlijk op het kabaal afkomend stapte een majoor met een stokje onder zijn arm geklemd de slaapzaal in. In een fractie van een seconde alles aanschouwend en overziend, brulde met een door de zaal denderende stem dat iedereen als de gesmeerde bliksem alles weer in orde moest brengen en de troep opruimen, wij zouden hier meer van horen. Hij klakte zijn hakken tegen elkaar, draaide zich om en was weer even snel vertrokken. De lol was er voor ons grotendeels af. Iedereen zorgde er met gehaaste spoed dat zijn bed etc. weer in orde was. Eén of andere held, waarschijnlijk de schijter zelf, had zelfs met zijn pioniersschep de geplette mishandelde drol weggehaald. Alléén de ranzige bruine spettervlek op de muur was was als een soort aandenken nog zichtbaar. De van de muur losgewrikte bel lag netjes op een tafel. Beneden bij het ‘appel’ aangekomen liet de majoor ons met bulderende stem weten dat dit gedrag niet werd getolereerd en wij als reprimande deze dag een lange volle bepakkingsmars konden verwachten. Het werd die dag ook een stevige wandeling door de bossen rondom de ‘IJzeren man’ richting Cromvoirt en wijde omgeving, maar lol hadden wij met zu’n allen die ochtend wel gehad. In Cromvoirt kwamen sommige jongens er later achter, stond ‘Platte Annie’ achter de bar van een leuke kroegje. Ik ben er nooit geweest het zal wel goed zijn. In de weken daarna kreeg iedereen te horen dat mogelijk was om je op te geven voor een duikersopleiding, waaraan wel een paar strenge en zware lichamelijke en medische keuringen aan vast zaten. Het leek mij wel wat. Na drie medische keuringen waarvan een gehele dag in Hollandse Rading waar ik o.a. in een donkere ruimte de meest vreemde handelingen en allerlei testen moest verrichten was ik hiervoor geslaagd. Als laatste moest ik een hele dag lichamelijke testen bij de Marine in Den Helder doen. Tijdens o.a. een steeds zwaarder belastende fietstest moest ik regelmatig, tussentijds een aantal verschillende gassoorten inhaleren en werd er gekeken hoe ik hierop reageerde. Mijn longinhoud is, kreeg ik te horen, na een test van steeds dieper, dieper en nog iets dieper inademen, nog een beetje…, en vervolgens zo veel mogelijk alle lucht uit je longen proberen te persen, en nog wat, en dan nog wat, nog een beetje….gaf een arts aan. Dit alles een paar keer achter elkaar. Met nog drie andere toekomstige duikers, twee van de marine en ik van Genie moesten wij ons tot op onze onderbroeken uitkleden en kregen wij het verzoek om een overall zonder knopen en gympjes zonder veters aan te trekken. Met zijn zessen, drie duikers en drie artsen, stapten wij gebogen door de kleine deur een druktank in. Voordat wij naar binnen gingen, kregen wij aankomende duikers de nodige instructie zoals hoe je bij de oplopende druk in de tank je je oren kon ‘klaren’ om je luchtruimten in je hoofd aan de oplopende druk in de tank in balans te houden met de omgevingsdruk. Samen met drie doctoren, één tegenover iedere toekomstige duiker namen wij in een geheel kale geelgroen glimmende druktank plaats. Een zware metalen, met daarin een rond raampje met een wonderlijk dik glas voorziende deur werd met een doffe dreun aan de buitenzijde hermetisch afgesloten. Iedere duiker moest constant de tegenover hem zittende arts blijven aankijken. In het begin wat onwennig, maar wat moet dat moet. Ik keek liever een mooie meid in haar ogen dan deze vreemde maar wel vriendelijk tegenover mij zittende arts. Ergens bovenin de tank was een vaag sissend geluid hoorbaar en gelijktijdig zag ik op één van de meters in de tankwand een wijzer traag naar rechts wegdraaien. Een ieder, allemaal onbekenden voor elkaar praten over koetjes en kalfjes en de duikerwereld en wat onze verwachting hierin waren. Maar er waren ook momenten van stilte en was alleen het sissende geluid te horen. De doctoren gaven als herinnering aan om de paar minuten als je trommelvliezen gevoelig werden je oren ‘te klaren’ dat wil zeggen dat je moest proberen door je neus dicht te knijpen de druk in je mond en keelholte op te voeren door met dichtgeknepen mond en neus even bewust druk vanuit je longen in de keelruimte te persen. Bij deze handeling voelde de beide trommelvliezen iets kraken en weer goed ‘springen’. De traag bewegende meter bleef na zo’n 20 minuten hangen op 240. Later begreep ik dat de druk was opgevoerd tot een onderwaterdiepte van deze 240 meter. Er gebeurde verder niets, iedereen zat nog gewoon op de stak gladde bank in de tank. Onverwachts kroop de wijzer van de 240 meter weer langzaam richting de 0 positie terug. De deur werd even later geopend en wij konden naar buiten. Toen iedereen buiten de druktank stond zei een van de vriendelijke artsen ‘Nou heren jullie kunnen tegen zuurstofvergiftiging, het is maar dat jullie en wij het weten’. Op mijn vraag hoe zij erachter kwamen als je er niet tegen kon, liet de arts mij en de nadere duikers weten, dat je in de druktank dan bewusteloos was gegaan. ‘Wij vertellen dit ook nooit van te voren’ vulde de arts ons aan, want er zijn altijd mensen als zij van te voren weten wat er kan gebeuren zich al bij voorbaat niet lekker gaan voelen door eventuele spanning. Vandaar dat wij tijdens het opvoeren van de druk in de druktank met zuivere zuurstof de tegenover ons zittende arts constant moesten aankijken zodat hij bij het minste vermoeden dat het niet goed met je ging de nodige handelingen kon verrichten, en je niet op de druktankbodem smakte. De zuivere zuurstof die in de tank gepompt werd was ook de reden dat aan onze overall geen knopen en aan onze gympjes geen veters mochten zitten die misschien een klein vonkje zouden kunnen geven, en niemand mocht iets of wat dan ook in zijn overallzakken meenemen. Bij het kleinste vonkje zou iedereen in de volgepompte druktank verbranden. Maar er bestond ook zoiets als de ‘Martiniziekte’ die tijdens het duiken zomaar onverwacht kon opduiken. Door de waterdruk op je hersenen kon je als duiker in een soort schijndronkenschap terecht komen en in het ergste geval zou je met je ‘bezopen kop’ het buitenkraantje bij de ademhalingsautomaat van je duikerspak open kunnen zetten, of je masker van je hoofd trekken waardoor je zou verdrinken. Zou je bij deze Martiniziekte verschijnselen onder water een paar meter stijgen waardoor de druk op je hersenen zou afnemen, dan verdween deze schijndronkenschap. Het was maar goed dat wij als aankomende duikers op diverse dingen getest werden. Maar alle testen die ik de diverse keuringsdagen had gehad gingen goed, zoveel de geestelijke, hoe is het mogelijk, en de eveneens de lichamelijke. Ik was goed gekeurd om een duikersopleiding van een paar maanden te gaan volgen, bij de Genie in Vught. Wij Genieduikers, waren de enige duikers, totaal een stuk of 14 dacht ik, bij de gehele landmacht en kregen onze opleiding bij ‘Crevcour’ in een haventje langs de Maas, ten noorden van het dorpje Engelen en zuiden van het aan de overzijde van de Maas gelegen dorp Hedel. Het wonderlijke is in militaire dienst dat iedere soldaat zijn opdrachten moet uitvoeren. Alléén als duiker bij de Genie kon je in vredestijd opdrachten van het kader die jij niet wilde doen weigeren. Persoonlijk heb ik tijdens mijn duikersopleiding en daarna van deze mogelijkheid nooit gebruik gemaakt. Van de honderd jongens die zich opgaven voor de duikleiding kwamen ongeveer twee of drie door de diverse testen en keuringen. Dagelijks, door de weeks reden wij duikers, duikerhelpers en jongens van de vaartuigendienst die ook in Crevcour en omgeving op de Maas met hun houten- en rubber boten op de Maas oefenden vanuit de Lunettenkazerne naar Crevcour. De buschauffeur deed altijd, zowel op de heen- als terugrit de radio aan en zo bleef iedereen een beetje op de hoogte van de top 40 en toen populaire muziek. Het was op een of andere manier altijd wel gezellig tijdens deze busritten. Sommige mooie muzikale herinneringen heb ik nog wel aan deze busritten overgehouden, zoals ‘WOLD’ van Harry Chapin, de prachtige nummers van CCR en de Moody Blues en mijn maat vond ‘She was naked’ van Supersister helemaal te gek, Tot op de dag van vandaag zijn deze muzieknummers als prettige momenten in zijn geheugen blijven hangen. Zo reed de bus ook tijdens iedere rit van de kazerne naar Crevcour en aan het eind van de middag weer terug door ‘s Hertogenbosch. De meeste jongens lagen half te pitten aan het eind van de dag of waren wat met elkaar aan het ouwehoeren, of half onderuit gezakt naar de muziek te luisteren. Het gebeurde wel eens, als de bus in ‘s Hertogenbosch voor een rood verkeerslicht stond te wachten dat een langharige mooie blond gelokte meid op de fiets naast de bus eveneens voor het rode licht stond te wachten. De jongens waarvan bij iedereen de hormonen door hun lichamen gierden hadden natuurlijk het jonge ding snel in de gaten en begonnen te roepen en op de ramen te kloppen. Arm kind. Bliksemsnel stonden een aantal jongens aan de andere kant van het voetpad in de bus op, en probeerden zij allen aan de kant van de bus waar het inmiddels rood aanlopende meisje bij haar fiets stond, wat van het jonge ding te zien. Het gevolg was dat de bus naar de zijde waar het meisje stond schuin te begon over te hellen. De chauffeur begon te mopperen en de sergeant begon te roepen en te glimlachend te schelden dat iedereen ‘Stelletje geile pisvlekken.’ weer op zijn eigen plek moest gaan zitten en het meisje met rust moesten laten. Mopperend ging iedereen weer op zijn eigen plek zitten, terwijl de bus nog traag wat na wiebelde en de rit vervolgd kon worden. Ach er is nog zoveel te vertellen. In de lange avonden was er eigenlijk heel weinig te doen in de kazerne. Ja er was een compagniebar waar een biertje 25 cent koste als ik het goed heb onthouden. Sommige jongens zaten uit puur verveling iedere avond in deze bar. Maar ik heb er eigenlijk nooit wat aan gevonden, de bar was leuk ingericht maar daar was alles dan eigenlijk mee gezegd. Ik ging liever één of twee keer in Den Bosch naar de bioscoop. Toch had ik met een aantal maten op een avond wat biertjes gedronken in de compagniebar en even later op weg naar onze kamers in een, de dag daarvoor witgekalkte lange kazernegang gevoetbald. Lange donkergrijze vegen, daar waar de bal langs de kraakwitte wanden was afgeketst bleven donkergrijze ovale vlekken achter op de muren. De volgende dag moesten alle voetballers bij de ‘ouwe’ op het matje komen, en zoals verwacht hield hij een donderpreek. Een weekend staf, dus geen weekendverlof was het gevolg, en een extra nacht wachtlopen bij de kazernepoort. Bovendien moesten wij alle WC potten en douches op onze vleugel kraakhelder schoon poetsen. Met borstels, gloor en andere troep poetsen mijn maten en ik de oude vastzittende strontvegen en geelbruine gekristalliseerde pisranden die in de potten aangekoekt waren zo goed mogelijk weg. Een gore klereklus. De dagen daarna werden de voetbal gevlekte wanden weer zoals voorheen door twee schilders in helder wit overgeschilderd. Wat wij ook wel eens bij elkaar deden als iemand lag te slapen ‘murren’ noemden wij dat, werd bij het voeteind het bed opgetild en tegen de muur gedrukt, zodat de slapende al wakker wordend tussen bed en muur naar beneden schuin op de vloer zakte. Met een hoop gemopper en daverende harde klad trapte de plots ontwakende zijn bed weer op de vloer en bracht vervolgens al mopperend zijn matras en dekens weer orde om even later weer proberen verder te slapen. Hetzelfde werd wel een geflikt met de kledingkast die vlak voor het vrijdagverlof door een van de kaderleden geïnspecteerd werd of alles netjes en ordelijk in de kast lag. Als je vlak voor de inspectie b.v. even ging pissen, en je stond twee minuten later in de houding naast je kast, hadden je maten tijdens jou plasmoment de kast al schuddend naar voren getrokken tot vlak aan de grond en hem daarna zo voorzichtig mogelijk weer op de goede plaats overeind gezet. Deed je bij de inspectie door een sergeant of majoor, of weet ik veel wie, je kast open dan viel bijna de helft van de kastinhoud op de grond en kon je vlak voor je weekendverlof alles weer netjes opstapelen en je kast in orde brengen. Ja ik heb een hoop lol gehad, maar ook momenten van verveling, vooral in de avonduren. Mooie, leuke maten heb ik ontmoet ! Zoals Japie, ja die langharige Japie Verhoeven uit Ridderkerk die zijn bovenste oogleden kon dubbelklappen, Ad Versluis uit Colijnsplaat, een goedlachse vriendelijke kerel met zijn grote snor en droge humor. Ron de Wolf, met de bijnaam ‘Zeepoog’, de kleine man met zijn Haags accent “Wil je nou gauw effe opzoute’ of ‘ik sla je tanden uit je muil’ waren een paar van zijn veel gebruikte uitdrukkingen. Wat een lol heb ik met hem gehad. Een kleine man, met een grote bek, maar met een hart van goud en iemand die je nooit liet barsten. Klein van lengte maar een kei van een kerel. En de altijd zachtzinnige en aardige Gerrit Scholten die langs het Binnenpad in Gierhoorn woonde. In afgelopen jaren heb ik naamgenoot Gerrit, in Giethoorn nog wel eens opgezocht. Hij woonde in een grote boerderij gelegen aan het Binnenpad nummer 84 dacht ik . ‘Kom Gerrit, kom jong’ zei hij tegen mij. ‘Kom jong, dan gaan we een stukkie varen over de plassen’. Wonderschoon is het plassengebied rondom Giethoorn en omgeving. Ik bel hem ieder jaar rondom de Kerstdagen. Verder was er nog de altijd keurig geklede Cor Bakker uit Bovenkarspel. Mijn duikersmaat Boy Evenboer uit Zevenaar, die altijd wat scheef, de 83 kilo torsend in het standaardduikerpak stond, is zo triest ongeveer een jaar na het afzwaaien tijdens een auto-ongeluk is verongelukt. Vreselijk voor zijn ouders om hun zoon zo te verliezen, en kinderloos achter te blijven. Gijs… ja die maffe Gijs uit Ede, die na zijn diensttijd bij het bergingsbedrijf Wijsmuller is gaan werken als duiker. O ja, natuurlijk was er nog de ‘superdrukker’ uit Petten, ík ben zijn naam even kwijt jammer ! Hij probeerde zoveel mogelijk bij de vaartuigendienst zijn snor te drukken, en lag het liefst de hele dag op zijn nest te stinken. Piet van de Berg uit Rotterdam dacht ik, die helemaal verliefd was op zijn vriendin Marjet of zoiets. Veel achternamen ben ik jammer genoeg vergeten, ik had ze vroeger beter kunnen opschrijven. Mooie figuren, sommige met grote bekken en andere stil en zachtaardig. Met de superdrukker uit Petten, stom dat ik nu niet op zijn naam kan komen, ben ik in 1973 op twee prachtige zomerse strakblauwe hemeldagen gaan zwemmen en zonnen in het zwembad in de ‘IJzeren man’, het mooie bosmeer. Toen wij woensdagmorgens weer op ‘appel’ kwamen, moesten wij tweeën zoals wij wel hadden verwacht verklaren waar wij de afgelopen maandag en dinsdag waren geweest. Met bruin verbrande koppen vertelden wij eerlijk dat wij twee dagen in en bij het zwembad hadden doorgebracht. De majoor schudde zijn hoofd. Wij, de superdrukker en ik moesten weer bij de ‘ouwe’ op het matje komen en alles nogmaals onze gezamenlijke afwezigheid verklaren. Weer werd een weekverlof ingetrokken en wederom een extra lange nacht wachtlopen aan de kazernepoort met gevolg. Maar de superdrukker en ik hadden twee heerlijke dagen gehad. Het gebeurde ook wel eens dat wij ‘s nachts als wij in Vught te lang ik een kroegje waren blijven hangen en daardoor te laat bij de kazernepoort zouden komen met gevolg van een aantekening, en later eventuele bijbehorende straf door de ‘ouwe’. In het hoge hek wat om de kazerne was geplaats was ergens een gat geknipt waardoor via een geheim pad door het bos toch nog op het terrein kon komen. Maar je moest natuurlijk niet gesnapt worden door kaderleden. De gewone militairenjongens die op wacht liepen, waren wel begripvol als ze ons toevallig zagen. O ja dat is waar ook. wij jongens hadden een uitdrukking die wij van de kleine Ron uit Den Haag ons hadden aangeleerd en die we een tijdje te pas en te onpas gebruikten, nl. ‘Ik sla je tanden uit je muil’. Zo ook zei de superdrukker dat voor de gein tegen een jongen toen wij op het strandje van het zwembad in de IJzeren man met een ongeveer 17 jarige jongen in gesprek raakten. Glimlachend zei de jongen ‘dat hoef niet meer’ terwijl hij tot onze verbazing zijn bovenste kunstgebit uit zijn mond haalde en het ons liet zien. Wij drieën lagen dubbel van het lachen. Maar om even op mijn duikersopleiding terug te komen. Op het militaire terrein bij Crevcour stond een grote watertank met aan de voorzijde een paar dikke glasplaten. De allereerste keer werd je als aankomend duiker in een 83 kilo wegend standaardduikerspak ‘gehesen’ en via een klein trap kon je afdalen in de grote glasheldere watertank. Een standaardduikerspak is een echt werkpak met de ouderwetse aandoende ijzeren helm. 83 kilo lijkt veel, en is ook veel gewicht, en in het begin als je het pak voor het eerste paar keer aanhebt is het wel even wennen, maar eenmaal onder water met de goede luchtbel rondom je bovenlichaam ben je bijna gewichtloos, en kun je net als de mannen op de maan van die zweverige sprongen maken, maar onder water natuurlijk lang niet zo ver dan op de maan. Je bleef bij je allereerste duik in de watertank ongeveer een goede twintig minuten onderwater. De 2e keer kreeg je opdracht en als oefening met een gasbrander ( een luchtbel werd onder water om de vlam geblazen ) een plak van een metalen plaat die zich in een stellage was vastgeklemd los te branden. Een dikke bruine borrelende luchtbellenstroom belemmerde grotendeels het zicht waar je moest branden. Na enige oefening kon je zelfs figuurtjes, b.v. een poppetje in een metalen plaat branden. Een poppetje branden, in mijn geval Calimero, klinkt kinderachtig maar was wel goed voor je coördinatie. De 5e of 6e keer ging je voor het eerst echt in buitenwater, met veel minder of geen zicht duiken, hier begon het echte duikwerk. Van één van de duikersschepen, een ‘Kempenaar’ stapje je via de buitenboord hangende metalen afdaaltrap de haven in. Een duikerhelper hield jouw lucht- en seinlijnen strak. Dat was een geheel nieuwe en best wel spannende ervaring. Zodra mijn hoofd onder water ging kleurde het havenwater lichtgeel en al verder naar beneden zakkend ging het lichtgeel snel over in donkergeel en daarna in een intens zwarte duisternis ook mede veroorzaakt door opborrelend bodemmodder. Ook al hield je je hand tien centimeter voor duikerhelmglas dan zag je niets. Ik kan mij nog mijn eerste buitenwaterduik goed herinneren. Met een snel kloppend hart en zeker verhoogde bloeddruk kroop ik op de havenbodem aangekomen van het schip vandaan, en was wat opgelucht toen ik na verloop van tijd via de seinlijn de opdracht kreeg weer richting de kempenaar, het duikersschip over de havenbodem naar de afdaaltrap terug te kruipen. Duiken in een volslagen duisternis is echt wel even wennen. Vele geluiden zijn totaal nieuw en onbekend voor je. Wat gehaast en gespannen haal je adem. Met verhoogde hartslag en bloeddruk kroop in het donker over een modderige havenbodem. Vreemde onbekende geluiden hoor je, zoals je eigen, in je duikerspak vreemd klinkende ademhaling. Een overvarende boot van de jongens van de vaartuigendienst hoor je van ver met een steeds krachtiger geluid van de draaiende schroeven schuin boven je langs gaan en in de duisteren verte het schroefgeluid langzaam wegebben . Wat klonk dat schroefgeluid gek en helder onder water. Maar met kloppend hart en trots het goed volbracht te hebben stond ik na mijn eerste buitenduik geholpen door de duikerhelpers weer op het dek van de Kempenaar. Het ergste had ik gehad dacht ik in mijn onervarenheid. Eén van de duikers van een lichting na mij raakte bij de eerste duik in het donkere haven water in zijn duikerspak in paniek. Hij had via de seinlijn het ‘noodsignaal’ naar de aan dek staande duikerhelper doorgegeven. Zo snel mogelijk werd hij uit het water naar boven gehaald en op het dek uit zijn duikerspak bevrijd. Met wijd open staande angstige ogen en zweetdruppels parelend van zijn rood aangelopen glimmend hoofd zie ik hem nog naar adem snakkend op het dek op een houten bank zitten. De majoor probeerde de duiker, toen hij weer enigszins gekalmeerd was nog over te halen om zijn angst te overwinnen en gelijk weer onder water te gaan, wat de beste manier was om zijn angst te overwinnen. Maar aankomend duiker liet weten voor geen goud meer onder water te gaan in zijn duikerspak. De rest van zijn diensttijd is hij duikerhelper gebleven. Hij hielp dus de duikers bij b.v. het afdalen en uit het water komen, en stond in het gangboord aan de reling met de luchtslang en seinlijn in beide handen van de onder water werkende duiker. Ondanks alle testen tijdens de keuringen kon het tijdens het echte duiken dus alsnog mis gaan. Ikzelf ben onder water in mijn aqualongduikerspak ook door hyperventilatie overvallen, maar daarover straks meer. Ik hoop zoiets nooit meer mee te maken. Bij de Genie hadden wij drie soorten duikerspakken. nl 1 ) Het ‘Standaardduikerspak’, een werkpak met de welbekende grote ijzeren helm waarin de jouw benodigde ademlucht via een dikke slang door middel van een pomp aan het dek naar beneden in je duikershelm werd gepompt. 2 ) Het door de Fransman Jacques Cousteau ontworpen ‘Auqualongduikerspak’. Twee gele zuurstofflessen hangen met aan je lichaam omgebonden gordels op je rug. En als laatste het ‘Mijnenzoekpak’. Bij dit bijzondere duikerpak was voor aan je borst een soort rubberlong en een grote metalen bus gebonden die voor iedere duik met verse ‘Protosorb’ korrels werd gevuld. De door de duiker uitgeademde lucht werd door deze korrels gedeeltelijk gezuiverd en via de aan de voorzijde van je borst hangende rubber long kon je een minuut of vijf met de door de korrels gezuiverde lucht ademen zonder dat zoals bij de andere duikerspakken de lucht constant vanuit je duikerspak naar de oppervlakte stroomde. Het doel van dit mijnenzoekduikerspak was dat in een oorlogssituatie de aan de oppervlakte zijde vijand niet kon zien waar de mijnenzoekduiker zich bevond. Alleen na iedere vijf minuten moest de duiker als het zuurstofgehalte in de rubber long steeds minder werd en het ademen steeds minder makkelijk, de rubberlong met beide handen gelijktijdig geheel leegdrukken, zijn adem inhouden en vervolgens deze bijna lege long weer met zuivere lucht uit een op de rug gebonden zuurstoffles bijvullen. Alléén op het moment van het leegdrukken van de rubberlong stroomde borrelend een grote luchtstroom naar de oppervlakte, maar voor de duiker zijn eigen veiligheid moest hij in oorlogstijd snel wat verder gekropen zijn in welke richting dan ook, zodat hij vanaf de oppervlakte moeilijk te lokaliseren was. Maar iedereen vond het niet prettig om in het Mijnenzoekpak te duiken, vaak hield je er een paar uur een soort lichte hoofdpijn aan over. Eigenlijk had je in het standaardduikerspak nog de meeste bewegingsvrijheid en bovendien met een wat krakende microfoon verbinding met de oppervlakte. Omdat wij duikers bij de Genie bijna altijd over de bodem van havens, grachten, meren liepen, kropen en werkten was onze omgeving intens aardedonker. Dat was in het begin echt wel wennen. In het Mijnenzoekpak en Aqualong had je constant een mondstuk in je mond waardoor je zuurstof uit je flessen inademde. In het standaardduikerspak, ja die met de grote ijzeren helm kon je gewoon praten, de benodigde ademlucht werd via een dikke slang vanaf het dek schuin boven in je helm gepompt. Ieder standaardduiker had altijd een rood wollen muts op, en onder het duikerspak een grof wit wollen lange pijpenbroek en langarmig hemd als bescherming tegen de kou en waterdruk. Zomer en winter werd er door ons door de weeks gedoken. En wij duikers kregen gevarengeld, In de zomermaanden kreeg toen ik in 1972 -1973 tot 15 meter 25 cent per minuut, en beneden de 15 meter 50 cent per minuut. In de wintermaanden werd dit bedrag verdubbeld. Dus was je in de winter beneden de 15 meter kreeg je een gulden per minuut, en dat was toen een heel bedrag. 60 gulden per uur. Meestal bleef je ongeveer een uur onder, en deze duiktijden werden netjes en secuur door het duikkader in een logboek bijgehouden, en het gevarengeld kreeg je een maand later extra bij je soldij uitbetaald. Het langste wat ik onder water ben gebleven was ongeveer tweeënhalf uur. Een onder water gelaten ‘Baileybrug’ dat is een verplaatsbare brug die uit losse elementen is opgebouwd, was in een rivierbodem gedeeltelijk in de modder en zandbodem weggezakt. Samen met een van mijn duikersmaten werd door het kader aan ons gevraagd of wij tweeën de brugdelen uit elkaar wilden halen. Met een moker en soort katoenen zak gingen wij onder water. In het volkomen duister en op gevoel sloeg ik de dikke ijzeren bouten uit de brugdelen en deed deze in een zak die na een stevige ruk door mij aan het touw waar de zak aan verbonden was naar de oppervlakte opgehaald en even later weer door mij naar beneden gehaald voor de volgende lading bouten en pennen. Als je lang onder water verblijft gaat het tijdsbesef verloren, een onderwaterhorloge hadden wij niet, in het volledig duister en opborrelde modder kon je totaal niets zien op een duikershorloge. Maar laat ik zeggen, na omstreeks een uur dacht ik hoorde ik de krakerige microfoonstem in mijn Standaardduikerspakhelm dat mijn duikersmaat naar boven was gekomen en zich niet lekker voelde. Er werd aan mij gevraagd of ik alléén de brug verder te demonteren, of dat ze nog een andere duiker moesten aankleden. Ik liet weten het verder wel alléén te doen, maar dat het i.v.m. in de bodem weggezakte brugdelen het moeilijk werken was. Het ging soms heel lastig om uit de in de modder en zand weggezakte brug de benodigde bouten los te slaan, en het duurde allemaal veel langer dan ik had verwacht. Maar uiteindelijk was ik klaar en bleek dat ik een dikke tweeënhalf uur onder water was geweest met door mij in volledig in het duister aan de brugdelen vastgemaakte kabels werden de losse brugdelen stuk voor stuk omhoog gehesen. Op een goede, ik kan beter zeggen kwade dag ging ik in mijn duikerspak onder water. De dag daarvoor was ik ‘s middags bij de tandarts geweest, die in een kies een vulling had geplaatst. Alles leek ogenschijnlijk goed gegaan te zijn bij de beste beul. Maar op het moment dat ik de dag daarna onder water ging begon mij geboorde en gevulde kies een stekende pijn te geven, en naarmate ik dieper zakte werd de kiespijn laat ik zeggen ondraaglijk. Waarschijnlijk was er onder de vulling zoals wij tijdens de duikopleiding ook hadden geleerd een piepklein luchtbelletje onder de vulling blijven zitten die door het drukverschil tijdens het duiken op mijn zenuw ging werken. Toen ik weer opsteeg en uit het water kwam werd de kiespijn minder maar ik had de verdere dag een pijnlijk gevoelige kies. ‘s Avonds na het eten bekroop mij het gevoel dat ik de komende nacht met die zeurende kiespijn de komende nacht geen oog dicht zou doen. Na veel gepeuter en gepiel heb ik voor de spiegel in de grote toiletruimte met een vork de vulling uit mijn pijnlijke kies gebroken. Na verloop van een half uur zakte mijn kiespijn weg en had ik een goede nachtrust. De volgende dag ben ik terug naar de militaire tandarts gegaan, die nu met extra zorg mijn kies opnieuw vulde. Daarna heb ik gelukkig ook nooit meer last gehad met deze kies. Wat mij nog even te binnen schiet is dat tijdens de opleiding wij een schalm, dat is een kettingring, van een dikke scheepsketting onder water op een soort ijzeren aambeeld, die ze vanaf het dek op de havenbodem hadden laten zakken, moesten loshakken. Met een katoenen tas met een flinke moker en ijzeren beitel kroop ik onder water in het donker naar het aambeeld dat gedeeltelijk in de bodem was weggezakt. Op het gevoel legde je de scheepsketting op het aambeeldje. Vervolgens op de tast plaatst ik zo goed mogelijk de beitel op de schalm die ik moest loshakken. Met de moker sloeg ik in volkomen duisternis op de beitel. De mokerslag, in het begin voorzichtig ging één of twee keer goed. Maar Ja, je voelt het al aankomen. ‘Aauuww…gloeiende, gloeiende….. kloteding. Ook enkele keren bij het krachtiger slaan kwam de moker net niet goed op de beitel, ketste af en raakte mijn zijkant en knokkels van mijn linker vuist waarmee ik de beitel vasthield. Een stekende vlammende pijnscheut schoot door mijn hand. Ik heb er de dagen daarna ook een flinke blauwe plek en geschaafde knokkels op mijn linkerhand aan overgehouden. Maar na enig oefenen en gemopper in het duister, en de wil ‘van ik kan het, en ik wil het ! kreeg ik het gevoel, coördinatie en handigheid te pakken en scheidde de schalm zich van de dikke scheepsketting. Ik schalm al die jaren nog bewaard en hij ligt ergens in mijn boekenkamer. Trouwens over kettingen gesproken. Tijdens takelwerkzaakheden met de kraan op het duikersschip stonden ik en nog een paar man op het dek. Een of ander zwaar ding moest van de kade de haven in getakeld worden. Plots knapte ergens de ketting en deze zwiepte als een waanzinnige slang over het dek en verdween al ratelend met veel kabaal over de scheepsrand in de haven, een kolkende watermassa achterlatend. Ik, en waarschijnlijk iedereen schrok hevig. Ik een reflex trok in mij op in het wand, mijn benen zover mogelijk omhoog trekkend. Ik zag ik de gebroken ketting onder en naast mij over het dek zwiepen. Gelukkig raakte niemand gewond wat een wonder was. Maar de schrik zat er bij iedereen even goed in. Als een soort ontlading stond iedereen voorover gebogen hard te lachen, maar even later ook dankbaar dat alles goed afgelopen was. Ook nu nog, als er ergens takelwerkzaamheden zijn blijf ik op veilige afstand. Ook een tiental kopen moesten wij als duiker leren en deze onder water om een dikke paal kunnen maken, die later boven water door het kader gekeurd en beoordeeld werden. Zoals o.a. De Paalsteek, Mastworp, Halve steek, Vissersknoop, Platte knoop enz, maar ook het ‘Oud wijf’ een foutieve knoop die ogenschijnlijk goed lijkt naar bij te hoge trekkracht weer los schuift met alle eventuele gevolgen van dien. Een andere leuke en uitdagende opdracht was onder water een houten kistje in elkaar timmeren. Waarom zal je, je misschien afvragen ? Het waren allemaal werkzaamheden om een duiker in opleiding behendigheid en coördinatie te leren in volkomen duisternis. Met een touw met dwars daardoorheen de afgetelde spijkers gestoken, hamer en zes plankjes ging ik onder water. Je kon punten verdienen met het uiteindelijke resultaat. Met één hand de afdaaltrap goed vasthoudend en in je andere de zes plankjes en hamer. Zodra je onder de wateroppervlakte verdween, wilden de plankjes gaan drijven. Goed vasthouden dus was noodzakelijk. Op de bodem van de haven ging ik in mijn standaardduikerspak zo goed mogelijk gehurkt zitten, drukte vijf plankjes in mijn kruis en klemde alles zo goed mogelijk tussen mijn benen bij elkaar. Het eerste plakje drukte ik zo diep mogelijk in de modder en controleerde of hij niet ging drijven door mijn hand een klein stukje boven het plankje te houden. Met mijn andere hand pakte het tweede plankje trok ik een spijker uit het touw wat rondom mijn nek gebonden was , hem goed vasthoudend, want in de modder zou ik hem nooit meer terug vinden. Wat een gepiel, gepruts en gemopper, constant wilde het plankje naar boven drijven ging ik aan de slag. Maar uiteindelijk, als een uitdaging het goed af te willen werken had ik na wat gemopper en gepruts een mooi kistje gemaakt. Ik was er trots op, want geloof mij het valt echt niet mee onder water in volkomen duisteren met eigenwijze plankjes die constant de neiging hebben naar de oppervlakte te drijven een goed kistje te maken. Een andere echt vervelende en uitdagende oefening was, ik heb die tijdens mijn duikersopleiding twee of drie keer gedaan was een oefening om jezelf tijdens een duik in een gezonken schip te kunnen redden mocht je onverwachts vast te komen zitten. Op de wal stond een soort L vormige ijzeren geknikte tunnel. In de bijna even lange zijden van de tunnel, die in het midden haaks geknikt was, waren schuin diverse ijzeren stangen gelast. De metalen tunnel werd met de kraan van het schip van de wal naar de havenbodem gehesen, waardoor hij door zijn gewicht wat in de modder en het zand wegzakte. Nu was het de bedoeling, als oefening dat de duiker in een benarde situatie zoals bij wrakduiken, wat heel gevaarlijk kan zijn, zichzelf kan redden. In het gehelmde standaardduikerpak ging ik naar beneden. Op gevoel in volledige duisternis kroop ik over de havenbodem richting de tunnel en doordat ik mijn ijzeren helm tegen de tunnelrand botste wist ik op de tast de ingang te vinden. Nu is het zo, dat als je gewoon in een standaard duikerspak op de havenbodem aan het werk ben, je moet zorgen dat er boven je brede riem voldoende lucht is rondom je bovenlichaam. Ook niet teveel anders bestaat het gevaar dat je onverwachts als een pijl naar de oppervlakte schiet, met alle gevolgen van dien, zoals gescheurde trommelvliezen en caissonziekte, afhankelijk de diepte waarop je zat. In de tunnel kroop ik met kloppend hart naar voren. Het was een krap ding en al vrij snel voelde ik de eerst schuin in de tunnel gelaste stang. Hup zo voorzichtig mogelijk schuin in mijn duikerspak, diverse keren mijn helm stotend, er onderdoor, bij de volgende schuine stang er overheen enz. De luchtbel rondom mijn borstgedeelte had de neiging als ik schuin naar beneden kroop om tussen mijn brede riem door naar mijn billen en benen te kruipen. Dat mocht absoluut niet gebeuren daar ik anders zou kunnen stikken door zuurstoftekort of verdrinken doordat mijn hoofdgedeelte vol havenwater zou kunnen lopen. Gelukkig viel het allemaal nog mee. Maar het was zweten, mopperen, met flink kloppend hart, maar ook de wil om het goed te volbrengen gaf mij moed om door te zetten. Wat er ook mocht gebeuren ‘doorzetten’ ging er door mij heen. Via mijn manchetten voelde ik het koude water langs mijn benedenarmen mijn duikerspak insijpelen. Uiteindelijk na de lastige knik in de tunnel kwam ik boven water. De heenweg was gelukt. De zweet stond op mijn hoofd. Nu kwam het nog lastiger gedeelte, de terugweg, want dan zou ik ook moeten zorgen dat mijn lucht- en seinlijn mijzelf niet in de weg zaten. Het vervelende was dat tijdens het terug kruipen de zware loden borst- en ruggewichten regelmatig achter de schuin gelaste stangen bleven hangen. Niet in paniek raken schoot regelmatig door mij heen, nadenken ! Wat moet ik doen…rustig blijven… nadenken ! Ondanks dat het ijzige water via mijn manchetten in de kleine gleufjes tussen mijn gespannen spieren en pezen langs mijn benedenarmen naar binnen sijpelde, kroop ik op de terugweg over en onder de schuine stangen terug. Mijn seinlijn en luchtslang nam ik gelijktijdig mee terug en gelukkig werden die bovendeks zo goed mogelijk door de alerte duikerhelper ingehaald. Het zweet liep in kleine vervelende straaltjes langs mijn gezicht en drupten mijn kraag in. Uiteindelijk, en echt…. ik was echt opgelucht en trots op mijzelf dat ik de tunneloefening had volbracht was ik weer terug bij het beginpunt van de tunnel. Natuurlijk is deze vervelende oefening niet voor niets, want niets is zo gevaarlijk als duiken in een gezonken schip of wrak. Je luchtslangen kunnen afgekneld of zelfs afgesneden worden, en bovendien zou een wrak kunnen verschuiven met alle gevolgen van dien. Aan dek, zomer en winter werd je door de duikerhelpers uitgekleed tot op je wit wollen ondergoed. Benedendeks deed je het wit ruig wollen ondergoed uit en je normale militaire pakkie weer aan. Zomer en winter werd er op doordeweekse dagen gedoken. Maar in de winter moest je ook, en dat waren vele keren gewoon een uur onder water op dezelfde plaats in je standaardduikerspak stil staan om je lichaam aan de kou te laten wennen. Een uur stil staan in de winter is lang, zeker in een volkomen duisternis. Het eerste half uur, voor zover je enig idee van tijd had ging nog wel. Het laatste kwartier was afzien, echt afzien. Je kreeg het steeds kouder en soms begon je lichaam te trillen. Handschoenen hadden wij in de winter wel aan, maar bij gebrek aan beweging werden je handen en vingers ijskoud. Altijd had het iets van een opluchting als na een uur de duikerhelper via de seinlijn het signaal gaf dat je weer naar boven mocht komen. Verkleumd, soms amper in staat de buitenboord hangende afdaaltrap naar boven te klimmen werd je door de duikerhelpers staande gehouden en zittend op een houten bank in weer en wind tot op je wollen ondergoed uitgekleed. Mijn vingers waren dan verkleumd en kon ik amper nog bewegen. Benedendeks aangekomen ging het een poosje wel weer. Het ging bij oefeningen ook wel eens mis, zoals die keer dat twee duikers elkaar onder water tegen kwamen en door welke oorzaak dan ook, de ene duiker bij een oefening de helm van de andere duiker per ongeluk losdraaide. Ik paniek wist de duiker, Arjan dacht ik, zonder duikershelm, op de havenboden staand zijn seinlijn niet te vinden om het noodsein door te kunnen geven. Maar één van de alerte duikerhelpers die in het gangboord stond zag plots een rood duikersmutsje aan de oppervlakte drijven. Alle duikers die op dat moment onder water waren werden zo snel mogelijk naar boven getrokken aan hun seinlijnen en luchtslang. En ja hoor er was er eentje zonder helm. Met een vuurrood hoofd van ingehouden adem werd Arjan aan boord geholpen, en de andere duikers konden zich weer naar de bodem laten terug zakken. Arjan was even later verrukt en blij dat hij niet verdronken was en had de grootste lol waarschijnlijk als verwerking en ontlading van zijn spannende opgedane ervaring. Maar zo ook een andere duiker schrok zich een aap toen wij allen om beurten in de 15 meter diepe sluizen van IJmuiden gingen duiken. Langs het afdaaltouw liet hij zich in verschillende ‘stopfasen’ naar beneden zakken. Beneden aangekomen gaf de duiker, door een stevige ruk aan de seinlijn aan de duikerhelper aan boord door dat hij op de bodem was geland. Na een paar minuten van acclimatiseren kreeg hij van boven het sein, een ruk gevolgd door nog een ruk, om naar achteren over de sluisbodem te gaan lopen en zijn werkoefeningen te gaan doen. Bij de eerste stap naar achter viel de duiker in een onverwachte diepte, en zakte meters verder naar beneden gedeeltelijk door de duikerhelpers bovendeks opgevangen. Het bleek later dat de duiker bij het afdalen precies op een in het verleden verkeerd geheide en een paar meter boven de bodem plat afgezaagde dukdalf, een enorm brede houten paal waar grote oceaanschepen zich aan vast leggen was beland. Maar het was wel even schrikken voor hem. Wij als duikers van de Genie moesten ook altijd aanwezig zijn als bij rustig windstil weer jongens met hun grote tanks over de Maas vaarden, dat wil zeggen, van de noordelijke naar de zuidelijke oever. Ongelooflijk om te zien, hoe die zware kollossale tanks voorzichtig de rivier inreden. En goede 15 of 20 cm van de tank bleef boven water zichtbaar terwijl de tankjongens bovenop de varende tank zaten die langzaam naar de andere oevers vaarden. Voor het geval er toch een tank onverwacht zou zinken moesten wij duikers altijd in duikerspak paraat aanwezig zijn, meevarend in een boot van de vaartuigendienst om eventuele drenkelingen te redden. Ja over drenkelingen gesproken, één van mijn maten Piet werd gevraagd door het kader of hij in een zandafgraving die gebruikt werd als vuilnisstortplaats, in het bijzijn van politie naar een daar waarschijnlijk verdronken jongetje wilde zoeken. Piet stemde toe. Gelukkig voor Piet had hij niets gevonden, maar de bezorgde ouders van het jongetje moesten hun zoektocht naar hun kind vervolgen. Maar die middag toen de tankvaaroefening over de Maas gedaan was, mochten wij duikers voor de gein een stukje in zo’n tank meerijden. Wat een vreselijke klereherrie maakten deze tanks als zij ratelend over een klinkerweg richting Crevcour reden. Het was een leuke ervaring, maar dat was voor ook dan ook alles. Toen wij later die middag met een paar jongens van de vaartuigendienst in hun lange houten boten met krachtige buitenboordmotoren richting het wat verderop langs de Maas gelegen Ammerzoden vaarden, kwam een van de gehele dag al tijdens de tankoefening boven ons vliegende en oefenende straaljager vanuit de hemelhoogte jankend kaars recht op ons bootje aanvliegen. Of de straaljagerpiloot zin had in een geintje weet ik niet, maar iedereen in onze boot keek elkaar verbaasd aan, en had zoiets van ‘Wat is dit ?’. Onverwacht in onze ogen, op een moment dat wij dachten dit gaat niet goed, trok de straaljager een paar honderd meter boven ons bootje zijn toestel in een mooie boog weer omhoog en verdween met bulderende motoren het hemelruim in om even later als een stipje in de trillende zomerhitte te verdwijnen. Wij allen, van de schrik bijgekomen lagen lachend in de boot waarschijnlijk als ontlading van het spannende moment. at een mafketel die piloot ! Misschien spring ik van de hak op de tak. Er is nog zoveel te vertellen, en sommige dingen laat ik maar voor wat het is, of ben ik vergeten en weet ik niet goed meer. Zoals de oefening om onder water luchtslangen te verwisselen tussen twee standaardduikers wat ook een keer mis ging. Ikzelf heb ook een keertje gehad dat ik in een aqualong duikerspak de afdaaltrap naar beneden ging, maar bij de eerste ademhaling onder water kreeg ik i.p.v. lucht rivierwater naar binnen. Het was even schrikken. In een reflex blies ik bijna al het water door het kraantje in mijn ademhalingsautomaat weer naar buiten en draaide zo snel mogelijk dit kleine kraantje dicht waarna ik gelukkig in het begin wel met wat druppels die ik doorslikte gewoon kon ademen. Het was gewoon een domme fout van mijzelf. Altijd moet je controleren voor je afdaal of het buitenkraantje in je ademhalingsautomaat dicht staat. Later in mijn diensttijd heb ik met mijn duikersmaat Gijs uit Eden, die na zijn diensttijd als duiker bij Wijsmuller is gaan werken en in het Midden oosten bij de aanleg van havens de nodige duikwerkzaamheden had, bij een meertje nabij Babberich een klein plaatsje ten zuidoosten Zevenaar, aan de Nederlands – Duitse grens oude wapens en munitie opgedoken. Het kader vroeg aan ons tweeën of wij dat wilden doen. Voorzichtigheid was geboden. In een militaire vrachtauto met onze duikerspullen reden wij die dag in de vroege ochtend naar het bewuste meertje. De mannen van de EOD ( Explosieven Opruimingsdienst ) uit Culemborg waren net hun materiaal aan het uitpakken en wij begroeten elkaar. In een stille door bomen omgeven waterplas, waar in het begin van de 2e oorlog een soort wachthuisje had gestaan hadden de Nederlandse soldaten bij het naderen van de Duitsers, als ik het allemaal goed heb onthouden hun wapens, granaten en ander gevaarlijke minutie in de waterplas gegooid. Omdat het meertje door hoge bomen was omgeven was in de loop der jaren op de bodem een dikke humusmodderlaag ontstaan. Gijs en ik kregen van de jongens van de EOD de nodige tekst en uitleg t.a.v. van eventuele minutie die wij op en in de bodem van het meertje zouden kunnen aantreffen. Nadat wij onze duikerspakken hadden aangedaan gingen wij vanaf de begroeide oever het meertje in. Opborrelende modder verspreide zich als een bruine uitbreidende wolk om ons heen en belemmerde onder water ons zicht, wederom moesten wij werken en zoeken in een totale modderige duisternis. Zo diep mogelijk, bijna tot aan onze schouders drukte ik mijn handen en armen in de zachte modder. Zo gauw ik iets verdachts of hards voelde haalde ik dit zo voorzichtig mogelijk uit de modder naar boven en deed dit aan een touw gebonden katoenen zak. Stuk voor stuk, je mocht absoluut geen twee gevonden dingen bij elkaar doen i.v.m. ontploffingsgevaar. Bovendien en begrijpelijk moesten Gijs en ik op het gevoel onder water te werk gaan en op geen enkele manier aan de gevonden voorwerpen peutteren aan iets draaien of onnodig betasten, ter voorkoming dat het zou kunnen ontploffen, en je daardoor je hand of arm kwijt zou kunnen raken, of nog erger. Die dag hadden Gijs en ik nog heel wat granaten, kogels ander spul gevonden. Zwaar verroest lag het op een lange tafel, en op een kleed op de oever ter beoordeling van de explosievenmannen. Aan het eind van de middag werd er door de mannen van de EOD een honderd meter verderop een groot gat gegraven en de gevonden minutie met een dikke laag zand bedekt. Wij, Gijs en ik wachten vol spanning op de explosieven die alle gevonden minutie onschadelijk zouden maken. Een doffe knal wierp een zanderuptie omhoog en iedereen was dik tevreden, en wij allen reden in de 4 tonner in de avonduren weer richting kazerne in Vught. Ik en nog een andere duiker ik dacht Piet werd ook gevraagd of wij in Duitsland bij een tankoefening die bij een rivier gehouden zou worden aanwezig wilden zijn voor het geval een tank onverwachts zou zinken en soldaten gered zouden moeten worden. Uren lang was onze rit in een 4 tonner met onze duikersuitrusting, met een paar kleine onderbrekingen naar Seedorf in Duitsland. Ik was hier nog nooit geweest. Tjonge jonge wat een enorme kazerne was dat. In een gebouw met een grote prachtig geschilderde indianenkop op de gevelwand, wat mij gelijk aan Winnetou, één van de helden van uit mijn jeugdjaren geliefde schrijver Karl May deed denken, konden wij overnachten. Overigens lees ik zo af en toe nog een boek van Karl May. Na even zoeken werd mij een bed aangewezen. Piet sliep op een andere kamer. In een vierpersoonskamer met onbekende soldaten bekeek ik mijn bed en directe omgeving. Ik weet van welke soldaat mijn tijdelijke bed voor één nacht was, maar zoveel pornofoto’s had ik nog nooit gezien. De wand achter het bed hing vol met prachtige meiden met enkele in de meest uitnodigende wijdbeense houdingen. Toen ik even op bed ging liggen na het avondeten en lange rit zag ik tot mijn verbazing dat zelfs de onderkant van de meterlange boekenplank boven mijn hoofd vol geplakt was met naakte meiden in allerlei houdingen, sommige in een soort schijnkuisheid en anderen alles uitdagend etalerend. Het kon natuurlijk zijn dat de soldaat waarvan ik één nacht zij bed mocht gebruiken, wel met een set schone lakens en kussensloop, in zijn vrije tijd een studie voor Gynaecoloog volgde. Natuurlijk als gezonde jongen zijnde heb ik alles wel even goed bekeken, maar op een gegeven moment had ik de dames ook wel ‘gezien’. Het was maar voor één nacht. De volgende dag was de tankoefening over de rivier. Alles ging gelukkig goed. Na een lange rit waren wij, Piet en ik en het kader weer veilig op onze kazerne. Eén van de oefeningen was om een gat wat tijdens oorlog of andere oorzaken in een scheepswand was ontstaan met een ijzeren metalen plaat zo goed mogelijk te dichten. Hiervoor werd voor de oefening in de haven met de takel van het schip een grote stellage met daaraan verbonden een stuk scheepswand gemonteerd op de bodem van de haven gezet. In de scheepswand zat een gat van ongeveer 20 cm in doorsnede. Met een aan een takel hangend ongeveer 80 cm lang gun een soort klein kanon moesten wij duikers met een losse metalen plaat en ongeveer 15 cm lange bouten, afgeschoten door het gun het gat in de scheepswand zo goed mogelijk dichten. Om de bouten af te kunnen schieten werd op het dek het gun geladen met een ongeveer 20 cm groot patroon. Als eerste ging ik naar beneden. Op een diepte van een paar meter bleef ik wachten op de modderige bodem totdat de gun naar beneden gezakt zou zijn. Alles ging goed. Ik kan het mij nu niet allemaal meer zo goed herinneren of de vast te maken plaat die het gat moest dicht wel of niet al gedeeltelijk voor het gat vast geschoten was door een van mijn duikersmaten die de dag daarvoor deze oefening moesten doen. Met mijn linkerhand tastend in het donker voelde ik of op welke plaats de gun op de metalen plaat geplaatst moest worden om de plaat verder vast te schieten en het gat in de scheepswand te dichten. Iedere duiker moest in ieder geval minstens één keer deze oefening hebben gedaan. Het gun had ik in een volslagen duisternis in de goede positie tegen de metalen plaat en mijn rechterschouder geplaatst. Met mijn linkerhand moest ik rechtsvoor bij het gun een rode knop indrukken en gelijktijdig met mijn rechterhand de stevige trekker overhalen en met al mijn kracht het handvat met mijn rechterhand en schouder indrukken om de bout af te kunnen schieten door de metalen plaat en de scheepswand. Alles indrukkend haalde trekker over, maar ik hoorde niets. Zeker niet hard genoeg gedrukt ging er door mij heen, nog maar eens proberen. Maar ook nu hetzelfde resultaat, er gebeurde wederom helemaal niets. Ik begreep er geen reet van. Nogmaals met al mijn kracht die ik bezat drukte ik het grote pistool wat meer weg had van een soort klein kanon voor de derde keer in, maar weer gebeurde er niets. Gloeiende …gloeiende. Door de microfoon in mijn duikershelm laat ik weten het na drie keer geprobeerd te hebben er niets gebeurde. ‘Gerrit… wat ben jij nu voor een slappe lul, je weet toch wat je moet doen. Heb je staan pitten vanmorgen tijdens de instructie ? Heb je misschien de hele nacht in je nest liggen rukke ?’ hoor ik de stem half schreeuwend van de majoor aan het dek. ‘We takelen de hele zooi wel naar boven en kijken wat er aan de hand is, blijf jij maar gewoon beneden’. Ik begreep er niets van, waarom de gun niet werkte. Alle instructies die wij als duikers de uren daarvoor aan dek hadden gehad, had ik volgens mij goed opgevolgd. Nou wachten maar. Minuten gingen voorbij tot ik plots de nu veel mildere stem va de majoor door mijn krakende microfoon in mijn duikershelm hoor. ‘Sorry…sorry…. die lompe boer, die lulhannes van een Klaas heeft de patroon verkeerd, achterste voren in de gun gedaan, sorry jongen wij wisten niet eens dat het mogelijk was, jij kon er niets aan doen, ik zal Klaas zo wel even voor z’n ballen trappen. Let op je kop, wij laten over een paar minuten de boel weer naar beneden zakken, doe voor de zekerheid een paar stappen naar achteren, en probeer het zo nog maar een keer, het zal nu wel goed gaan. Laat even weten als je gaat beginnen’ klonk de nu vriendelijke krakende majoorsstem door de microfoon in mijn helm. Even later hoor ik schuin boven mij geplons aan de oppervlakte en voelde ik toen ik mijn armen in het donker recht naar voren hield weer het ongeveer 80 cm grote gun. Hup maar weer proberen, het zal nu wel goed gaan. Met een flinke druk met mijn rechterschouder de gun zo hard mogelijk aandrukkend voel ik een schok en een harde metaalachtige tik gonst onder water. Tastend in het donker voel ik dat de metalen bout op de juiste plaats zit in de metalen plaat en scheepswand. Een opgelucht gevoel van blijdschap gaat door mij heen. Mooi zo dat is gepiept. Als ik later weer op het dek ben staat Klaas met zijn rechterhand op zijn hoofd naar mij te lachen. ‘Sorry Gerrit.. sorry ouwe’. De andere jongens hebben de grootste lol. Wij zijn allen maten van elkaar, die tijdens het duiken elkaar voor 100 % willen en kunnen vertrouwen. De majoor loopt wat mopperend maar lachend over het dek, blij dat er geen ongelukken gebeurd zijn. ‘Als Klaas het nog een keertje verkeerd doe, duw ik persoonlijk die patroon diep in z’n reet’. ‘Gelukkig is hij niet afgegaan, voor hetzelfde geld schiet je onder water je halve arm er van af, wij wisten niet eens dat het mogelijk was dat de patroon andersom in de gun geplaats kon worden…zo zie je maar ik moet overal met mijn neus bovenop staan’. Hij haalde diep en hard zijn neus op en spuugde aan de andere kant van het schip tussen wal en schip. Iedere doordeweekse dag gingen wij duikers het water in. Zomer en winter. Vooral de oefening in winterdagen als sneeuw over het dek jaagde was het onder water misschien nog aangenamer dan voor de jongens op het dek, die constant in de jachtige sneeuw en wind stonden. Trouwens ook duikers deden de werkzaamheden van de duikerhelpers. Echter, duikerhelpers mochten en konden niet duiken. Onder water draagt het geluid anders dan je misschien zou verwachten heel ver. Een boot van de vaartuigen dienst die hoog over je aan de oppervlakte vaarde hoorde je al van ver aankomen. Zo ook als sporadisch als één van de grote schepen ging varen hoorde je de draaiende schroeven door het water slaan. Zeker als majoor met de bijnaam, ‘Plank gas’ achter het stuurwiel stond. Zijn echte naam ben ik vergeten, maar het was een lompe en onverschillig overkomende majoor van de vaartuigendienst, die zoals zijn bijnaam al aangaf altijd ‘plank gas’ vaarde. Onder water was dat goed te horen. Majoor van Pelt, een keurige rustige man onderhield alle duikerspakken en reinigde de ademhalingsautomaten na iedere duik en hield alles bewonderingswaardig in orde. Majoor ‘De Roo’, was de ‘ouwe’ het hoofd van alle duikers en duikerhelpers en jongens van de vaartuigendienst. Maar deze ‘ouwe’ zagen wij eigenlijk niet zoveel, alléén zo af en toe tijdens een bijzondere toespraak. Maar voor de rest was het altijd, mocht je hem tegenkomen een gewoon vriendelijk groetende man. Aan zijn ene hand waren een paar misvormde vingers wat hij had overgehouden aan de 2e wereldoorlog. Wij duikers zijn aan het begin van onze opleiding tegen diverse dingen ingeënt. Want bij lang onder water blijven worden je handen zacht en week. En zoals bij een duik in ‘De Dieze’ in ‘s Hertogenbosch toen wij duikers op zoek waren naar iets i.v.m. een gepleegd misdrijf waren mijn handen week en zacht geworden en diversen malen heb ik ze opengehaald aan allerlei troep wat in de loop der jaren in het water gegooid was en op de bodem lag, zoals fietsen, kapotte flessen, blikjes ets. Bovendien was het goed opletten dat de luchtslangen per ongeluk niet door iets scherps wat boven de bodem uitstak lek raakten. Het vervelende is als je handen en huid door het water zo week worden, dat pas bij diepe sneden in je vingers en handen dit gaat voelen. Met een paar flinke japen in mijn vingers en handen kwam ik boven water. Gelukkig nooit ziek geworden, en vrij snel waren de sneeën weer dicht gegroeid. Zie voor aanvullende foto’s Facebook onder; Lenie Gerrit Marchal.

m.v.g. Gerrit.

Duiker bij de Genie. ( Deel 2 ) Diep duiken en Hyperventilatie. Op een goede dag zouden wij duikers van de Genie dieper gaan duiken. Wij hadden onze opleiding grotendeels volbracht, in het grote aquarium op het Genieterrein, in de haven langs de Maas bij Crevcour. Over de Maasboden tegen de waterstroom opkruipend en je op de plaats houdend door met je groot duikermes en handen om beurten in de zanderige Maasbodem te steken, om meesleuren met de stroom te voorkomen, was spannend maar goed gegaan. Wij hadden in een langs de Maas, nabij Kerkdriel gelegen zandafgravingen gedoken, tot een diepte van 8 of 10 meter. Wij vaarden met de ‘Kempenaar’ ons duikersschip van de Genie over de rivieren en kanalen naar het ‘Nieuwe meer’ in Amsterdam, om een aantal dagen daar in dieper water gaan duiken. De decompressietank voor het geval een duiker van grote diepte plotseling naar boven gehaald moest worden was in gereedheid gebracht. In mijn 83 kilo zware duikerspak liep ik de eerste duikdag, in de gaten gehouden, en zijdelings ondersteund door mijn duikermaten naar het metalen afdaaltrap. Onderaan deze trap aangekomen hield de duikerhelper, staand in het gangboord de lijnen, de luchttoevoer en seinlijn van het duikerspak strak en trokken je langs de zijkant van het schip naar het afdaaltouw. Dit afdaaltouw zat stevig aan een bolder op het schip vastgebonden met o.a. een mastworp en nog een verzegelde knoop. Onder aan het afdaaltouw is een afdaalgewicht van een goede 25 kilo gebonden en ligt op de bodem van, in dit geval het meer. Langzaam liet ik mij langs het afdaaltouw naar beneden zakken. De lichtgele omgeving ging geleidelijk maar vrij snel over in een steeds donkerder wordend geel om vervolgens in een blijvende totale duisternis over te gaan. Aardedonker was het om mij heen, mijn luchtbellenstroom ging constant borrelend richting de oppervlakte. Langzaam zakte ik verder naar beneden in een totale duisternis. De geleidelijk toenemende waterdruk voelde ik drukken tegen mijn gehele lichaam, behalve mijn bovenlichaam waarin ik de hoeveelheid lucht nauwkeurig in de gaten hield…niet te veel maar ook niet te weinig. Met door in mijn duikershelm aanwezige klep, die ik met mijn hoofd zijdelings kon indrukken kon ik de hoeveelheid lucht in mijn duikerspak regelen. Plots blijf ik hangen en liet de duikerhelper mij vanaf het dek niet verder meer zakken. Op 10 meter diepte zat ik dus. Mijn eerste stop waar ik een minuut of vijf op deze diepte moest verblijven om mijn lichaam en al mijn lichaamsholten aan de omgevingsdruk te laten wennen. Daar hing ik dan, mij met mijn handen aan het afdaaltouw vasthoudend. Via mijn manchetten voel ik water langzaam in piepkleine stroompjes naar binnen sijpelen, maar dat kon geen kwaad. Na enige minuten voel dat ik, na een kort rukje via de seinlijn dat ik weer langzaam verder naar beneden zakte, traag het touw in de holte van mijn vingers als een soort geleider gebruikend. Langzaam zakte ik verder naar beneden. ‘Hoe diep zou het hier zijn ? zouden er grote vissen in het meer zitten ? Geen idee had ik van beiden. De druk van het water nam langzaam toe, dikke duikerspakplooien drukten tegen mijn benen en armen. Plots blijf ik weer hangen, en moet mijn 2e stop maken. 20 meter diep was ik nu. Het water om mij heen was kil en de waterdruk werd steeds hoger. Mijn luchtbel rondom mijn bovenlichaam hield ik steeds zorgvuldig ook tijdens het afdalen in de gaten. Regelmatig tijdens het afdalen ‘Klaar’ ik mijn oren zodat de druk in mijn hoofdholten dezelfde blijven als mijn omgevingsdruk in het meer, dit om pijnlijke of gescheurde trommelvliezen te voorkomen. Ook mijn bloed met daarin kleine gasbelletjes moeten tijdens deze nodige ‘stops’ zich reguleren. Toch weer onverwachts, na het bekende rukje van de duikerhelper op het dek, zakte ik verder naar beneden ‘Hoever zal het nog naar de bodem zijn ?’ Al weet ik dat ik de bodem van het meer ieder ogenblik kon voelen, kwam ik toch onverwacht het moment van aanraking. Een vreemd en wat spannend moment te beseffen dat je op de bodem meer staat met het duikersschip ver boven je. Met mijn ene duikerschoen bleef ik wat schuin staan op het in de modder weggezakt afdaalgewicht en mijn ander been voelde ik alleen maar zachte bodenmodder. Ik gaf een ruk aan de seinlijn naar de verre oppervlakte die direct met een gelijksoortige ruk beantwoord word. De duikerhelper aan dek, 27 meter boven mij, zo hoorde ik later van hem weet dat ik op de bodem ben aangekomen. Ik kreeg nu een goede vijf minuten om te acclimatiseren en alles in orde te brengen, om o.a. mijn looplijn op te zoeken die eveneens aan een ring aan het afdaalgewicht is vastgebonden. Na een paar minuten trok ik mij met mijn handen langs het afdaaltouw tot het afdaalgewicht naar beneden om de looplijn te pakken. Goed bukken en hurken in een duikerspak op deze diepte is bijna onmogelijk. Maar ik kreeg de looplijn te pakken. Deze looplijn is een ongeveer 8 of 10 meter lang touw waarmee je als enige oriëntatie en houvast over de bodem kon lopen wilde je ooit weer in volkomen duisternis bij je afdaalgewicht terug willen komen. De waterdruk drukt in het begin onwennig op mijn benen en armen en op een onprettige manier in mijn kruis. Maar mijn jongeheer was waarschijnlijk door het koude water rondom mij gekrompen tot een harmonicamodel, misschien wel Guinness book of Records waardig, zo klein was het mormeltje geworden denk ik te voelen. Maar goed hij zal boven water gekomen wel weer de normale vorm aannemen hoop ik. Nog steeds sijpelde water via mijn manchetten mijn mouwen in. Een kil waterstroompje die gelukkig door mijn lichaamswarmte in het duikerspak weer snel op temperatuur kwam. Ik kreeg van boven het sein, een ruk en nog een ruk, om naar achteren te lopen. Met mijn voeten, en door het duikerspak en hoge waterdruk rondom beknelde benen probeerde ik zo goed mogelijk op naar voren te lopen. Maar iedere keer zakten ze weg in de decimeters dikke modderlaag. Maar ik vorderde, traag maar gestaag. Plots ondanks de waterdruk kreeg ik het gevoel dat mijn rechterbeen door iets omklemd werd. Ik zat muurvast ! Even sloeg de schrik om mijn hart. Rustig blijven…. nadenken… wat moet ik doen ? Een paar extra zweetdruppels gleden langs mijn gezicht naar beneden en prikkelen in mijn ogen. Wrijven kon natuurlijk niet, dan maar een paar keer goed je ogen dicht en open knijpen. Mijn hart bonkte in mijn borstkas. Zo goed mogelijk probeerde ik te bukken en te voelen wat de oorzaak was. Een gedeelte van het 10 meter lange looplijn bleek vast aan mijn been te zitten. Langzaam ging ik de paar afgelegde meter terug naar mijn afdaalgewicht. Door mij iets langs het afdaaltouw naar boven op te trekken schudde ik in het duister het touw van mijn rechterbeen, en rolde ik het, weer op de bodem aangekomen de hele looplijn zo goed mogelijk op, mijn afdaaltouw aan de binnenzijde van mijn ene ellenboog omvattend. Poe dat was een opluchting. Vastzitten op zo’n diepte is geen pretje. Eigenlijk had ik achteraf bekeken voor ik ging lopen beter eerst de gehele looplijn naar mij toe kunnen halen en niet voor een groot gedeelte. Maar goed daar zijn deze oefeningen voor, en aldoende leert men. Niet in paniek raken, nadenken, een oplossing bedenken is het eerste wat een duiker moet doen als er iets onverwachts gebeurt. Uiteindelijk was ik eerst door de modder, maar wat verderop was de bodem gelukkig wat steviger tot aan het einde van mijn looplijn gelopen. Wel lag op de bodem veel brokken steen met uitstekende ijzeren staven op de bodem. Gestort bouwafval hoorde ik later die dag. Aan het einde van mijn looplijn bij de dikke knoop begon ik in een cirkelwandeling over de bodem te lopen. Tot ik na enige tijd merk dat mijn looplijn en cirkel veel korter was geworden. In het duister volgde ik de looplijn terug. Achter een hoog dik stuk betonijzer van het hier waarschijnlijk gestort bouwafval is mijn looplijn blijven hangen. Poe ..was even schrikken en nu ik voel wat de oorzaak was een opluchting voor mij. Op de tast mijn looplijn volgend kwam ik uiteindelijk weer bij mijn afdaal gewicht terug. Idee van van tijd heb je in het volslagen duister niet meer. Ben ik op een onbekende planeet ? vroeg ik mij wel eens af. Zou een ruimtereiziger zich ook zo voelen ?, Op deze diepte in volledige duisternis waarin ik alleen mijn eigen ademhaling hoor, en een constant borrelende luchtbellenstroom naar de verre oppervlakte schoot dat wel eens door mij heen. Bij mijn afdaal gewicht aangekomen gaf ik een stevige ruk aan mijn seinlijn die direct weer door de duikerhelper beantwoord werd. Hij weet dat ik bij mijn afdaalgewicht terug ben. Vrij snel daarna kreeg ik weer via de seinlijn het sein op langzaam met behulp van de duikerhelper naar boven te stijgen. Deze duikerhelpers, onze maten zijn heel belangrijk en staan zolang jij onder water ben, zomer en winter, in weer en geen weer, in het gangboord jouw lucht- en seinlijnen goed in de gaten houdend. Ik moest en kon voor 100% op deze jongens vertrouwen, en dat deed ik ook, en in geval van nood trokken ze je snel mogelijk naar de oppervlakte. Langzaam hand overhand mij zelf naar boven trekkend, maar meer getrokken door de duikerhelper steeg ik naar de ver boven mij zijnde oppervlakte. Onverwachts blijf ik hangen. Mijn eerste stop, die was heel belangrijk om de gevreesde caissonziekte te voorkomen. Daar hing ik zwevend tussen de bodem van het meer en het ver boven mij drijvend schip. Wederom, maar eigenlijk constant hield ik goed mijn luchtbel in mijn duikerpak in de gaten. Het moest niet gebeuren, zoals ik had gehoord van de oude duikershelpers van lichtingen voor mij dat zoals bij één van de kaderleden, en dat zijn toch echt ervaren duikjongens die tijdens een duikoefening in Zeeland op een diepte van een dikke 20 meter zijn lucht in zijn duikerspak net even niet goed geregeld had hij als een raket naar boven kwam stijgen, en zoals de duikershelpers zeiden de duiker als een walvis boven de oppervlakte stuiterde. Met spoed was deze duiker toen in de altijd klaar staande decompressie tankt gelegd met gescheurde bloedende trommelvliezen tot gevolg. Het met gehaaste spoed plaatsen van een te snel opgestegen duiker in de decompressietank moet voorkomen dat een duiker last krijgt van de gevreesde caissonziekte waardoor door plotselinge drukverschillen in het bloed ontstane luchtbellen een blijvende schade achterlaten in het lichaam waar je de rest van je leven last van kunt hebben. Met een zachte ruk wordt ik uit mijn gedachten gewekt en steeg ik traag naar boven tot de 10 meter hoger stop, waar ik eveneens een goede vijf minuten bleef zweven. De waterdruk is geleidelijk afgenomen. Uiteindelijk na het opstijgen na de 2e stop wordt het water donkergeel overgaand in een steeds lichter geel en komt mijn duikershelm boven de klotsende waterspiegel. Ik had het beneden op de bodem koud gekregen en kan amper mijn vingers en benen nog bewegen. De overgang vanuit het water de trap op met een 83 kilo zwaar standaardduikerspak is en blijft even wennen. Geholpen en ondersteund door duikerhelpers nam ik plaats op een stevig houten bankje waarna de seinlijn en dikke luchtslang worden ontkoppeld, en vervolgens voorzichtig de metalen duikershel van je hoofd word gedraaid. Heerlijk fris was de buitenlucht. Ik was trots op mijzelf dat mijn diepe duik gelukt is. Meer dan een uur was ik onder water geweest. maar nogmaals beneden op de bodem van het Nieuwe Meer in volkomen duisternis ben je het tijdsbesef zo kwijt. Ik denk dat ik zo maar stop met mijn verhaal er is nog zoveel meer te vertellen. Maar het zo wel genoeg. Nou ja…O ja hoe kan ik het vergeten de laatste gebeurtenis dan. Aan ons duikers werd via het kader gevraagd of wij aan een oudheidkundig onderzoek mee wilden doen door in de kasteelgracht van kasteel Helmond op zoek te gaan, naar in de loop der tijd in het water gevallen voorwerpen. Zo wist men ons te vertellen dat door een blikseminslag vroeger een gedeelte van een torenspits in de gracht was gevallen. In de kasteeltuin nabij de gracht werden wij duikers aangekleed, en om beurten zouden wij vanuit en houten boot van de jongens van de vaartuigendienst te water gaan. Langer dan verwacht moest ik in mijn duikerspak in de boot zitten tot het mijn beurt was om onder water te gaan. Hoe lang precies dat weet ik niet. 20 minuten of misschien nog langer zat ik afwachtend in de boot. Ik begon het de warme septemberzon in mijn duikerspak steeds warmer te krijgen en licht te transpireren. Maar uiteindelijk was het mijn beurt om uit de boot te stappen en in de gracht naar de bodem af te zakken en op zoek te gaan naar voorwerpen van welke aard dan ook. Onder water gekomen in de paar meter diepe modderige gracht van kasteel Helmond ga ik reeds half bevangen door de warmte van het lange zitten in de boot en het lastige adembenemend overboord klimmen vanuit de houten boot, op de bodem aangekomen steeds sneller ademen, steeds dikkere zweetdruppels parelen van mijn gezicht en lippen die het vochtige mondstuk vasthouden. Gejaagd steeds sneller gaat het ademen. Mijn longen gaan gejaagd in mijn steeds heftiger op en neer gaande borstkas. ‘Hyperventilatie’ !! vlamt door mijn gejaagde hersenen! Een verlammende angst schiet door mij heen. Mijn hart bonkt als een bezetene. Het liefst zou ik het mondstuk uit willen doen en mijn duikerspak van mijn hoofd willen rukken. Ik wil naar boven naar de oppervlakte frisse lucht inademen…lucht…lucht.. verse lucht wil ik in ademen ..niets en niets om mijn hoofd. Het strakke door angstzweet vochtige rubberen duikerspak knelt vochtig tegen mijn bezweet hoofd. ‘Denken !!!…goed nadenken…nadenken !!!. Blijf rustig. rustig…rustig !! gaat gejaagd door mijn paniekerige hersenen. Wat moet je doen…wat moet je doen bij hyperventilatie ? Mijn adem, hart en borstkas gaan steeds gejaagder. Ik trek aan de uitpuilende pooien die bij mijn borstkas tegen mijn lichaam drukkend duikerspak. Adem in houden…adem inhouden…. inhouden…schiet door mijn hoofd. doe je mond dicht …en pers je lippen op elkaar, ook al lijken je hersenen te barsten en je longen om zuurstof te schreeuwen.. Adem inhouden, kom op, je kunt het…je kunt het…je moet !! Iets anders kun ik niets doen schiet door mij heen. Het angstzweet stroomt in straaltjes aan de binnenkant van mijn strak tegen mijn hoofd klemmend rubberduikerspak naar beneden mijn kraag in. Ik hou met op elkaar geperste lippen mijn adem in ondanks dat mijn longen om zuurstof lijken te schreeuwen. Mijn vochtige tranende ogen lijken door de spanning uit hun kassen te worden geperst. Mijn hart bonkt als een bezetene in mijn borstkas. Het lukt ..ik hou mij adem zo lang mogelijk vast…. hou vast.. hou vast ..nog even !! Dan even tussendoor een flinke diepe ademhaling, en mond weer dicht, stijf dicht houden.. hou vast…hou vast, je kan het !! Na een paar minuten voel ik dat het beter gaat en een vlaag van Hemelse dankbaarheid naar boven schiet door mij hoofd. Mijn ademhaling is nog wel onrustig maar onder controle. Zeiknat is mijn haar en wollen duikerspak rondom mijn kraag. Ik ben opgelucht en intens dankbaar dat ik op een gegeven moment weer normaal kan adem halen. Uiteindelijk hebben mijn duikersmaten en ik die middag toch nog wat leuke dingen gevonden, zoals borden, bestek en het gedeelte van de ooit naar beneden gestorte torenspits. Zo hier laat ik het maar bij. De laatste twee maanden van je dienstplicht had je de bijnaam ‘Ouwe stomp’. En het moment van ‘afzwaaien’ is toch wel een vreemd iets, en tevens een uiteen gaan van je maten. Aan het einde van mijn diensttijd en duikersopleiding kregen wij duikers een certificaat, een diploma dat wij onze opleiding als duiker goed hadden volbracht. Als je belangstelling had kon je direct na het vervullen van je dienstplicht bij een bergingsbedrijf gaan werken, deze wilden je maar wat graag in dienst nemen, zoals toentertijd bij Smit-Tak of Wijsmuller, zoals mijn maat Gijs heeft gedaan. De Nederlandse duikers waren en zijn de beste van de wereld omdat zij hun opleiding bijna altijd in een volledige duisternis hebben gehad, en bij duikwerkzaamheden in het buitenland veel vaker hun werk in een zichtbare onderwateromgeving kunnen doen. Ikzelf ben weer na mijn diensttijd bij mijn oude werkgever Ingenieursbureau Van Steenis in Utrecht gaan werken en mijn werkzaamheden als Kartografisch tekenaar vervolgd, en een aantal Kartografische aanvullende cursussen gaan doen. Maar sommige duikmaten bleven duiker. Gijs werkte in het Midden – Oosten bij het aanleggen van havens. Eén duiker ging werken bij de sluizen in IJmuiden waar hij dagelijks de 15 meter diepe sluizen en o.a. enorme sluisdeuren ed. controleerde en inspecteerde. Een andere dienstmaat ging op een booreiland op de Noordzee werken, waar hij bijna dagelijks de enorme poten waarop het booreiland ruste tot een diepte van 60 meter inspecteerde en o.a. aangroeisel zo goed mogelijk verwijderde. Als je een goede duiker was moest je er voor zorgen dat je financieel met je 40e of 45e binnen was. Daarna werd het werk lichamelijk te zwaar. Het lijkt allemaal mooi en spannend en uitdagend en veel poen is er te verdienen. Maar vele voor mij onbekende duikersjongens zo las ik in de duikerslectuur zijn in de loop der jaren verdronken. Ik ben Kartograaf gebleven om mooie landkaarten te vervaardigen. Dit werk en landkaarten hadden mij altijd al aangetrokken. Bovendien wilde ik mijn karatetraining waarmee in in 1971 in Wijk bij Duurstede bij Wijnand van den Broek was begonnen tot de zwarte band afmaken. Uiteindelijk ben ik eind 2007 na ongeveer 35 jaar gestopt met karate. Maar aan mijn duikersperiode en maten bij de Genie heb ik mooie, spannende en dierbare herinneringen. Bedankt jongens, bedankt maten. m.v.g. Gerrit Marchal. Zie voor aanvullende foto’s Facebook onder : Lenie Gerrit Marchal

Woensdag 18 november 2020 moest Lenie ter controle bij de Bergman kliniek in Amersfoort terug komen om haar een week eerder aan staar geopereerd rechteroog te laten controleren. Gelukkig zag het er allemaal voorlopig goed uit. Misschien t.z.t. een nabehandeling met een laser voor nastaar. Zij kon nog 15 tot 20% zien met haar rechteroog en het zicht was nu afgelopen woensdag een week na de operatie al verbeterd naar 90%. Zij zag als vanzelf sprekend wel op tegen de operatie. Op de dag van de operatie kreeg zij o.a. pijnstillende druppels in haar oog. Toen deze voldoende waren ingewerkt werd Leentje op de operatietafel als bij een echte operatie geheel ingepakt en een heel felle lamp scheen op haar te opereren oog. Zoals Leentje later aangaf voelde zij geen pijn, wel dat er van allerlei handelingen die met haar oog gedaan werden, soms zag zij in het intens felle licht de arts met puntscherpe voorwerpen op haar oog afkomen. Er werden twee kleine sneetjes in haar oogbol gemaakt en de oude staarlens werd er vervolgens eruit gezogen. Een kunstmatig vervaardigde nieuwe lens werd dubbelgeklapt via één van de kleine sneetjes weer in het oog op de goede plaats geschoven. Een week lang heeft zij ‘s nachts een oogkapje op moeten houden ter voorkoming dat zij in haar slaap in haar oog zou wrijven. Wel moet zij een aantal weken afbouwend per dag een aantal malen met twee verschillende vloeistoffen druppelen. Maar het gaat gelukkig goed met haar oog en daar zijn wij dankbaar voor. Nu wij toch voor de 2e maal in Amersfoort waren had ik haar gevraagd of zij, als alles gegaan was met haar na de oogcontrole of wij even bij het kapelletje Isselt konden gaan kijken. Misschien hebben jullie nog nooit van Isselt gehoord, of kennen jullie het alléén als een bedrijventerrein in Amersfoort. Nou ik vroeger ook niet. Jaren geleden kwam ik een geschreven stukje over het kapelletje Isselt tegen in een oud gebonden tijdschrift ‘In weer en wind’ jaargang 1939, waarvan ik een aantal jaargangen op de kop had getikt en zorgvuldig in mijn boekenkast bewaar. Eén van de schrijvers van dit blad was mijn favoriete schrijvers van vroeger Jan P. Strijbos en Rinke Tolman. Prachtig zoals die mannen vroeger konden schrijven en wat een kennis van de natuur en hun omgeving. In jaargang 1939 heeft dhr. Johan Pouw een prachtig boeiend stukje geschreven hoe hij omstreeks 1938 de weg vragend bij T splitsingen van landwegen ten noordenwesten van Amersfoort, langs een boerderij met de toen al verdwenen boerderijnaam ‘De platluis’ een oude plaatselijke benaming die alléén bekend was bij een oude boerin, en een even verderop gelegen boerderij ‘De vurige wagen’ over stille door weilanden lopende landwegen naar het kapelletje Isselt fietste en er een mooie foto van heeft gemaakt. Ik heb jaren geleden en nu nog steeds genoten van het door Johan geschreven stukje, en vol bewondering naar de foto van het kapelletje en boerderijen gekeken. Via het tegen de kapel gebouwde boerderijtje mocht Johan van de vriendelijke bewoonster de fam. Van Dam van Isselt door de kleine boerderij via de ‘mooie kamer’ in de kapel kijken. In het getemperde licht kon hij de oude rouwborden ( geschilderde naam en wapenborden van overledenen ) en fraaie glas in loodramen bewonderen. In de winter, voorjaar en najaar zie je hier bijna niemand had de hier wonende boerin tegen Johan gezegd. Het kapelletje is omstreeks 1339 door Dirk Cosijn gebouwd, en tussen 1636 en 1649 was een herenhuis tegen de kapel gebouwd wat in 1784 weer word afgebroken. Tijdens de laatste restauratie in 1922 tot 1923 werd er een onder het koor in het kapelletje een grafkelder gevonden. De familie ‘Van Dam van Isselt woont al vanaf 1775 tot aan vandaag de dag in de kapel. Maar genoeg over de geschiedenis van het kapelletje. Ik ben het mooie verhaal van Johan Pouw uit het tijdschrift “In weer en Wind’ uit 1939 nooit vergeten, en ik heb het in afgelopen jaren een aantal keren gelezen en de bijbehorende zwart / wit foto’s bewonderd. Het kappelletje is gelukkig dank zij de “Stichting behoud kapel Isselt’ behouden gebleven. Want het is nu tegenwoordig geheel in een groot bedrijventerrein ingesloten. Triest, intriest vind ik dat. Natuurlijk ben ik blij dat het behouden is gebleven, maar…ja dat de wereld zo snel veranderd, en prachtige weilanden en boerderijen zomaar worden opgegeven voor de steeds sneller oprukkende bebouwing baart mij wel eens zorgen. Wat blijft er uiteindelijk over van ons eens zo mooie groene kikkerland. Ik benijd de jeugd van tegenwoordig niet. Samen met Leentje ben ik afgelopen woensdag eens via het oude nog resterende stukje landweg wederzijds ingesloten door bedrijven en onder hoge bomen naar het kapelletje gewandeld. Je kon het amper zien. Een heel kleine groene oase in een drukke bedrijvenwereld. Het klokje met zijn windvaan was tussen het groen en takken met zijn laatste verkleurde bladeren van dit jaar nog net te zien. De stenen toegangspalen een houten hek dragend zijn wat verderop door de struiken nog net te zien. Maar het is hier verboden gebied. Het hele terrein om het kapelletje is afgesloten, maar wel bewoond. Nee op het terrein komen kan en mag niet. Zo goed mogelijk door braamstruiken en brandnetels stappend heb maar wat foto’s gemaakt. Bijna ging ik er onder uit tussen de stekelige braamstruiken. Wat had ik graag even op het terrein rondom en in het kapelletje willen kijken. Maar er was niemand te zien. Mijn iets oudere nicht Ria van Binsbergen Nokkert zo vertelde zij mij door de telefoon ging als meisje omstreeks 1950 met haar vader, mijn ome Gerrit Nokkert, die met zijn gezin in Amersfoort in het Soesterkwartier woonden als ik mij niet vergis, op de fiets met Ria achterop langs het kapelletje Isselt naar zijn moestuin welke aan het riviertje ‘De Eem’ gelegen was. Eindelijk ben ik nu bij ‘mijn’ kapelletje Isselt gaan kijken, Ja een beetje teleurgesteld was ik wel, en ook een beetje triest gevoel bekroop mij dat zoveel mooie weilanden verloren gaan aan de steeds meer als een schimmel oprukkende bebouwing. Ik ben echt een ouwe zak aan het worden, met een steeds grotere hang naar vroeger. Niet dat toen alles veel beter was, beslist niet, maar wel met meer natuur, bloemen en bijen etc. Op weg naar de wat verderop geparkeerde auto kwamen wij nog langs een overdadig in kerstsfeer ingerichte achtertuin, waarvan ik wat foto’s mocht maken. Maar laten wij iedereen maar in zijn waarde laten. Leven en laten leven zullen wij maar zeggen. Sommige mensen brengen gelukkig wel kleur in het leven. De één is tevreden met een klein kerststukje met een licht brengend flakkerend kaarsje, en voor de ander kan de tuin niet groot genoeg zijn om zo vol mogelijk te proppen met slingers, rendieren, sinterklaaspoppen, kerstmannen, kerstbomen en sneeuwpoppen en weet ik veel wat nog meer. Met een bedenkelijk rokerskuchje en smeulende sigaret vertelde de vrouw met hoog opgestoken geblondeerd haar dat zij veel, heel veel werk heeft gehad om alle spullen en poppen uit het schuurtje te halen en in de tuin te plaatsen. Een stukje sigaretsliertje wat op haar onderlip blijft hangen wordt gedachteloos met gouden armbanden behangen arm en goud geringde vingers aan haar tijgervelshirt afgeveegd. Ik bedank haar, terwijl zij op haar lichtpaarse tijgervelsloffen weer de met glimmend marmerstenen betegelde tuin inloop, dat ik wat foto’s mocht maken van haar tuin. Vriendelijk wenst zij ons eveneens een goede dag. Het is gewoon een aardige vrouw die geniet en trost is op haar tuin, en gelijk heeft zij.

Even een klein verhaaltje tussendoor. Tijdens mijn fietstochten fietste ik wel eens door Naarden-Vesting richting het Naardermeer en omgeving. Een mooie omgeving en een mooi oud vestingstadje, en zeker het bezoeken waard als je hier eens in de buurt mocht zijn. Op de fiets zwalkte ik een beetje door wat straatjes van de oude stad. Hé, in de Kloosterstraat zag ik een tweedehandsboekenzaak. Mijn hart als boekenworm begon sneller te kloppen, en ik dacht’ daar ga ik niet zomaar aan voorbij, even binnen kijken’ ondanks dat mijn boekenkamer uitpuil van de boeken, maar ja…., een boekenjunk hé. Van dat gevoel kom je nooit meer vanaf, als je dat al zou willen. Maar goed. In de etalage lag een variatie van diverse soms door de zonlicht kromgetrokken boeken. Ik stapte het aan de linkerzijde van de etalage gelegen toegangsdeur naar binnen. Een belletje rinkelde schel met een rammelende valse nagalm. In het kleine halletje net achter de deur, die nog maar gedeeltelijk open kon lagen stapels boeken en andere spullen. Rechts was de ingang naar de eigenlijke boekhandel van Hendrik Poolman de eigenaar van het antiquariaat / boekhandel. Ik zag niemand alléén een poes die zich op met moment dat ik binnenkwam in mijn ogen met een gevaarlijke kromming in zijn rug uitrekte en langdurig gaapte. Het ging goed met de kattenrug en het dier ging zitten op de stapel boeken en sloeg zijn staart voor zijn voorpoten miauwde en staarde mij afwachtend aan. Er gebeurde verder niets, en ik dacht ik wacht wel tot er iemand komt. Maar na een kleine minuut hoorde ik in de rechterhoek wat gekuch achter een geknikte hoge boekenkast die het zicht van hetgeen daarachter was belemmerde. ‘Jaaaa … kom maar even hier naar toe’ riep een door jarenlang roken krassende stem. Achter de hoge boekenkast zat een man met van boven opengeslagen overhemd. Op zijn enigszins schuinstaande neus waren een paar lange littekens te zien. Zijn hoofdharen waren naar achter gekamd of met de hand in een zo goed mogelijk model geschoven, en een donker half grijs baardje sierde zijn kin. In zijn rechterhand hield hij een zelf gedraaid half vochtig peukje waaruit traag een grijs rooksliertje naar boven kronkelde. Ik gaf aan dat ik graag in de stapels boeken wilde kijken. Voor de man kon antwoorden kreeg hij een stevige hoestbui die ik al staand tussen de stapels boeken maar afwachtte. ‘Ja ik moet eigenlijk stoppen met dat roken, het is niet goed voor mij, zeker tussen al die stoffige boeken, maar ja een mens wil wat’ zei Hendrik een trekje van zijn laatste peukrestje nemend. De uit zijn slapie ontwaakte poes was via de opgestapelde boeken mijn richting uit gekomen en probeerde door mijn onderarm kopjes te geven mijn aandacht te trekken. Ik ben die middag een uur of zo gaan snuffelen in de stapels boeken. In de loop der jaren als ik hier in de buurt was, alléén of met Leentje gingen wij vaak even bij Hendrik kijken. Soms zei hij lange tijden niets, maar hij kon ook een heel gezellige prater zijn, met belangstelling voor velerlei dingen. Wat een mooie boeken heb ik bij hem gekocht, bijna altijd voor verhoudingsgewijs weinig geld. Mooie oude boeken uit omstreeks 1880 “Van de aarde en haar volkeren waarin geweldig mooie gravures staan, en o.a. diverse Verkadealbums en oude aanzichtkaarten heb ik bij Hendrik gekocht’ Toen ik Hendrik al een jaar of 10 kende en ik weer eens tijdens een mooie zonnige dag tijdens het fietsen even bij hem langs ging, en niet langer gezien het mooie weer dan tien minuten wilde gaan kijken tussen zijn boeken, zij hij na vijf minuten nadat ik binnen was gekomen. ‘Gerrit hoe lang blijf je denk je, ongeveer anderhalf uur ?, want dan ga ik even boven slapen en dan zie ik je straks wel weer als ik wakker word’. ‘En mocht er een klant komen leg het geld hier maar op tafel’. Mooi hé dat vertrouwen. Maar ik moest Hendrik teleur stellen, en liet hem weten gezien het mooie weer dat ik verder wilde fietsen.’ Is goed hoor’ zei hij voorover gebogen kuchend’ Ik doe de winkel wel dicht, je gaat toch zo hé’ ? zich in de ogen wrijvend van de slaap of rook van zijn sigaret. Later hoorde ik dat Hendrik enige maanden later was overleden, zijn vrouw belde mij of ik zij de door mij gemaakte foto van Hendrik mocht gebruiken voor een artikel in een plaatselijke krant en voor het overlijdensbericht. Natuurlijk gaf ik haar mijn toestemming. Als ik nu weer eens door Naarden fiets kijk in nog even bij de voormalige winkel van Hendrik, Het is nu een woonhuis geworden. Maar Hendrik en zijn prachtige oude boekenwinkel zijn voorgoed uit de tijd, en eigenlijk als in in Naarden ben mis ik hem wel, omdat ik niet even meer bij hem naar binnen kan wippen, een babbeltje maken en tussen de hoog schuin soms stoffige opgestapelde boeken kan snuffelen.

Langs het ‘Euvenpad’ ( Huppelpad ) in Wijk bij Duurstede. Omstreeks 1982.

De ‘Mazijk’ in Wijk bij Duurstede. November 1983.

Als ik het goed heb is deze foto gemaakt omstreeks 1963, tijdens een schoolreisje met mijn lagere school ( School met de Bijbel ) in Wijk bij Duurstede. Wij kijken naar vissen in een viskwekerij in Jutphaas dacht ik. Ik staat als 2e geheel rechts naast Maartje Merkens die geheel rechts staat.

Schoolreisje 1961 in drie WABO bussen. School met de Bijbel in Wijk bij Duurstede. Ik sta ( Gerrit Marchal ) als 2e van rechts, net achter Nelis die geheel rechts staat. Foto genomen op het kasteelbos.

Kom eens even mee, dan lopen wij iets verderop, ja tot hier, kijk eens naar dit boerderijtje. Het oude boerderijtje ‘Kortland’ staat het hier niet mooi ? Zo in het groen gelegen aan de Wickenburghseweg in het ‘t Goy nabij Houten. Het is toch prachtig! Het heeft iets knus. Het behoort bij het landgoed Wickenburgh, en is als tuinmanswoning met achterhuis in 1785 in opdracht van Johannes Wttewaall gebouwd. Zijn zoontje Jan plaatste op 15 juni 1785 de eerste steen. In de loop der jaren, vanaf 1972 ging ik als ik hier in de buurt was even kijken, bij de boerderij en het witte landhuis. En vanaf 1977, toen ik mijn eerste fototoestel een Pentax KX had gekocht wat foto’s maken. Op een dag zo omstreeks 1990 liep aan de zijkant van het boerderijtje een mevrouw op sloffen met haar poes aan de voeten over het tuinpad. Wij kwamen met elkaar in gesprek, misschien niet langer dan vijf minuten. Neel, zeg maar…Neeltje, was haar naam. Als de luiken van de kleine boerderij gesloten waren sliep zij, en deed Neeltje een middagdutje, en fietse ik op die dagen dat ik hier was gewoon verder. Als de luiken in de voorgevel open stonden dan was zij wakker. Dat was het prille begin van mijn jarenlange bezoeken aan haar. De volgende bezoeken werden in tijdsduur steeds langer. Toen ik hier omstreeks 1992 voor het eerst in de kleine boerderij binnen kwam leek het wel of ik in de tijd terug ging. De witgrijze wanden zaten vol oude gekringde vochtvlekken. Aan de rechterwand van de kleine boerenkamer, wat oorspronkelijk de keuken was, zat een tortelduif stil in zijn aan de muur hangende houten kooi. Een prachtige tegelwand achter een de moderne gaskachel trok mijn oog. Prachtig was deze tegelwand, met twee zwart geel omkaderde kleurrijke taferelen met o.a.mannen met een hoge hoed op, en de ene met paard en andere een rund aan een touw. Aan de zijkanten waren bloem- en vogelrijke prenten te zien in een zijdelinkse afkadering van het tegeltableau. Opvallend is dat het ene mannetje zijn jas groen is en zijn broek blauw, en bij het andere mannetje net omgekeerd, de jas blauw en broek groen. “Mooi he’ zegt Neeltje tegen mij met haar zachte stem, mij over haar tafel voorovergebogen aankijkend, staand vanachter een met bloembeblokt tafelzeil beklede tafel en haar hoofd onder een met wit haakwerk overdekte lamp. Spookachtige schaduwen werpt het lamplicht van boven over haar gezicht en gaan zwenkend bij ieder beweging van Neeltje over de tafel en kamervloer in het schaars verlichte boerenkamertje. De tortelduif koert zacht in zijn kooi en rommeld krassend wat in het voerbakje. ‘De tegelwand zit er nog steeds in vanaf dat de boerderij is gebouwd in 1785, mooi he, kijk eens hoe mooi de pauwen en de bloemen zijn getekend, ja jammer hé dat sommige tegels wat beschadigd zijn’ zegt Neeltje als aanvullende informatie en wijzend op de geelachtige vlekken in het tegelwek. Het tegeltablau ziet er mooi uit, maar is wel door de tand des tijds aangetast, vooral aan de bovenzijde onder de schouw hangen enkele tegels zo scheef dat zij ieder moment dreigen te vallen. ‘Ja de kachel past er eigenlijk niet bij, maar het was af en toe in de herfst vochtig in huis dat het behang van de muren losliet en er op sommige plekken van de muur naar beneden viel’. ‘Vooral in de winter kon het erg koud zijn, ik zat soms bijna te vernikkelen’. ‘Ik zal het je straks laten zien in de voorkamer, en de opkamer waar het behang van de muren is gevallen, je zal verbaasd zijn’ zegt Neeltje. ‘En de balken in de kelder, en de kaaskamer, ja die zitten soms vol vochtigglimmende schimmelvlekken, vooral in de natte herfst, soms ben ik wel eens bang als ik beneden ben dat de boel in elkaar stort. ‘Weet je’ zegt Neeltje naar aanleiding van mijn vraag waar het vocht vandaan komt. ‘Het is een oude boerderij, met vanuit de grond optrekkend vocht’. ‘Weet u, u mag het best wel weten, het heeft mij 6000 gulden gekost om de kachel en gasleiding hier naar het huis toe langs de weg aan te laten leggen, en dat is voor mij een heel bedrag, maar ik ben blij met m’n kachel, het is een stuk warmer en droger geworden in huis’. Haar ouders zijn in 1939 hier op de kleine boerderij Kortland komen wonen, voor die tijd woonden zij op een hier wat verderop gelegen grotere boerderij. ‘Maar vader is in ’63 overleden, 94 jaar heeft hij mogen worden, een hele leeftijd hé voor een mens, ja het moet je maar gegeven zijn, dat is lang niet altijd eigen verdienste, denk dat maar niet’. ‘Maar een mens word geroepen wanneer het zijn of haar tijd is, zo staat het in Gods woord, en zo is het maar net, daar hebben wij ons maar aan te houden’ zegt Neeltje overtuigend. ‘Ik ben van ’14’ vuld zij aan. Tot 1984 had zij de boerderij de voormalige tuinmanswonig in pacht, maar sindsdien huurt zij het voorste gedeelte ervan. In het begin sprak Neeltje mij met u aan, maar op aandringen van mij om gewoon ‘je’ te zeggen voldeed zij aan mij verzoek, maar af en toe bij serieuze dingen verviel zij wel eens terug naar ‘u’. Neeltje sprak altijd rustig, ingetogen met overdachte en weloverwogen woorden. In mijn ogen kwam zij altijd over als een slimme vrouw, wijs geworden door haar geleefd leven en levenservaring, en het harde werkzame leven op het platteland. Zij liet mij na jaren na onze eerste kennismaking bijna haar hele boerderij zien. De grote glimmende zware zinken emmers en een melkteems staand in een houten rek tegens de muur in de kaaskamer. Een teems is een trechtervormige breedmondige zeef waarin een watten schijf op de uitneembare zeef door middel van een ring vastgeklemd kan worden. Deze teems werd op een melkbus geplaatst om de vers gemolken koeien- of geitenmelk bij het ingieten te filteren van o.a koeien en geitenharen die tijdens het melken in de emmer gevallen waren. In de donkere voorkamer en opkamer zijn grote geringde vochtvlekken op het behang en muren te zien, en op enkele plekken hangt het oude behang van de muur losgelaten triest naar beneden. Op mijn vraag of de eigenaar, zij was huurder, er iets aan wil doen om alles een beetje op te knappen, schudde zij een glimlachend haar hoofd. ‘Ach weet je als ik uit de tijd ben zal alles wel opgeknapt worden, ik heb mijn langste tijd gehad, de Hemelse Vader zal mij binnen kort wel komen halen’. Met haar vriendelijk geleefd gezicht verstilde zij een lang moment, en keek in de kleine schaars verlichte boerenkamer over de met emaille pannen bedekte tafel en mij heen starend in een niet aanwezige verte. ‘En ja…ja, ieder mens moet zich eens voor onze Hemelsche Vader verantwoorden, jong of oud, of je het wil geloven of niet’ vervolgt zij uit haar verzonken gedachten terugkomend. ‘U bent toch ook gelovig opgevoed’? vraagt zij aftastend aan mij. Voodat ik antwoord kan geven praat Neeltje met haar bedachtzame zachte stem en haar woorden afwegend verder. ‘U mag het best wel weten hoor, ik lees iedere dag hier aan deze tafel in stilte uit Gods woord, dat geeft een mens rust en vrede en troost in het leven, ik zou niet zonder willen en kunnen, maar heb je nog trek in een kopje koffie’ ? ‘Eerlijk gezegd om op je vraag terug te komen, ik zie de eigenaar niet zo vaak’ verteld Neeltje zachtjes verder. Het lijkt wel of zij vandaag zogezegd op haar praatstoel zit, staand achter haar tafel. Ik kijk haar aan met haar omhoog geschoven groenetruimouwen en donkerblauw wit gestippelde schort. ‘De eigenaar dhr. Wttewaall komt hier wel eens in het achterhuis de schuur en om op het land kijken, ja daar kom ik nooit, ik zou niet durven. Eigenlijk ben ik nog altijd een beetje bang voor hem als hij hier in de boerderij in het achterhuis wat aan het rommelen is of over het erf loopt’. ‘Vroeger toen ik nog een klein meisje was moest ik van mijn ouders als wij langs het landhuis liepen groeten, en mijn vader deed zijn pet af ook al zag je niemand op het landgoed. En haalde het niet in je hoofd om niet te groeten, want je kon in de problemen komen, ja wij waren afhankelijk van ze hé ‘. ‘Maar gelukkig zijn die tijden voorbij, en wat mij betreft hoop ik dat zo’n tijd nooit meer terug komt, wil je nog een kopje koffie? ‘Ik vroeg het zonet ook al aan je, maar door al dat gepraat ben ik het glad vergeten, ach ja een mens wordt oud hé en dan krijg je dat’ zegt zij vriendelijk met haar zachte ogen. Met haar grote boerenvrouwenhand pakt zij de koffiepot. Bij het uit de koffiepot ingeschonken koffie kringelen dampsliertjes traag in het lamplicht naar boven en een heerlijke koffiegeur verspreid zich in de kleine kamer. ‘Hier neem nog een koekje, je zal wel honger hebben na al dat gefiets van je, maar gezellig dat je nog even aan kom, bij zo’n oud mens als ik’. Graag wil ik een foto maken van Neel, maar daar heeft zij wat moeite mee. ‘Nou nee hoor, maak maar foto’s van de jonge meiden, zo mooi ben ik niet meer’ zegt zij tegen mij. Ik geef aan dat ik graag een foto van haar wil maken als herinnering aan haar voor mijzelf voor later. Na veel wikken en wegen mag ik een foto maken, hij is niet helemaal geworden wat ik voor ogen had, maar beter iets dan niets. ‘Kijk es an, wacht us even’ zegt zij haar rechterhand haar behaarde kin strelend. ‘Ik heb nog iets wat jij wel leuk zal vinden denk ik, ik zal het even pakken, wacht maar even’. Voorzichtig op haar pantoffels verlaat Neeltje de kamer, terwijl ik intussen alles wat beter bekijk. Oude blauwe borden in het houten rek opgehangen boven de grijze deur naar de kaaskamer weerspiegelen zacht het kamerlamplicht. Achter het om de schouw hangend gordijntje hangt aan een oud stukje touw een vochtige geruite theedoek om te drogen. Op de schouw staan een paar tegen de muur leunende eveneens donkerblauwe borden, een grootformaat zwaluw lucifersdoosje en enkele voorraadbussen. Een grote houten klok tikt zacht en traag slingerend de tijd weg. Plots gaat het binnenwerk van de klok als een ontwakend monster ruisen, en slingerd twee maal zijn zware klokkenstem uit de houten klokkast de kleine boerenkamer in. Als de galm is weggebt lijkt het nog stiller dan voorheen. De tortelduif door de klok uit zijn middagdutje gewekt koert eveneens twee, drie maal, en vervalt met zijn kopje ingetrokken weer in zijn gestoord middagdutje. Een oude zwart/ wit foto van de boerderij aan de wand tegenover mij lijkt genomen in een periode ver voor mijn geboorte in 1952. Op een houten bruin glimmend bordje met bloemen is een troostende Bijbelspreuk geschreven. Een wit gordijntje hangt voor het raam van de deur die naar de kelder gaat. Als Neeltje terug komt heeft zij een klein boekje en een kleine foto in haar geaarderde werkhand en overhandigd het aan mij ‘Voorzichtig hoor, het is in 1832 door iemand uit de familie helemaal met de hand geschreven, over Benschop en omstreken’. Vol bewondering en voorzichtig bekijk ik, het in keurig klein handschrift geschreven bijzondere boekje. Graag had ik het willen lezen, maar eigenlijk durfde en wilde ik die gunst niet aan Neeltje vragen, zo dierbaar behandelde zij het boekje. Ik heb er geen foto van gemaakt, dom van mij, en ik ben nu benieuwd waar het boekje na het overlijden van Neeltje gebleven is. Ja, ergens in Baarn had zij nog familie wonen, misschien is het daar wel naartoe gegaan, ik hoop het, als het maar niet is weggooid. ‘Kijk us hier, dat zal je ook wel mooi vinden, omdat jij zoveel foto’s maak’ zegt zij opgetogen mij de foto aanreikend. ‘Kijk dit ben ik en dat is mijn vader, mooi hé’. Ik bekijk aandachtig de kleine foto, een enorm dikke boom ligt op een grasland en op boom zitten vier mensen. ‘Kijk da ben ik, en hier ach ja dat is mijn vader en die… die ja dat is Kees geloof ik, mijn ogen zijn niet zo best meer, ach dat krijg je in de loop der jaren, ja volgens mij is dat Kees’ herhaald Neeltje. ‘Zij verteld dat omstreeks 1960 tijdens een zware storm één van de twee dikke oude naast elkaar staande populieren die wat verderop achter de boerderij stonden was omgevallen. Het is inderdaad een enorme populier als ik de dikte van de stam verhoudinggewijs ga vergelijken met de erop zittende mensen. Wij genieten beiden van onze koffie. ‘Heb jij Kees nog gekend’ ? vraagt zij plots aan mij. Maar ik moet ontkennend antwoorden. Nee de naam Kees zeg mij niets. ‘Ach Kees woonde vroeger hier, Kees van Dort, hij was niet mijn man hoor, maar ja hij woonde hier wel’. Later begreep ik van Piet, een man uit ‘t Goy die hier af en toe over de vloer kwam om te kijken of alles met Neeltje goed ging. Dat Neel en Kees niet getrouwd waren, hoe zal ik het zeggen, iedereen in het dorp zei bij wijze van spreken dat Kees en Neel een ongetrouwd huwelijk hadden. Het zij zo. Neeltje en ik praten verder over allerlei dingen van het boeren- en landleven, van haar schuur waarin zij niet meer in durfde te gaan omdat hij op instorten stond. ‘Ja Kees hield vroeger die dingen nog een beetje bij maar sinds hij uit de tijd is, raakt alles steeds meer in verval, ach man het is wat’. zegt Neeltje overpeinzend. Weet je dat hier net naast de deur in het klompemhok een bakhuisje heeft gestaan ? ‘t was een mooi ding, jammer dat het is gesloopt’. ‘Vroeger stond hier nog een oude hooiberg achter op het erf maar na honderd jaar is hij van ellende en ouderdom in elkaar gezakt, ja wanneer was dat ook alweer ? zegt Neeltje overpeinzend. ‘Ik geloof in ’58…ja in 1958 toen leefde vader nog. ‘Vijf roeden had die hooiberg, en dat zie je tegenwoordig niet zoveel meer, er is een nieuwe voorin de plaats gekomen met twee roeden, maar ik vond de oude berg veel mooier, jammer dat hij weg is’. Ik vertel haar dat ik in Rijswijk in Gelderland nog een paar vijfroedige hooibergen weet te staan. Wij praten wat verder over het land en dieren en het boerenleven van vroeger. ‘Ik hou van paarden wist u dat ? Prachtige dieren zijn het mooie schepsels’. Kent u toevallig het boek ‘De paardenfluisteraar’ vraagt Neeltje mij met haar in het lamplicht zachtglimmende ogen aankijkend. Ik laat Neeltje weten dat ik de film heb gezien en het een mooi verhaal vond en indrukwekkend verfilmd, maar het boek nog eens wil gaan lezen. ‘Ja hoe zal ik het zeggen…’vervolgd Neeltje. ‘Het is een goed boek met een mooi verhaal, maar ja uh…er komt ja hoe zal ik het zeggen..uh seks in voor, en dat hoeft van mij niet zo, als u begrijp wat ik bedoel’. Regelmatig en afwisselend sprak Neeltje mij, vooral in het begin toen wij elkaar pas kenden aan met u. Maar daarna bijna altijd met je. Maar nu bij een voor haar gevoelig, of in haar ogen denk ik vervelend onderwerp verviel zij weer even in u. ‘Kent u toevallig de film’ ? vroeg ik haar. Zij ontkende en liet weten nog nooit in de bioscoop geweest te zijn. ‘Ach daar kwam je vroeger nooit, je ging er gewoon niet heen, zonde van je geld hé, nee..nee dat kwamen wij nooit, zo waren wij niet opgevoed, wij kwamen bijna nooit in de grote stad’ antwoorde zij op mijn vraag of zij ooit in een bioscoop was geweest. Ik beloofde haar mijn DVD speler en TV een keer mee te nemen, en dat wij dan gemamelijk de film ‘De Paardenfluisteraar’ in haar boerderijtje konden gaan kijken. Maar helaas is Neeltje vrij onverwacht na mijn belofte in 2002 overleden, en in het wat verderop gelegen dorp Schalkwijk begraven. Ik ben blij dat ik haar heb mogen leren kennen, en altijd zal er een warm plekje voor haar in mijn binnenste blijven. Haar boerderijtje is in later jaren door een jonkheer opgeknapt. Ja, tijden veranderen. Tijdens het leeghalen en opknappen van het boerderijtje, na Neeltjes overlijden mocht ik van de jonkheer, de toekomstige bewoner nog wat foto’s maken, en heb hem als dank hiervoor, nog een DVD gegeven met daarop foto’s die ik in de loop der jaren bij Neeltje had gemaakt. Mensen komen en gaan als een voorbijgaande schaduw in de tijd. En zo is het altijd al gegaan, en zal tot het einde der tijden wel zo blijven. Maar de vriendelijke Neeltje zal ik missen. Voor aanvullende foto’s zie bij Facebook onder: Lenie Gerrit Marchal. Met vriendelijke groet, Gerrit.

Op één van mijn fietstochten zo omstreeks 1978 in het Krommerijngebied welke gelegen is in de provincie Utrecht, was ik bij het landhuis Wickenburgh in het ‘t Goy gaan kijken. Nooit van gehoord ? Nou ik kende het vroeger eigenlijk ook alléén maar van naam en uit de boeken. Via, fruitboomgaarden en weilanden omgeven landwegen kwam ik onverwachts bij het landhuis Wickenburgh met zijn prachtige duiventoren en het oude boerderijtje uit 1785 wat even verderop aan de overzijde van de weg gelegen is. Schapen graasden in de schaduw van dicht bebladerde bomen bij de bocht in de weg toen de kleine boerderij achter een paar in bloei staande fruitbomen zichtbaar werd. Het was voor mij en onverwachtse ontmoeting. Hoge bomen en struiken weerspiegelden dromerig in de vijver het wat verderop gelegen witte landhuis. Oude gronden zijn het hier las ik jaren later, en een nog oudere geschiedenis zweefde hier rond. Het is nu nog maar een klein stukje groen, zo nabij de zorgwekkend oprukkende nieuwbouw van Houten, wat omstreeks 1969 nog knus klein dorp was. Je bent Wickenburgh voorbij voor je het weet. Maar toch vind ik het altijd fijn om hier even te kijken, een stukje te wandelen of langs te rijden als ik hier in de omgeving ben. Wickenburgh de buitenplaats van nu is gebouwd op een voormalig kasteel Westenstein. Hier zou in de Karolingische tijd een hofstede ‘Westrummerhofstede’ hebben gestaan, althans dat zijn de vermoedens van de geschiedenisonderzoekers. Een hofstede is een oude boerderij, en Westenstein stond aan de rand van de Westrummerweijde, een nederzetting ( Westrum ) waaromheen akkers en weidegebieden lagen. Op een kaart uit 1641 is het huis met daarvoor een ronde vijver te zien, waarin een rond eiland gelegen was. Op dit ronde eiland zou op een verhoogde aarden wal een ‘Mottekasteeltje’, een houten kasteeltje hebben gestaan. Maar de eerste keer dat Westenstein, een waarschijnlijk uit stenen opgetrokken gebouw, waar omheen een gracht gelegen was in de documenten voorkomt is 1300. Bij recente werkzaamheden en een verbouwing aan het landhuis Wickenburgh kwamen oude muurrestanten van een kelder aan het daglicht. Deze zouden gezien het steenformaat nog als een restant van het oude 14e -eeuwse kasteel Westenstein kunnen zijn. Vermoedelijk is Westenstein al in het midden van de 14e eeuw verwoest, waarna gebruikmaking van fundamenten en stenen een nieuw dwarshuisboerderij is gebouwd. De toentertijd aanwezige grachten zijn in de 17e en 18e eeuw gedempt, en het laatste grachtgedeelte ongeveer in 1810. Wickenburgh, een herenhuis en boerderij komt als naam het eerst omstreeks 1381 in de documenten voor. En sinds 1741 komt de naam ‘Wttewaall’ tot heden ten dage voor als bewoners van het landhuis Wickenburgh. Deze tweeledige bebouwing, herenhuis en boerderij bleef tot 1814, daarna werd het achterhuis gesloopt en tussen 1860 en 1870 de voormalige boerderij opgehoogd tot dezelfde hoogte als het bestaande herenhuis. De brand van 1951 heeft een gedeelte, onder andere de gehele zolderverdieping van het landhuis verwoest. Het zwaar verbrande landhuis was aan de noordwestelijke geheel verwoest en daarna is dit gedeelte verder afgebroken. Maar tot zover het landhuis. We laten het voor hetgeen het is, en eerlijk gezegd vind ik het huidige witte landhuis zo gelegen nabij de vijver ook niet zo heel bijzonder, maar de bijbehorende geschiedenis wel. Persoonlijk veel mooier, ja prachtig door zijn oudheid en grauwheid is het wat dichter bij de weg gelegen zestiende-eeuwse duiventorentje. Op het in 1755 gewijzigd en verbeterd achthoekige dak staat een windvaan met daarin het jaar 1675 aangegeven. Geweldig vind ik de toren. Het is een van de oudste duiventorens uit de regio en gebouwd in verschillende steenformaten. Sinds de middeleeuwen bezat Wickenburgh het recht, een adellijk recht om duiven te mogen houden. Kijk hem daar nu eens staan, onverstoorbaar met korstmossen en muurplanten begroeide stenen, en zijn mooi kleine stenen trap. Twaalf meter hoog is hij, met een doorsnede van vijf meter. Op 4 januari 2006 mocht ik van een familielid, een jonge vrouw die voor het landhuis op het gras liggend in gesprek was met een oudere dame in de duiventoren gaan kijken en wat foto’s maken. ‘Kijk maar of de deur open is, maar doe voorzichtig hoor, volgens mij is het een beetje rommelig in de toren’ waarschuwde zij mij vriendelijk. Over het gras door licht krakende oude verkleurde bladeren, langs duizenden sneeuwklokjes en onder kromme knoesttakkige met klimop omgorde oude beukenbomen liep ik naar de duiventoren. Een spannend gevoel bekroop mij, iets avontuurlijks dat ik nu na jaren de toren eindelijk eens, als de deur tenminste open was, aan de binnenkant kon bekijken. De vijf begroeide traptreden nam ik voorzichtig. Een oud verroest bruinijzeren hangslot hangend aan nog erger vergaande ijzeren beugel in de linkerdikke deurstijl is open. Als het goed was kon ik nu naar binnen. Het drie breedplankige aan de bovenzijde ronde deurtje piepte droog toen ik het voorzichtig met een krakend geluid opentrok. Via de laatste hoge opstap stapte in naar binnen, en stond even stil om mijn ogen aan het half duister, en mijn neus aan de lichte stank van duivenstront te laten wennen. Maar met de rommel viel het allemaal mee, er lagen wat stukken steen en gedroogde duivenstront was aan de binnenkant van de ronde torenmuur schuin oplopend opgehoopt. Door verroeste kleine ijzeren plaatjes met tientallen ronde gaatjes, waarschijnlijk ventilatieroosters, die op enkele plekken in de muuropeningen waren geplaatst stroomde wat karig licht naar binnen, en maakt kleine lichtharpen in het grijs opdwarrelend stof. Nu de deur open stond en buitenlicht naar binnen stroomde, en mijn ogen gewend waren aan het schaarse licht boven in de toren zie ik veel meer. Roodstenen nesthokjes, 317 stuks kwam ik later achter, zijn in de muur aan de binnenzijde van de ronde toren ingebouwd. Voor het oog waren kris kras elkaar kruisende balken te zien bij een blik omhoog in de duiventoren. De vlieggaten begreep ik later waren bewust zo groot of beter gezegd zo klein gemaakt dat de iets kleine veldduiven, de ‘veldvluchters’ dat zijn de kleinere veld- of steenduiven die in de middeleeuwen gehouden werden er wel in konden, maar de wat grotere postduiven niet. Vol verbazing bekijk ik de vele nestplaatsen en het uit dikke balken gemaakt deurkozijn. Een metalen trap stond bijna recht omhoog tegen de laagste bleekhouten balken. Zo goed mogelijk heb ik wat foto’s gemaakt. Ik voelde mij gelukkig dat ik hier zo even mocht rondsnuffelen en alles bekijken, eindelijk was in hier binnen in de toren geweest, prachtig toch ! Duiventorens stonden in voorgaande eeuwen bij kastelen en grote boerderijen. Het ‘duivenrecht’ was toentertijd een recht, dat alléén voor de adel en geestelijken behouden was, om duiven te houden. De grootste bloei was in de 13e en 18e eeuw. Het houden van duiven had twee voordelen. Er werd door de duiven ten eerste natuurlijk mest geproduceerd die als bemesting werd gebruikt op een minder vruchtbare bodem, zoals op zandgronden en ten tweede werden jonge duiven gegeten, of net voor zij konden uitvliegen verhandeld op markten. De duiven vonden voedsel op de akkers van de hardwerkende boeren, wat voor hen natuurlijk schade opleverde, maar voor de heren en adel koste dat natuurlijk niets maar zij plukten zogezegd daarvan wel de vruchten. Ja, Jan met de pet had in vroeger tijden niet zoveel, of beter gezegd niets te vertellen. Je moest zwijgen en ja knikken wilde je niet uit je arbeidershuisje of boerderij gezet worden. De adel en rijken hadden het voor het zeggen. Het is maar goed dat de tijden wat dat betreft veranderd zijn. De aanwezigheid van een duiventoren bij een landhuis, kasteel of boerderij was in vroeger tijden een teken van welvaart en rijkdom. Men mocht één koppel duiven houden per hectare ( 100 bij 100 meter ) grond die zij als land bezaten. Een ‘bunder’ een oppervlaktebenaming van vroeger, en misschien wordt het nu ook nog gebruikt, is over het algemeen, afhankelijk van de streek in Nederland iets groter dan een hectare. Mijn vader gebruikte nog regelmatig de term ‘bunder’. De term ‘bunder’ is uit het Frans afkomstig, van ‘Bonnier’. Voor andere bijbehorende foto’s zie bij Facebook onder ‘Lenie Gerrit Marchal’. m.v.g. Gerrit.

Wat ben ik blij dat er nog bijzondere mensen zijn. Een maand of twee geleden heb ik de nu 61 jarige David Heywood ontmoet. Geweldig wat een kerel. Het is in een Engeland geboren man, die in zijn leven reizen over bijna de gehele wereld heeft gemaakt maar uiteindelijk in Almere is blijven hangen. Een vrouw van onze moestuinvereniging zei tegen mij ‘Gerrit jij maak toch graag foto’s, want ik zie je altijd met je fototoestel ? je moet eens bij mijn buurman David gaan kijken die kweekt kalebassen, kleine en grote, zijn hele tuin hangt volgens mij vol, ga maar is bij hem kijken. Door de drukte in onze moestuin was ik eerlijk gezegd David een beetje vergeten, tot de tuindame enkele dagen later aan mijn vroeg ‘Ben je nou al bij David geweest ? Ik moest ontkennend antwoorden. ‘Stom ,stom…druk…druk, van de week ga ik bij hem kijken’ beloofde ik haar. En zoals beloofd ben ik enkele dagen later bij David gaan kijken. Ik keek mijn ogen uit bij wijze van spreken toen ik bij David door de overgroeide lange tuiningang naar binnen liep. Prachtig wat hij ieder jaar weer van zijn tuin rondom zijn tuinhuisje maakt. Maanden is hij er mee bezig. Zaden drogen, kalebassen verzamelen en uithollen, en o.a. in het voorjaar in een kas alvast voor te kweken door deze kas warm en op temperatuur te houden door het stoken van een houtkachel. Tot mijn verbazing heeft hij overal trollen, heksen, poppen, kikkers, varkens, kabouters, en kleine en grote druipkaarsen etc. staan. ‘Ja ik vind ze prachtig zegt hij, mijn hele leven al, die kabouters, trollen en elfjes. Soms op donkere avonden steekt hij meerdere plekken in zijn fantasietuin druipkaarsen en gekleurde lampjes aan en zittend in zijn oude rietenstoel luistert hij naar zijn lievelingsmuziek. Van volgroeide kalebassen maakt hij o.a. lampen en andere dingen. Sommige kalebassen zijn zo groot en zwaar gegroeid dat zij met twee man opgetild moeten worden, en in een kruiwagen verplaatst. Mijn kleinkinderen Xenna en Enzo heb ik een keertje meegenomen, en zij keken met verbaasde ogen naar de kabouters, trollen elfjes. Ik had thuis nog een pot met kikkers staan en deze met Xenna aan David gegeven. Hij wil ze op een grote kalebas gaan plakken en hiervan een lamp gaan maken met verschillend gekleurde lampjes. Deze week ga ik David wat beloofde foto’s brengen. En ik heb hem gevraagd of ik wat foto’s op facebook en De Wijkse Zwerver mocht zetten. ‘Ja is goed hoor, ik vind het best’ zegt de goedlachse vriendelijke David in zijn tweetalige gemende grappig klinkende taal. Voor meer bijbehorende foto’s zie bij Facebook onder: Lenie Gerrit Marchal.

Over een gekochte geit, appels ‘knoken’, en vader als fruitplukker.Ja, soms komen oude herinneringen…ploep zomaar ineens in je hoofd opborrelen. In geen jaren meer aan gedacht. Je was het helemaal vergeten. Tot plotseling, nu ik wat ouder begin te worden iets, belevenissen vanuit je jonge jeugdjaren zomaar in je hoofd naar boven komen. Gek is dat toch. 68 jaar ben ik nu, maar vorig jaar wandelde ik over de Trechtweg, die wij bij ons thuis, en eigenlijk iedereen in Wijk bij Duurstede ‘de Trekweg’ noemden, toen er beelden van vroeger naar boven kwamen, van oude heggen en in bloei staande boomgaarden gelegen in een stil mooi en lieflijk landschap. Lieflijk dat wel, maar er moest in vroeger dagen hard worden gewerkt door de landbouwers, melkveehouders, fruittelers, boerenknechten en arbeiders om het hoofd boven water te houden. Van de vroege ochtenduren tot vaak laat in de avond werd er gewerkt. Wij hadden thuis altijd goed te eten, maar mijn ouders gingen zuinig met hun bij elkaar gewerkt en gespaard geld om. Naast zijn werk had vader, behalve de tuin rondom het huis, nog twee grote moestuinen. Ja er werd hard gewerkt, de 2e wereldoorlog was gelukkig alweer jaren geleden, en bijna iedereen zetten zijn schouders er onder om Nederland weer op te bouwen en om voor zijn eigen gezin te zorgen. Zo ook vader, die hoofdzakelijk buiten werkte en moeder in en om huis. In mijn jonge jaren zie ik haar nog voorovergebogen staan boven de schuimende houten wastobbe en moest ik als jochie haar soms helpen met de in mijn ogen wonderlijke wringer langzaam rond te draaien om de gewassen overalls van vader uit te wringen. Moeder was heel blij toen zij in begin 60er jaren een echte wasmachine kreeg, nou ja gekocht had. Er werd vroeg opgestaan door de landbouwers en veeteelthouders. Als ik nu mijn ogen sluit, hoor en zie ik in gedachten op een kille ochtend, zo omstreeks eind 60er jaren, een puffend trekkertje met rammelende melkbussen bij mijn ouders over de dijk gaan richting de in lichte nevels gehulde Bosscherwaarden, de uiterwaarden, waar de koeien gemolken moesten worden. Hoe mooi konden de mistige uiterwaarden zijn. Als ik in later jaren naar de LTS in Culemborg fietste hing soms in de late herfstdagen een lichte nevel en mist over de weilanden, en zeefden pootloze koeien als donkere vlekken in het ogenschijnlijke niets. Maar over mooi gesproken, als nu anno 2020 rondom Wijk bij Duurstede in het voorjaar de laagstamfruitbomen in bloei staan is dit maar een flauwe afspiegeling van de vroeger bloeiende hoogstamappel- en perenbomen, die op een weelderige wonderschone manier het landschap kleurden. Vol bewondering wandelden en fietsten mensen vroeger, soms van heinde en verre gekomen, door deze zo uitbundige met wit en lichtroze betoverde bloesemwereld, o.a. langs de Trekweg en Wijkersloot. Prachtig, zoals in een sprookje, was dan in het voorjaar dit gedeelte van het Krommerijngebied. Trekweg en Trechtweg, gekke namen eigenlijk. Maar het zit het zo. In Wijk Bij Duurstede begint deze weg als Trekweg, en bij de grensovergang van Wijk naar Cothen veranderd deze naam in Trechtweg. Maar voor het gemak zal ik hierna de naam Trekweg blijven gebruiken. En de herkomst van deze naam, ja wie zal het zeggen ? In vroeger eeuwen was dit de weg van Wijk naar Utrecht, zonder U is het dan Trecht, juist ja, Trechtweg ligt dan voor de hand, maar dit kan natuurlijk ook te simpel gedacht zijn. Utrecht werd vroeger in Latijn ‘Trajectum’ genoemd. Omstreeks het einde van de 10e eeuw veranderde geleidelijk de naam van de stad Trecht in Utrecht. Misschien weten jullie meer, dan hoor ik het wel. Ja oude herinneringen kwamen tijdens het wandelen over de Trekweg naar boven. Hier was ik vroeger, zo omstreeks 1960 – 1962 een paar keer met vader ( Wout Marchal – de wegwerker ) geweest, toen hij voor het waterschap aan het werk was, om weg- en slootbermen en sloten schoon te maken met zijn zeis en een grote brede houten hark waarmee de losgemaaide slootplanten op de kant werden getrokken. Als jochie keek ik verwonderend naar het plots op de slootkant getrokken dieren- en plantenleven zoals spartelende blinkende stekelbaarsjes, zwart glimmende waterkevers, en soms kronkelende bloedzuigers. Hier langs deze slootkanten is mijn aangeboren liefde voor de natuur verder aangewakkerd. Op later leeftijd ging ik in boeken lezen over watervlooien, eencelligen, regenwormen, pissebedden, hooiwagens en kevers etc. Zoals de ook ongewoon grote lichtgroene kikker die vader en ik in dezelfde periode onverwachts vanaf de slootkant in het weidse Wijkerbroek in het slootwater zagen springen ben ik nooit vergeten, en heeft mijn belangstelling voor het leven in o.a. de sloten aangewakkerd. Vader die best wat gewend was, tijdens het schoonhouden van de sloten had nog nooit zo’n grote kikker gezien. Maar sloten schoon maken was zwaar werk, en er zat dan ook geen grammetje vet op vader, één en al spieren, taai en sterk. Toen pa een keer in Utrecht naar het ziekenhuis moest i.v.m. zijn nierstenen, verbaasde het de behandelend arts dat hij zo weinig vet op zijn lichaam had. Het waterschap controleert een paar maal per jaar de sloten en overige watergangen. Mijn broers en ik moesten van pa een paar keer per jaar, in begin 60er jaren op verschillende plaatsen bij ons in de omgeving ( Bij de sluizen, Middelweg- West, Wijkerbroek en langs het ‘onderdijkje’ bij De Noord ) een ongeveer 20 bij 30 cm groot wit papieren vel met punaises aan bomen en speciaal daarvoor bestemde aankondigingsborden goed vastprikken. Met grote zwarte dikke letters stond boven aan dit papier ‘Schouw’ te lezen en daaronder in kleinere tekst een aanvulling van datum en overige gegevens. Dit was een vooraankondiging van een binnenkort uitgevoerde ‘Schouw’ ,een controle door het waterschap of de landeigenaren hun sloten en watergangen goed schoonhielden van planten, zodat er een goede waterdoorstroming kon plaatsvinden. Maar om op de Trekweg terug te komen, wat is het hier in de afgelopen tientallen jaren veranderd schoot het mij al wandelend te binnen. Het smalle stille landwegje van vroeger uit mijn jeugdjaren was breder geworden. Voor auto’s moet je tegenwoordig goed aan de kant van de weg fietsen, of even in de berm gaan staan. Grote tractoren en landbouwmachines en vrachtauto’s geladen met bovenmaatse fruitkisten komen vooral in de oogsttijd het wegje overdenderen. Ik ga, zeker als ik met de fiets ben, even stil staan in de berm voor mijn eigen veiligheid, en wacht bij droog weer in een licht stuivende stofwolk tot de kolos voorbij is gereden. Maar vroeger toen ik nog een jochie was, ja hoe oud zal ik zijn geweest, tien jaar ? Ik zou het verrek niet precies meer weten, maar in ieder geval voor 1 januari 1965 was ik met vader bij Kees van de Vliert geweest. Kees woonde vanaf de Steenstraat komende hier aan het begin van de Trekweg in een aan de rechterzijde van de weg tussen fruitbomen gelegen boerderijtje. Ja juist daar waar nu de kinderboerderij is. Maar waarom voor 1 januari 1965. Nou tot die datum werkte mijn vader als ‘wegwerker’ bij het ‘Waterschap onder Wijk bij Duurstede’ voor o.a. het onderhoud van wegen en het schoonmaken van sloten etc. Vanaf 1965 tot zijn pensioen heeft hij bij de gemeente Wijk bij Duurstede gewerkt. Gelijk bij het binnenkomen in de kleine boerderij van Kees stond rechts een houten donkerbruin spinnewiel. Ik had nog nooit een echte gezien, en kende het alléén maar uit sprookjes. Een echt spinnewiel ! Ik wilde hem wel aanraken maar durfde niet, bang dat ik hem zo wie zo niet mocht aanraken, en dat ik in mijn kinderlijke fantasie net als Doornroosje geprikt zou worden, om over honderd jaar, of misschien wel nooit meer wakker zou worden. Hoe vaak zei moeder toentertijd niet met haar rechterwijsvinger op en neer gaand haar woorden kracht bijzettend, voordat wij b.v. een winkel binnengingen, ‘Denk erom nergens met je vingers aankomen’. Moeders voorwaarschuwing zal wel nodig zijn geweest, want o, o hoe verleidelijk en onweerstaanbaar is het niet als kind zijnde om alles even aan te raken en te voelen, vooral als in winkels lekkere snoepjes op kinderhoogte zijn opgesteld. Maar mooi vond ik het spinnewiel wel, en ik ben het nooit meer vergeten. Ja de Trekweg…wat was het toch omstreeks 1960 een stille landweg. Bij de Steenstraat vanuit Wijk beginnend met een in de binnenbocht gelegen kale akker, vanwaar je in de verte de woningen gelegen aan de Zandweg kon zien. Verder liep de Trekweg een beetje slingerend door de vele hoogstamboomgaarden en enkele lange akkers, en voorbij Cothen weidse weilanden, waar het tenslotte bij de Dwarsdijk aansloot en daar eindigde. Als ik als jochie met pa meeging en hij druk aan het werk was de sloten schoon te maken struinde ik, wel door vader in de gaten gehouden, langs de hoge heggen op zoek naar vogelnestjes. Niet om er eieren uit te halen, ik wilde toen wel maar dat mocht ik niet van vader. Hoe spannend was het om vogelnestjes te vinden in de vaak dicht begroeide hoge heggen. Soms pakte vader, als ik een nestje had gevonden, voorzichtig een eitje en liet het mij zien. Prachtig vond ik dat als jochie om zo’n klein teer eitje te bekijken en te voelen. Het woog bijna niets in je hand en wonderlijk dat daar binnenkort een vogeltje uit zou komen, hoe was het mogelijk. Vervolgens legde vader het tere eitje voorzichtig weer terug in het vogelnest. Soms tilde hij mij even op zodat ik in het vogelnest kon kijken. Pa had tijdens zijn werk altijd een oude melkfles, afgesloten met een kurk met een hard geribbelde plastic rand bij zich. De kurk piepte altijd iets bij draaiend lostrekken uit de flessenhals. Deze fles was gevuld met door moeder in de vroege ochtend gemaakte thee, en vooral op warme dagen nam vader af en toe een paar slokken, maar ik had aan één slok genoeg, want de thee was in de loop van de dag koud, donker en bitter geworden, soms liep er na een slok een gruwelrilling over mijn rug. Als ik nu op een topografische kaart uit 1964 kijk valt mij op hoeveel boomgaarden er toen hier langs de Trekweg en Wijkersloot waren. In de Wijkersloot stonden, en staan nu nog mooie en grote boerderijen, maar hier langs de Trekweg zo opvallend weinig. Maar drie ! De boerderij van Kees van de Vliert en een paar honderd meter verderop aan de overzijde van de Trekweg gelegen boerderij van Imker van Dam, en aan het eind bij de Dwarsdijk de mooie boerderij van Niek van Rijn, dat was alles. Mocht ik iets vergeten zijn laat het mij als jullie willen even weten. Kijk maar eens op oude landkaarten, hoe landelijk het hier in deze omgeving was. Donderdag 24 september 2020 ben ik nog eens over de Trekweg gefietst, tjonge jonge wat een bebouwing is hier in de loop der jaren bijgekomen. Mooie gebouwen, maar ook oerlelijke dingen, wat ten koste gaat van het ooit zo mooie landschap. Wat zal het in de toekomst worden ? Ik hou mijn hart vast. En ach ja vroeger gebeurden hier er ook wel dingen die nu nooit meer plaats zouden vinden. In de jaren 50, zo hoorde ik een bewoner uit deze omgeving vertellen, moest in opdracht van Gemeente Cothen, Gart van Zetten de vader van Ben en Jan, de Trekweg, toen nog een onverharde grindweg na een lange droge periode met afgewerkte olie besproeien en daarna slepen om opwaaiend stof en verstuivingen tegen te gaan. Nee nu zou zoiets nooit meer mogen, en terecht. Het zijn oude ontgingingen hier in deze omgeving, komende vanaf Wijk vanaf de Steenstraat, liggen rechts ‘De Neder Noorderwaard, Oude Wetering, en aan de linkerzijde ‘Langslag en Nieuwland. Vervolgens doorsnijd de Trekweg richting Cothen ‘Opveld, Middelveld, en Uitveld als laatste tot aan de Dwarsdijk. Vaak zijn de ontginingsgebieden herkenbaar aan de richting van de sloten. Maar de Trekweg doorsnijd een reeds in vroeger tijden gemaakte verkaveling, tenminste daar lijkt het op. Is de Trekweg dan een ‘jonge’ weg ? Sinds 1380 komt de naam van deze weg als ‘Trechtwedh’ regelmatig voor. Wie weet meer ? In voorgaande eeuwen leefden de mensen hier in deze omgeving hoofdzakelijk van de landbouw, maar na de landbouwcrisis van eind achttiende eeuw besloten veel bewoners over te gaan op vee- en fruitteelt, en zo is het hier tot op de dag vandaag nog gebleven. O ja de Dwarsdijk, dat mooie buurtschapje, het heeft iets knus, iets gemoedelijks. Het zijn oude gronden, en een oud landschap is het hier. De ‘Smidsdijk’ en de ‘Kapelleweg’ Waar komen die namen toch vandaan ? Hier aan de Kapelleweg heeft in voorgaande eeuwen een kapel gestaan. Op een oude kaart van Cornelis van Berck uit 1562 staat de kapel, hier aan de Dwarsdijk gelegen aangegeven, vandaar de naam. In 1375 komt voor het eerst de naam van deze kapel, behoren bij de parochie van Werkhoven, voor in de oude documenten. Maar waarschijnlijk is deze kapel wel eerder gebouwd. In de 18e eeuw is deze kapel gesloopt. Eveneens op de kaart staat tegenover de kapel ‘die Smit’ vermeld en als gebouwtje aangegeven, naar aanleiding hiervan heet de weg hier Smidsdijk. De Dwarsdijkse wetering werd in de 11e eeuw gegraven als uitwatering van het Wijkerbroek. Hier aan de Dwarsdijk heeft vader, ik weet het nog, omstreeks 1964 bij Wout van de Weerdhof en zijn vrouw Sientje een geit gekocht. Ik was hun namen vergeten, maar Wim van Amerongen, de schrijver van de prachtige boeken over Wijk bij Duurstede en omgeving, is aan de Dwarsdijk opgegroeid en via hem ben ik achter de namen van Wout en Sientje gekomen. Wout en Sientje gingen bijna dagelijks naar de Ossenwaard, naar het ‘Land’ of naar de ‘boomgaard’ zoals zij dat noemden waar hun geiten graasden. De thermoskan gevuld met weinig koffie maar met veel geitenmelk ging altijd mee. Men was zuinig in die dagen. Vanuit hun geitenschuur achter hun huis aan de Dwarsdijk, gelegen in de schaduw van een aan de linkerzijde staande grote notenboom liepen wij, als ik het goed heb onthouden, vader mijn oudste broer Wout en ik, met de gekochte geit in de open handkar richting ons huis, gelegen aan de Sluis Zuid 2 in Wijk bij Duurstede. Het was voor mij als jonge jongen een hele tippel. Waar toentertijd de Trekweg, Dwarsdijk en Smidsdijk en Kapelleweg, bij de boerderij van Niek van Rijn bijeenkwamen liep door de boomgaard een karrespoor, ‘De Steeg’ richting de Wijkersloot. Niek verkampte zijn koeien via dit karrespoor, ‘de Steeg’ van en naar zijn boerderij en het van hem in de Wijkersloot gelegen weiland, zo wist Jan van Zetten het mij nog te vertellen. Ik ontmoete Jan tijdens een fietstocht donderdag 24 september 2020 voor zijn boerderij in de Wijkersloot. Hij was moeilijk te verstaan, maar toch kon hij nog wat mooie dingen vertellen van vroeger. Jan en zijn iets oudere broer Ben waren vroeger hard werkende mannen. Bij vader hadden zij in de 60- en 70er jaren dagenlang met een grote cirkelzaag, die achterop hun trekker geplaatst was boomstammen en takken in kloofbare houtblokken gezaagd. Vader kocht ik dacht voor 25 gulden gerooide populierenboomstammen en takken van de bomen die bij ons voor het huis aan de Sluis Zuid in Wijk bij Duurstede gerooid werden. Bij ons naast het huis lag soms een rij te verzagen boomstammen en dikke takken, tussen de perenbomen opgestapeld, van tien tot twintig meter lengte en ongeveer twee meter hoog. Maar om weer even op de gekochte geit terug te komen, of wij met de geit in de kar over dit karrespoor bij de boerderij van Niek van Rijn of via De Trekweg en Spiegelweg richting de Wijkersloot zijn gelopen weet ik niet meer. Via ‘De Steeg’ was wel de korstte weg. Gezamenlijk wandelden wij door de Wijkersloot langs grote boerderijen soms verscholen achter dikke hoge bomen en omgeven door hoogstamboomgaarden en enkele weilanden. Langs het kleine boerderijtje van Mans of Mels ( Melchior ) Elberse, de grote boerderijen van Piet en Jan Vernooij, waar vader in de oogsttijd wat extra bijverdiende door appels, peren en kersen te plukken. Bij de prachtige op een soort kasteelachtige omgrachte boerderij ‘De Vogelpoel’, van Fam. van Bemmel vertelde pa dat hier in de 2e wereldoorlog nog mensen waren ondergedoken. Er is een mooie gedenksteen in de boerderij ingemetseld. Via de rare bocht in de Wijkersloot kwamen wij bij de grote boerderij ‘De Stijgbeugel’ waar Fam. Nell woonde en gingen vervolgens rechtsaf het Huppelpad ( Euvenpad ) op. Hé, daar liep even verderop Piet Nell zoals bijna altijd met zijn kruiwagen, ‘Alles goed Piet ?’ vroeg vader tijdens het voorbij gaan. Piet, de altijd vriendelijke goedlachse Piet zei niets maar knikte van ‘ja’ en keek ons vanachter zijn kruiwagen lang na, waarschijnlijk vond hij het vreemd om ons zo te zien gaan met de geit in de handkar. Wij liepen verder langs weilanden en links achter een hoge heg verscholen boomgaard van ‘van de heiligenberg’ bij ‘De Galg’ waar de vier rode pannenhuizen staan. ‘De galg’, wat een gekke naam vond ik dat vroeger. Zou hier in vervlogen tijden een galg hebben gestaan ? Ja zeker. Hier in de nu door de nieuwbouw verdwenen boomgaard van ‘van de Heiligenberg’ heeft een galg gestaan. Ongeveer waar nu het ‘Anker’ is in Wijk bij Duurstede. ‘Euvel’ en Uvil’ betekende vroeger zoiets als slechteriken en misdadigers. Het Euvenpad was dus een pad van misdadigers, die in vroeger dagen over dit pad naar de galg gebracht werden om te worden opgehangen. Vaak bleven de dode lichamen, met door vogels uitgepikte ogen, dagen en wekenlang hangen als voorbeeld voor de bevolking om vooral maar op het rechte pad te blijven. Maar wij, vader, Wout en ik gingen bij ‘de Galg’ waarin het hoekhuis Fam. Maarseveen woonde rechtsaf de Middelweg over naar de hucht, de beklinkerde oprit naar de Irenesluizen. Hier links halverwege de hucht woonde toen Henk Marchal met zijn gezin. Het was geen familie van ons. Zo af en toe kwam hij wel eens bij ons thuis. Hij kon lullen als ‘Brugman’ en zei dan vaak aan het eind van de avond alsof hij het bijna vergeten was, maar wat wel het doel van zijn bezoek was’ O ja voor ik het vergeet, zou één van de jongens een avondje op onze kinderen willen passen’. Mijn oudere broer Henk en ik hebben daar in de loop der jaren diverse avonden in het houten huisje opgepast als Henk met zijn vrouw achterop hun bromfiets ergens op bezoek gingen. Maar wij waren bijna thuis met de geit. Poe poe het was een hele wandeling geweest. Hup vooruit met de geit, de boomgaard in. De volgende dag mocht Jan mijn jongste broer van ongeveer anderhalf jaar, vastgehouden door vader even op de gekochte geit zitten. In de jaren daarna had vader een stuk of vijf geiten. Soms eigenwijze beesten. Ik als schooljongen, ik zat op de LTS in Culemborg, moest voor ik na school ging soms vijf geiten vanuit de schuur in de wegberm voor het huis zetten. Als stronteigenwijze 13 jarige puber had ik daar niet altijd zin in. Eén voor één buiten zetten duurde mij te lang. Hup, alle geiten aan de ketting gedaan, pennen in ene hand en alle vijf kettingen in de andere hand. Hup.. hup de schuur uit, kom op stugge witharige mormels, eigenwijze stinkbeesten. Maar je voel hem al aankomen, de vijf geiten op weg vanuit de schuur over het graspad langs ons huis naar de wegberm gingen door elkaar lopen en sprongen over elkaars kettingen. Gloeiende gloeiende, eigenwijze stinkende strontbeesten. In mijn nog eigenzinniger puberkop dan de geiten, kon ik ze wel wat. Maar uiteindelijk kwam het wel goed, Stuk voor stuk een geit aan een ketting met een lange ijzeren pen, met je schoen of laars in de grond vaststampend, goed vastgezet in de berm, oppassend dat zijn loopcirkel niet op het landwegje kwam. Mijn schooltas gepakt om op de fiets de 10 kilometer naar de LTS in Culemborg te fietsen, door weilanden, boomgaarden en lange stukken rivierdijken. Zomer en winter, van maandagmorgen tot zaterdagmiddag 12 uur. Dan zat de schoolweek erop. In de zomerdagen was het vaak heerlijk weer op de bijna autoloze dijken en wegen. Maar op troosteloze sobere dagen trok een druilerige regen traag over het land, en werd je als je, je regenpak was vergeten zeiknat. En af en toe waren er ook donkerwolkige hemelluchten met striemende regenbuien die de regen in vlagen komende van het vlakke land over de rivierdijken deed jagen en jakkeren. Met je hoofd afgekeerd van de regenvlagen, schuin op de fiets hangend in de jagende wind trapte wij als schooljongens huiswaarts. Verschillende keren heb ik op streng winterse dagen door sneeuw en hagel over de dijken naar huis gefietst, met muts op, en handschoenen aan. Maar ook wel eens verkleumd en met gevoelloze vingers thuis gekomen om bij moeders warme houtkachel gezeten bij te komen, met tranen in mijn ogen, als mijn vingers bij de kachel tijdens het opwarmen vreselijk begonnen te tintelen. Er waren ook mooie stille winter- en herfstdagen. Aan vaders schuur hingen in strenge winters aan de dakgoten soms lange glimmende ijspegels. In de vroege winterochtenden als je op de fiets stapte, prikkelde de winterse kou in je neusgaten en begonnen je ogen te tranen bij het kijken naar de ontelbare kristalglinsteringen in de bevroren sneeuw. Het was dan zwaar trappen op je fiets door de dikke sneeuwlaag die de landwegen en wereld wonderschoon bedekte. In de uiterwaarden liepen tijdens de opkomende zon in het zachte strooilicht pootloze koeien in de laaghangende nevel die traag opkroop vanuit de Lek. De stille serene rust hangend over het wijde land werd soms onderbroken door een diepdonkere misthoorn van een onzichtbaar schip, die in de nevel of mist met aangepaste snelheid over de Lek stroomopwaarts vaarde. Maar terug naar mijn jeugd zo omstreeks 1962. In het najaar in de oogsttijd van appels en peren, gingen veel wijkenaren ‘appels knoken’. Als tijdens het plukken in de hoogstamboomgaarden, zoals in de Trekweg, appels naar beneden vielen in het gras onder de bomen, mochten mensen, en dat waren merendeels langgerokte huisvrouwen en hun kinderen, deze oprapen en voor niets mee naar huis nemen. Thuis maakten de vrouwen daar heerlijke appelmoes en ‘hete bliksem’ van. De fruitplukkers zag je toentertijd regelmatig van hun lange houten leren uit de hoge fruitbomen met volle plukschorten naar beneden komen en hun appels, voorzichtig tegengehouden door hun ene hand, met een roffelend geluid in grote houten veilingkisten leeggooien. Vaders plukschort heb ik nog, en bewaar hem dierbaar in mijn boekenkamer. Ikzelf heb waarschijnlijk als jochie met mijn oudere broers en zus appels ‘geknookt’. In gedachten zie ik de vrouwen en hun kinderen nog voor mij, voorovergebogen de tussen het gras liggende appels oprapend, snel al ronddraaiend bekijken of zij niet rot of te veel beschadigd waren om ze vervolgens in hun op de rug gebonden en aan de voorkant omhoog gehouden keukenschort te verzamelen. De vol geraapte schorten werden dan even later geleegd in meegenomen boodschappentassen. Het was onder de fruitbomen een gezellig Wijks gebabbel, geklets en geroddel tussen de huismoeders en hun kinderen. Met volgeladen fietstassen en aan het fietsstuur hangende boodschappentassen vol appels en peren fietste de moeders met hun kinderen huiswaarts richting Wijk of Cothen. Jarenlang heeft vader in zijn vrije uren fruit, o.a. appels en kersen geplukt bij o.a. Jan en Piet Vernooij en Toon van Bemmel ( De Torenboer van boerderij ‘De Vogelpoel’ ) in de Wijkersloot in Wijk bij Duurstede. Soms ging ik wel eens met vader mee, wijdbeens zittend, achter op het rekje van zijn fiets waar aan iedere zijde een grote fietstas hing. Alléén dan zag ik niet zoveel behalve vaders brede en hoge rug. En hoe vreemd was het om tijdens het fietsen de in en uit verende metalen veren te bewonderen onder vaders leren fietszadel. Mijn ogen werden er naar toe getrokken. Zou ik proberen mijn vinger er even snel tussen te houden om vervolgens zo snel mogelijk weer terug te trekken, dacht ik wel eens. Het was in mijn kinderogen een spannend moment.. hup snel mijn vinger even tussen de zwart koudijzeren veren, gelukkig het ging goed…nog een keertje hup…auw, dat deed even pijn in mijn vingertop als de veren onverwachts samentrokken door een hobbeltje in de weg. Met een verbeten gezicht met mijn tanden op elkaar zakte de pijn gelukkig weer vrij snel weg. Ik heb er een aantal weken een verkleurde nagel aan over gehouden. Vader had niets door en keek af en toe even over zijn schouder naar mij of alles goed ging, hoogstens zij hij ‘zit niet zo te wiebelen’ als ik wat onrustig werd bij in mijn ogen een lange fietstocht, zoals van het einde van de Wijkersloot waar o.a. Ben en Jan van Zetten woonden tot aan ons huis bij de sluizen. Soms, en dat vond ik eigenlijk mooier mocht ik op de stang zitten van vaders fiets. Met mijn benen, meestal aan de linkerzijde van de stang hangend, en mij vasthoudend van vaders fietsstuur kon ik wat van de omgeving zien. Alléén op deze manier ging mijn kont en bovenbenen na een poosje pijn doen van de smalle ronde stang. Maar het uitzicht was mooi, en ik was trots om bij vader voorop de fiets te mogen zitten. Prachtig was het als tijdens zo’n fietstocht de vele hoogstamboomgaarden in b.v. de Trekweg en Wijkersloot in bloei stonden. Er was een weelde aan wit en lichtroze bloesem. Als kind zijnde sta je er op dat moment niet zo bij stil, je denkt dat de wereld voor altijd wel hetzelfde zal blijven, De bloeiende boomgaarden, het stille land met zijn kleine en grotere boerderijen, maar jaren later als de beelden vanuit je jeugdjaren weer naar boven komen besef je pas hoe mooi het toen was, en hoe de wereld is veranderd. Piet Vernooij, een in mijn kinderogen altijd goedlachse vriendelijke man, één van de fruittelers in de Wijkersloot, waar vader regelmatig fruit plukte had omstreeks 1962 in het deel van zijn grote boerderij een hond met jongen. Ach wat vond ik ze leuk en lief. Op een dag zei vader ‘Kies er maar eentje uit, je mag er eentje hebben’. Met een kloppend, dankbaar hart koos ik een hondje uit die wij thuis aangekomen Teddie noemden. Wat was het een lieve hond. Jarenlang hebben wij thuis plezier van haar gehad, en altijd ging zij mee op onze avonturen en struintochten door weilanden, boomgaarden en uiterwaarden. Tijdens een storm waren omstreeks 1965, ik was 13 jaar, in de fruitboomgaard naast en achter de boerderij van Piet Vernooij veel appels uit de bomen gevallen, en de boomgaard lag bezaaid met o.a. goudrenetten. Voor Piet zal dat als fruitteler een flinke schadepost zijn geweest, maar daar stond je als jonge jongen niet bij stil. Voorover gebogen kon ik de appels oprapen en in de achter mij aanslepende fruitkist verzamelen. 25 cent kreeg ik per kist. Ik weet het nog, en dat was toen in mijn ogen een heel bedrag. 13 kisten had ik opgeraapt. 3.25 gulden had ik verdiend, zo was het maar net, ik was trots op mijzelf. Tijdens de kersenpluktijd ( ‘Karsenbouw’ op z’n Wijks ), was het een drukke maar gezellige tijd in de boomgaarden. Oudere jongens, de ‘heuers’ liepen al schreeuwend, heuend de spreeuwen wegjagend door de boomgaard. Met kleine of grote houten ratels probeerden zij het ongewenste vogelvolk te verjagen. Ik kon met pijn en moeite de grote zware houten ratel één of twee keer omdraaien. Met de veel kleinere handratels ging het ronddraaien een stuk makkelijker, al kreeg ik na een poosje wel last van mijn pols. Tot mijn verbazing liepen toen jongens van een jaar of 15, in mijn kinderogen wel grote jongens stoer met rokende peukies in hun mondhoeken door de kersenboomgaard. Vanuit de hoge uitkijkpost gemaakt op in mijn ogen immens hoge houten palen, met uitzicht over de kersenboomtoppen, hingen lange ijzerdraden in verschillende richtingen over en tussen de kersenboomtoppen. Met wat los grind gevulde blikken hingen aan deze draden. Bij een aanval van spreeuwen werd door de ‘Keerder’ van uit zijn hoge uitkijkpost geschreeuwd en verwoed aan de draden getrokken waardoor de bussen begonnen te rammelen, met de hoop en bedoeling de spreeuwen weg te jagen. Soms liep er wel eens iemand met een open geplakt jachtgeweer door de boomgaard, speurend naar al te moedige spreeuwen die de Kersenkeerders negeerden. Rondom de ‘keet’ of ‘hut’ was het altijd gezellig en druk. Daar werden de kersen gesorteerd ‘wrakken’ door bijna altijd babbelende vrouwen, die vaak een keukenschort droegen. Hier was altijd wel wat te doen. Stapels lege en vooral volle kersenkistjes stonden opgestapeld. Eén van de klusjes was geribbelde papieren bodems en strookjes ter bescherming van de geplukte kersen in de kistjes te doen. Maar na tien kistjes gedaan te hebben had ik het wel gezien. Heerlijk waren de sappige glimmende diepdonkere bijna zwarte kersen. En mocht je twee kersen met de steeltjes aan elkaar vinden dan hing je deze een poosje aan je ene oor, en ze vervolgens even later toch maar lekker op te eten. Gelukkig heeft moeder nog een paar foto’s bewaard van vader tijdens het appels- en kersen plukken bij Jan of Piet Vernooij. Wie de foto’s heeft gemaakt wist moeder niet meer, waarschijnlijk fam. Vernooij. Verder nog een aantal door mijzelf in de loop der jaren gemaakte foto’s. OP bijgaande foto zit vader in de middelste rij geheel links en zijn broer Theus of Teunis Marchal iets meer naar rechts met zijn beide handen op zijn bovenbenen. Voor meer bijbehorende foto’s zie bij Facebook: Lenie Gerrit Marchal. Hartelijke groeten, Gerrit Marchal, De Wijkse Zwerver. Emailadres: helenah51@hotmail.com

Op 8 juni 2004 kwam ik in gesprek met deze twee mannen bij de Veldpoortbrug in Wijk bij Duurstede. ‘Ja hoor zet jij ons maar op de foto, ga je gang maar’ zeiden zij toen ik gevraagd had of ik een foto van hen mocht maken. Mooie sterke dingen uit vervlogen tijden werden verteld. Zoals in mijn jeugdjaren, zo omstreeks 1965 mannen bijeen stonden bij de Kasteelsepoort komen nu regelmatig wat oudere en soms wat jonge wijkenaren hier bij de Veldpoortbrug bijeen, bij het ‘Leugenbankje’ waar dingen uit vervlogen jaren, en de laatste nieuwtjes van Wijk worden besproken en doorgenomen. De zittende man was enkele dagen geleden gevallen, maar zoals hij zei ging het nu wat beter met hem.

Het gat van de dijk. Ad van Bemmel heeft het zo duidelijk met gegevens uit oude bronnen en archieven beschreven in zijn mooie boek ‘De Lekdijk van Amerongen naar Vreeswijk’. Een schitterend boek. Wat een werk moet het geweest zijn om alle in dit boek verzamelde gegevens te vergaren, te sorteren en beschrijven. Ik heb bewondering voor Ad, en ben hem dankbaar voor o.a. dit boek. Als ik het goed heb onthouden is hij, zoals hij mij tijdens een telefoongesprek vertelde, ongeveer 6000 uur bezig geweest om dit boek te maken, nou petje af voor hem. De oude dijkdoorbraak langs de Lekdijk-West nabij de boerderij ‘Den Noord’ waar in mijn jeugdjaren Klaas van Dijk woonde. Ach hoe vaak in mijn leven heb ik niet vanaf de dijk, en in vroeger jaren vanuit de weilanden naar deze stille waterplas gekeken en foto’s gemaakt. En nog steeds betekend deze oude dijkdoorbraak iets mij, hier liggen de voetstappen uit mijn jeugd van mijn eerste zwerftochten, alléén of met mijn broers en onze honden. Mijn ouders verhuisden in februari 1958 van de Hoogstraat 95 naar Sluis Zuid 2 in Wijk bij Duurstede. Het was een grote verandering, van de rand van het stadje naar het stille weidse Wijkse buitengebied. Ja rustig was het toen nog daar onder aan de dijk bij de sluizen. Over het stille landwegje kwam soms in geen dagen iemand voorbij. Een landbouwer met paard en wagen, zoals b.v. de jongens van ‘van Rijn’, of toen onze buurman Gooiert Spithoven met zijn paard en houten strontkar klepperden wel eens over de hobbelige klinkerweg. Zo af en toe liep omstreeks 1959 Han Spithoven de zwakbegaafde broer van Gooiert bij ons voor het huis op het wegje. Hij keek je altijd met vreemd indringende ogen aan van onder zijn vettige oude pet, en bromde dan wat in zichzelf. Vaak stond hij stil met een verziende blik in zijn ogen en gromde alléén maar vertelde mijn moeder vroeger. Op een gegeven dag liep Han voor ons huis met een grote stier aan een touw te wandelen, stond af en toe onverwachts even stil, mompelende wat en slofte dan weer wat verder, met de stier achter zich aan. Het ging allemaal goed maar wij als jongens vonden het wel vreemd en spannend. Maar Han ze niet allemaal op een rijtje, en dat was natuurlijk erg genoeg, maar wij jochies vonden hem een enge rare man, en bleven het liefst uit zijn buurt. Toen wij pas aan de sluis kwamen wonen had ik van vader een cavia gekregen. Ik liet het diertje op een dag op het wegje los lopen richting de ongeveer honderd meter verderop gelegen boerderij van Gooiert, tot plots Gooiert zijn hond onverwachts van hun erf kwam aanrennen en mijn cavia dood beet. De dood kende ik nog niet, ik was verbaasd, mijn cavia bewoog niet meer, maar lag vreemd stil op de klinkerweg. Dikke tranen heb ik gehuild om mijn cavia. Als in het voorjaar de lange rode mannelijke bloemslierten van de hoge populieren die langs langs het wegje stonden naar beneden vielen, en een soort rode deken vormden op wegklinkers en bermen, konden wij als jochies met vaders bezem paadjes vegen in de deken van populierenpluimen en maakten wij hierin een soort doolhof, om vervolgens tikkertje te spelen. De door ons met de bezem gemaakte paadjes bleven vaak dagenlang op het wegje aanwezig. De landelijke rust werd alleen verstoord door de sirene van de sluis, die ging als de schepen werden geschut. Maar na verloop van tijd hoorde je dat geluid niet meer, behalve als iemand, of familieleden wel eens zeiden ‘He wat is dat voor een geluid’, dan drong het weer even tot je door. In het kleine huisje, half verscholen achter de bijna altijd ruisende hoge populieren en tussen hoogstamfruitbomen had vroeger Reindert van Buren gewoond. Als ik het goed heb onthouden heeft hij na zijn overlijden alles aan de Nederlandse Hervormde kerk geschonken. Vader kon, zo vertelde moeder later op de Hoogstraat in Wijk niet zo zijn draai vinden. Hij had meer ruimte nodig, en wij verhuisden, zoals mijn oudere broer Henk vertelde, met paard en wagen van de Hoogstraat 95 naar Sluis Zuid 2. Ik was toen vijf jaar en zou op 21 augustus 1958 zes jaar worden. Samen met mijn oudere broers Wout en Henk zwierven wij in de jaren daarna achter, en naast ons huis gelegen boomgaarden en weilanden en Bosscherwaarden. Wij gingen in de zomer vaak met vaders schep en spade, slepend achter ons aan, naar de Lekoever om daar zandkastelen en lange pieren te bouwen van stenen en oeverzand. In later jaren deed ik dat met mijn jongere broers Johan en Jan. Een nieuwe wereld voor ons jongens ging open. Wat een ruimte ! In het begin bleven wij op moeder dringend bevel dicht bij huis. Waren wij in haar ogen te lang weg, dan riep zij vanuit de buitendeuropening een hoog en hard ‘ppiiieeewiieet’, wat voor ons een signaal was om thuis te komen, of om hard terug te roepen dat alles goed ging. Tjonge jonge hoe vaak zijn niet onze laarzen vol water gelopen, en zijn wij zeiknat thuis gekomen, van over met water gevulde greppels en slootjes te springen wat natuurlijk niet altijd goed ging. In later jaren kwamen wij regelmatig struinend langs heldere sloten en knotwilgen bij de in onze jongensogen grote toch wat geheimzinnige waterplas. Hij lag daar zo vreemd stil omgeven door bomen en struiken, zomaar in de weilanden en bij de in onze jongensogen hoge winterdijk. Wat verderop lag half verscholen in het fruitbomengroen de grote boerderij van Klaas van Dijk, waar wij, mijn oudere broer Henk en ik, zondagsmorgens in het oude van binnen witgeel verkleurde bakhuis op Zondagschool zaten. Een paar jaar in de zomermaanden, ongeveer een uur lang per zondag kregen wij onderwijs in Gods woord, door o.a. Dick van Beusekom. Mooi waren de verhalen die verteld werden, en iel klonken onze kinderstemmen bij het zingen van de versjes in het oude bakhuisje. Het was maar een klein groepje kinderen, een stuk of tien. Klaas van Dijk had toen nog een grote fokstier die met een ring door zijn neus buiten, wat verder weg van het bakhuisje aan een ketting stond. Hij gromde soms, schudde af en toe zijn geweldige langharige nek waardoor de ijzeren ketting rammelde, en schraapte met zijn voorpoot door het grind. Bang was ik voor het kolossale dier met zijn diepdonkere ogen zijn hoge gebogen rug. Ik scheet bijna in mijn broek en durfde echt niet dicht bij hem te komen, en was altijd bang dat hij los zou breken.Maar om op de dijk terug te komen, ja die was vroeger daar doorgebroken zeiden toentertijd mijn ouders. Wij als jochies zijnde konden ons eigenlijk niet voorstellen dat die grote dikke hoge winterdijk zomaar kon doorbreken. Zeker in de warme zomermaanden niet als de Lek zo vredig voortkabbelde. Maar wat wisten wij eigenlijk van de wereld, niet veel toch. Hoe hoog heeft het rivierwater in de jaren daarna en in vroeger dagen wel gestaan, zoals in januari 1995 toen vele duizenden mensen uit o.a. de Betuwe moesten evacueren, omdat er dijkdoorbraken dreigden. Mijn zus Bea en mijn goede zwager Bart, die in Zoelmond wonen moesten tijdelijk er anders verblijven. Kabbelend, klotsend, knagend aan de dijken stond er een enorm grijsgrauw watermonster van dijk tot dijk, tot bijna aan de bovenkant van de dijken. Een angstig beeld dat je hart doet krimpen en huiveren. Het is toch een zorgelijk beeld om dat te zien als bewoner van het rivierengebied, gaat het wel goed ? Als de dijk het maar houdt, ging er door menig mensenhoofd. Als je bij zo’n hoge waterstand op een winderige dijk staat, de enorme snel stromende watermassa aanschouwende is er weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat ergens de dijk zal bezwijken door de druk van het water, zeker als na langere tijd van hoge waterstand de dijken verzadigd raken van het rivierwater.Altijd heeft deze stille plas mij wat gedaan. Ik kon het niet laten in de loop der jaren vanaf 1977, toen ik mijn eerste fototoestel een Pentax KX voor bijna 1000 gulden had gekocht, er toch maar weer een foto van te maken. Hoe ik aan die 1000 gulden kwam ? In 1972 en 1973 ben ik in militaire dienst bij de Genie in Vught duiker geweest. In 1977 vervolgens twee weken op herhaling geweest, en toen, nog met terugwerkende kracht, een goede duizend gulden duikersgevarengeld ontvangen. Daarvan heb ik mijn allereerste fototoestel gekocht. In de zomermaanden was het gevarengeld tot 15 meter diep 25 cent per minuut, beneden de 15 meter 50 cent per minuut. In de wintermaanden werd dit bedrag verdubbeld. Dus beneden de 15 meter kreeg je één gulden per minuut. Het diepste wat ik gedoken heb was ongeveer 26 meter, dat was in het Nieuwe meer nabij Amsterdam. Ik had natuurlijk wel een spaarbankboekje maar daar mocht ik van mijn ouders niets vanaf halen. Maar ik draai de klok terug, ver terug…nog iets verder terug, ja, stop, tot hier ! Het is 28 februari 1747, het is dinsdagmorgen, in de kille vroege ochtend. In Wijk bij Duurstede is er groot alarm. Het al reeds zakkende rivierwater van de Lek heeft de dijk bij de Poelsweerd en Wijkerweerd verzwakt. En plots zakt de dijk weg, eerst tergend langzaam maar dan plots kolkend en bulderend over een afstand van een goede 50 meter. Er is geen houden meer aan Het water kolkt het achtergelegen land in. Het is een ramp. ‘De dijk is gebroken, de dijk is gebroken’ roept men verschrikt. De schrik en angst slaat de mensen in het achtergelegen land om het hart. Klokken verspreiden hun donkerzware, onheilspellende slagen over het nog stille land. Zo snel mogelijk worden waardevolle spullen, paarden, koeien en overig vee indien nog mogelijk in veiligheid gebracht. Men vlucht naar het hoger gelegen land van de heuvelrug en naar de stad Utrecht. Het water stroomt de daarop volgende dagen tot aan Utrecht. Gelukkig zakt het water na enige dagen weg van het ondergelopen land, o.a. afgevoerd door de Vecht richting de Zuiderzee. Het water in de uiterwaarden was inmiddels gelukkig ook weer gezakt en ongeveer eind maart was de toestand bijna weer als van ouds. De dijk werd zo snel mogelijk hersteld om de ongeveer honderd meter brede dijkdoorbraak. De diepte van de dijkdoorbraak is volgens een landkaart uit ongeveer 1910, 9.50 meter, met een slik of blubberlaag van 60 cm.Maar ……er is nog een ander verhaal, luister maar eens, ik ben het nooit vergeten. Ik was een jochie van een jaar acht of tien, dus omstreeks 1960 of 1962, toen ik met vader op een warme zomerse zondagavond voor onze huis boven op de dijk, bij de middelste sluistoren, in het gras zat. Vader was met een aan de overzijde van de sluizen wonende sluiswachter in gesprek. Zijn naam was Booy of Booi dat weet ik niet meer precies. Ik was wat aan het spelen, en als zo vaak toen op een grasspriet aan het kauwen, toen ik vader het volgende verhaal aan de sluiswachter hoorde vertellen. Vol aandacht van hetgeen hij zei ging ik dichter bij hem zitten. ‘Ja’, zo vervolgde vader zijn verhaal, ‘Ik heb wel is horen vertellen, daar waar de put aan de dijk is, ja daar bij de boerderij van Klaas van Dijk’ over zijn schouder kijkend richting de Bosscherwaarden. ‘Dat daar jaren geleden voor de dijk doorbrak er een naar slechte boer woonde, die bar veel dronk en vloekte, en te keer ging tegen Jan en alleman, maar ook bar slecht voor zijn dieren was, ja dat heb ik wel us hore zegge’ zei vader. De sluiswachter en ik luisterden aandachtig. ‘Maar God laat niet met zich spotten, de mens kan niet alles zomaar doen wat hij wil, vloeken kan niet ongestraft blijven’ zei vader op zachtere en eerbiedige toon. En je moet goed zorgen voor je beesten, als je dieren heb zorg je er voor’ Op een kwaaie nacht is de dijk doorgebroken, de boerderij, de boer en al zu’n vee spoelden weg en zijn verzopen’. ‘De put moet naar diep zijn, ze zegge wel us dat er geen bodum in zit’ zie vader zacht. ‘Of dat waar is weet ik natuurlijk niet, maar je weet maat nooit he, maar dat is wat ik ooit us heb hore vertelle’. besloot vader zijn verhaal. Zou het waar zijn dacht ik ? Ik ben het verhaal nooit vergeten. Ook moeder vertelde in de jaren daarna hetzelfde verhaal. Vader was uitverteld, de dag liep ten einde. De volgende dag moest iedereen weer vroeg zijn bed uit, en ging vader werken en wij kinderen naar school. Koeien die in de weide liepen aan de overzijde van de sluiskolk, tussen de sluizen en de sluiswachterswoningen loeiden de dag ten einde. ‘Kom jochie’ zei vader tegen mij, ‘wij gaan naar huis, je moeder zal wel denken waar blijven ze, je bent toch al zo’n zwerver’ Samen liepen wij de dijk af, via het met soms losse schots en scheef liggende stenen trapje, naar ons achter de hoge populieren aan de voet van de dijk gelegen huisje. Zelfs de bijna altijd ritselende populierenbladeren waren stil, en schemering kondigde de komende nacht aan. Een steenuiltje riep klaaglijk ‘wwiiieew’ vanuit onze boomgaard. Die avond in mijn bed op zolder, waar ik met mijn drie broers sliep, heb ik nog lang nagedacht over het door vader vertelde verhaal. En ik dacht als ik later groot ben ga ik eens bij de dijkdoorbraak kijken of ik nog iets te vinden is van de verdwenen boerderij. Ach in later jaren, als jonge jongen heb ik natuurlijk nog gezocht naar dingen van de verdwenen boerderij, zoals oude halfvergane balken en planken of boerengereedschap maar natuurlijk nooit iets gevonden, het was ook al zo lang geleden. Mijn oudere broer Henk wilde graag een keertje gaan vissen in de plas. Het was verboden, maar zo te zien krioelde het van de vissen en aan de oppervlakte zwemmende kleine visjes. Hij kon toch de verleiding niet weerstaan. Broer Henk nam de oude hengel uit vaders schuur en liep vol verwachting door de achter ons huis gelegen weilanden naar de dijkdoorbraak. Gelijk nadat hij zijn vishaakje met oud brood of een pier in het water had gegooid krioelde het om zijn dobber. Hup daar trilde de dobber en verdween onder water. Vol spanning en verwachting haalde Henk zijn gevangen vis omhoog. Maar zo gauw hij de vis boven water probeerde te halen viel deze weer spetterend terug in de plas. Na een paar pogingen kwam hij als jongen erachter dat zijn haakje toch niet helemaal goed was. Een beetje teleurgesteld niets te hebben gevangen, maar wel een spannende middag te hebben gehad liep hij met zijn hengel over zijn schouder door de weilanden terug naar ons ouderlijk huis. Ja de ‘put’ noemden wij als jongens deze met een klein dijkje omgeven en met bomen en struiken omgroeide plas. Toen zo omstreeks 1965 woonde in het bij de plas gelegen boerderijtje, landbouwer ‘van de Brink’ als ik mij niet vergis. In 1978 was het huisje nog aangesloten op laagspanning en stonden de lange houten palen met wit glimmend porseleinen ‘potjes’ en lang doorgebogen stroomdraden in de weilanden. Later is dokter Honing er komen wonen. Zijn vrouw kwam op een goede dag bij ons, bij moeder aan de deur, gekleed in een oude lange jas, met één schouder ruimschoots ondergescheten door vogelstront. Of wij Karel haar kauw hadden gezien, zij was hem kwijt. ‘En als wij Karel toevallig mochten zien of wij hem wilden vangen en even wilden komen brengen’. Maar nee wij hadden Kareltje de kauw niet gezien, en ook later die dag niet. Na enige dankbetuigingen stapte de welbespraakte maar als een zwerfster uitziende dame weer op haar oude damesfiets op zoek naar haar ontrouwe vogel. Zo omstreeks 1965 kon je nog gewoon via de weilanden naar de dijkdoorbraak lopen. Wij jongens, ik alléén of met mijn jongere broers Johan en Jan, en verspreid over diverse jaren, onze honden Snuffel, Teddie, Donar of de kleine Kobus, zwierven regelmatig in de achter ons huis gelegen boomgaarden, weilanden en uiterwaarden en Lekoever, waar wij in 1978 nog een aangespoeld lijk hadden gevonden. Het lichaam was half vergaan. Toen ik met een takje er tegenaan tikte voelde het leerachtig en keihard. De vondst heb ik aan het eind van die middag nog netjes aan de politie op de Zandweg in Wijk doorgegeven. Nooit hebben wij er iets meer van gehoord. Wel stond een paar dagen later een klein stukje in de krant dat spelende kinderen een lichaam hadden gevonden bij de Lek. Maar terug naar de dijkdoorbraak, waar ik omstreeks 1974 een ringslang door hoge gras zag glijden richting het water. In het voorjaar zwommen tussen waterplanten en gele plompen, meerkoeten met hun fel roodkoppige jongen in de plas. Wel genoot ik hier van het oude land, tjonge jonge wat heb ik hier gezworven, langs oude, boven de blinkende hemelsblauwe spiegelende sloten hangende knotwilgen. De weidse met witte wolken besprenkelde weidenluchten. De stilte van het land, de geur van het pas gemaaide gras of het droge hooi, de zachte wind in de wilgen die de langwerpige bladeren deed trillen en speels wisselend, draaiend liet verkleuren van licht naar donker. De dartelende vlinders, de bloemrijke sloten, met rietpluimen en dikke pluizige bruine lisdodden, de dikke sigaren, waterviolier, munt, pijlkruid enz. De weidevogels, zoals grutto’s, tureluurs, en de wild duikelende klaaglijke kieviten die je van hun nest of jongen probeerden weg te lokken. Wat teer en wonderlijkschoon waren die jonge weidevogels, die je angstig en hulpeloos plots voor je zag in het hoge gras. Even bewonderden wij zo’n diertje, zo’n teer schepseltje, het woog bijna niets in je hand, en wij zette het vervolgens weer voorzichtig terug in het hoge gras. Toen waren er nog leeuweriken die je liggend in het gras, of staand met hun trillende zang tot in de hoge lucht probeerde te volgen, tot je pijn in je nek kreeg van het omhoog turen, wonderlijk verdwijnend in de trillende hemellucht. Hoe vaak heb ik ze niet proberen te volgen in het hemelblauw tot je ogen zeer gingen doen van het felle licht en turen. Ik heb als jongen vol verbazing gelegen tussen het riet en oeverplanten en in het heldere slootwater gekeken naar de waterkevertjes, salamanders, wantsen, rode watermijten, de glinsterende kleine stekelbaarsjes en natuurlijk de watervlooien waarvoor ik altijd al een zwak heb gehad. Wonderlijk die kleine diertjes die altijd ogenschijnlijk nooit zonder rust met hun lange tentakeltjes zwemmen en vervolgens langzaam weer iets in het slootwater naar beneden zakken. Wat was het niet spannend als je heel af en toe verscholen tussen de waterplanten de onbeweeglijke snoek zag staan, wachtend met zijn grote bek op zijn voorbijkomende prooi, om vervolgens wonderlijk snel toe te happen. Dan waren er nog de wat enge dikke, grote en kleinere sierlijk golvend zwemmende kronkelende bloedzuigers. Soms als wij, als jochies zijnde tijdens warme zomerdagen onze voeten en benen in het slootwater wilden afkoelen, zat zo’n kleine bloedzuiger vast aan je been of voet. Nou die waren er niet altijd makkelijk van af te krijgen, en altijd bloedde het wondje wat na, als je de bloedzuiger met je nagels eraf had gekrabd. Omstreeks 1964 heb in met het AGFA fototoestelletje van mijn zus Bea hier nog een foto gemaakt. Het is een vaag fotootje, maar ach ik ben er blij mee. Een stukje van vroeger heb ik dan nog. Kijk, ja daar waar verderop staan de fruitbomen en walnotenbomen aan de rand van de boomgaard van Tollen van Dijk, en links een rij knotwilgen langs de heldere sloot. Eenden broeden in de holle knotwilgen. Soms schrokken wij wel eens, als tijdens het struinen langs een knotwilgenrij plotseling een broedende eend van zijn nest opvloog. Een grote verroeste ijzeren drinkbak voor de in het weiland lopende koeien stond hier in de buurt van het houten hek. En de naast deze bak staand vaak een nog erger verroeste handwaterpomp. Bijna iedere dag werd door de boer, of één van zijn zonen of meiden de bakken volgepompt, want met warm weer dronken de koeien nogal wat. Die oude pompen piepten vaak droog en klaaglijk bij iedere pompbeweging, en vaak kon je toen een landbouwer uit de verte horen pompen, als het piepgeluid over het stille land zweefde. Als wij in de weilanden struinden en dorst kregen dronken wij regelmatig van het koele water uit deze pompen door met je ene hand een kommetje te maken en daaruit te slurpen, Het pompwater smaakte wat anders dan leidingwater, er zat een soort grondsmaak aan, maar het was heel goed te drinken. En dat pompwater waren dat wij als jongens wel gewend. Want toen wij in 1958 bij Sluis Zuid 2 kwamen wonen was er nog geen waterleiding, maar in de keuken stond boven een lage gemetselde wasbak een waterhandpomp. Als ik mijn ogen dicht doe, hoor ik nog het zacht knerpende geluid van de pomp waarvan ik dan soms ‘s morgens wakker werd, als vader of moeder in de vroege ochtenduren water nodig hadden, voor zichzelf, voor ons of de dieren. Van de Hoogstraat komende, waar wel waterleiding was, was het pompgeluid voor mij een nieuw geluid in de vroege stille ochtend. Ik weet het nog dat zo omstreeks 1962 er bij ons aan de sluis waterleiding werd aangelegd, vanaf de steenovenarbeiderswoningen gelegen aan de Lekdijk-West door de achter ons huis gelegen boomgaard heen, vlak langs de heining, van nu het weiland van Herman van Rijn naar mijn ouders huis. Vader verplaatste de pomp vanuit huis naar de tuin. Na moeders verhuizing in mei 2006 van de Sluis naar de Singel 27 in Wijk heb ik de pomp met behulp van neef Wim Boon afgezaagd, en hij staat nu op een mooi plekje in onze achtertuin in Almere. Heel af en toe dronken wij uit een heldere sloot, als er geen pomp in de omgeving was, of wij als jongens, na een middag zwerven en struinen niet altijd zin hadden om een stuk om te lopen, en over sloten te springen, naar de wat verderop staande weidepomp. Het slootwater in je holle hand opscheppend en opslurpend ging heel goed. Wij waren bijna nooit ziek. Jammer genoeg heb ik geen foto van zo’n oude drinkensbak met pomp. En ja die mooie oude dikke knotwilgen, prachtig vond ze, en nu nog steeds, al zijn er jammer genoeg veel verdwenen. O ja, nu schiet het mij te binnen dat wij zo omstreeks 1963 hier vlak bij de dijkdoorbraak staande knotwilgen, samen met toen mijn vrienden Toon en Hugo van Rijn voor hun moeder een zinken emmer hadden gevuld met onder in de holle knotwilgen vergaande bladeren, die in de loop der jaren goede voedingsrijke potgrond was geworden. Bijna alle knotwilgen en vogelrijke weilanden hier bij de oude dijkdoorbraak zijn verdwenen en laagstamboomgaarden bepalen hier nu het landschap. Ja veel is jammer genoeg verdwenen, maar in mijn hart draag ik de mooie herinneringen met mij mee. En regelmatig kom ik hier terug, om hier en in de Bosscherwaarden en omgeving, al sinds ongeveer 1958 te zwerven. m.v.g. Gerrit Marchal.

Beste mensen, op Facebook staan een aantal hier geplaatste verhalen maar dan met vele bij het verhaal aansluitende foto’s. Zie onder: Lenie Gerrit Marchal. Veel lees- en kijkplezier. m.v.g. Gerrit Marchal.

Testbericht nummer 7

In 1982, toen ik nog in Wijk woonde, kwam ik zo heel af en toe bij schoenmaker Jan de Jongh. Toch wel een beetje een bijzondere man maar wel een vriendelijke man. Als je de in de Peperstraat in Wijk bij Duurstede gelegen winkel binnenstapte, rinkelde ergens een belletje, om te verkondigen dat er een klant was. Soms moest je even wachten voor er iemand kwam. Een enkele maal zag ik, zelf uit het felle zonlicht komende en met aan het duister wennende ogen een vrouw zacht hoofdknikkend achterin de winkel of gang even als een schim voorbij gaan en weer verdwijnen achter een donker geelbruine deur. Maar vervolgens verscheen even later Jan. De zwijgende vrouw die ik nooit gesproken heb was een zuster van Jan dacht ik. Maar meestal was als je binnen kwam Jan aan het werk in zijn winkel wat ook tevens zijn werkplaats was waar hij allerlei schoeisel repareerde en verkocht. Door het glas in loodraam, boven de etalageruit met gordijntjes stroomde zacht kleurenlicht de winkel in. Maar voor de rest was het zeker wat naar achteren in de werkplaats toch minder goed verlicht. De aan het plafond hangende gloeilamp gevangen in een ooit wit geweest vettig kapje verspreide schaars licht en wierp schaduwen op de opgestapelde schoenendozen en op een tafel liggende, in mijn ogen totaal onoverzichtelijke schoenenstapel en gereedschap. Een voor Jan zijn winkel modern aandoend blauw omkaderd klokje tikte zacht de tijd weg. Maar ach in deze winkel leek het alsof de tijd had stil gestaan en zijn strijd met de toekomst had verloren. In een rond in een achttal vakjes verdeeld houten bakje lagen diverse rechte en onooglijk krom gebogen spijkertjes en andere troep. Toen ik binnenkwam mompelde Jan wat terwijl hij wijdbeens voorovergebogen zat met zijn aandacht vol bij zijn werkzaamheden. Ik bleef maar rustig staan en wachten. Jan bleef gewoon onverstoord doorwerken. ‘Ja ja’ zeggend en mompelend en mopperen tegen zichzelf en zijn onderhanden hebbende schoen. Tegen de achterwand stond in mijn ogen een museumstuk dat diende als schuur- en poetsmachine. Maar ogenschijnlijk werkte alles nog want een van de schijven draaide er lustig maar nutteloos op los. Nee, soms even tussendoor hield Jan zijn te repareren schoen tegen de draaiende schijf bekeek hem al draaiend en ging verder. Regelmatig tijdens zijn werkzaamheden spreidde hij zijn benen wat verder uit elkaar, en liet tot mijn verbazing een klodder spuug, oppassend niet op zijn werkjas te spugen voor hem tussen zijn benen op de houten vloer vallen. Maar Jan was aan het mopperen zonder mij aan te kijken. ‘Verrotte plastic, rotzooi…., vroeger maakte ze alles van ‘leer’ jochie, waarmee hij echt leder bedoelde ‘maar tegenwoordig is veul gemaakt van dat verrotte plastic, rommel is ut, ik kan er bijna niks mee’. Na enige minuten was hij gereed en bekeek aandachtig zijn net volbrachte reparatie. Met een aantal dagen niet geschoren stoppelbaard en ingevallen mond keek hij mij aan. ‘He eentje van Marchal, ja toch’ ? Wat ik beaamde. ‘Ja ik ben er een van Wout van de sluis’. Tanden kon ik tijdens het gesprek niet ontdekken, mochten zij er zijn dan waren het er weinig of door het slechte licht kon ik ze niet zien. ‘Hoe is het aan de sluis en hoe gaat ut met je moeder gaat alles goed’ ? vroeg Jan met zijn gecombineerde vraag, de bovenkant van zijn linkerhand langs zijn vochtig glimmende neus halend, en vervolgens op bovenbeenhoogte aan zijn gevlekte jas afvegend. Ik bracht Jan weer op de hoogte van de dingen die hij wilde weten. Intussen was hij naar voren gelopen in zijn winkel en wierp bij het etalageraam een blik op de tas die ik ter reparatie had meegenomen. Toen iemand in de Peperstraat zijn winkel voorbij liep keek hij even op over zijn laag hangende gordijntjes door de etalageruit de straat in, ‘Kek, daar loop nog een stuk nicht van je, als ik ut goed heb’. En inderdaad liep Ger de dochter van vaders broer ome Hamp en tante Bets in de winkelstraat van Wijk. Intussen was Hannes, Jan zijn broer zachtjes op zijn pantoffels die winkel in komen lopen. Ik draaide mij naar Hannes om en hij keek mij flink loensend, vriendelijk en glimlachend aan, al kauwend op zijn pruimtabak en mompelde wat in zichzelf. Waarschijnlijk had hij al een gedeelte van ons gesprek gevolgd. ‘Ja, hier Hannes het nog us een boomgaard met appels naast je ouders gepacht, is ut niet Hannes’ ? zei Jan zijn zwijgende broer aankijkend. ‘Was die boomgaard niet van de Jodin of van Toon van Bemmel’ ? ik zou ut verrek niet meer weten’ stelde Jan zichzelf de vraag,. Hannes trok zijn glimlach nog breder dan dat deze al was knikte mompelend bevestigend en zei tweemaal ‘Ja ja’, draaide zijn hoofd schuin van mij weg en spoog door een spleet tussen zijn verkleurde tanden een geelbruine pruimtabaksapstraal in een donkere hoek op de houten vloer van de werkplaats. Hannes zijn bijnaam was ‘De Kapaje’. Ach, iedereen in Wijk had vroeger wel een bijnaam. Maar waar Hannes zijn bijnaam vandaan kwam, ik weet het niet. Ik heb een stuk of honderd bijnamen verzameld in de loop der jaren. Jan, de schoenmaker werkte nooit met bonnetjes of iets dergelijks. Je leverde je te repareren schoenen gewoon in, die Jan dan ergens neerzette en zei bijvoorbeeld, kom ze vrijdag maar weer ophalen. Kwam je dan, dan verbaasde het mij tot op de dag van vandaag, dat hij jou gerepareerde schoenen na enig hoofdgedraai en gemompel tussen zijn opgestapelde schoenen en andere spullen in zijn werkplaats terug kon vinden. Maar Jan en Hannes zijn er niet meer. Bijzondere mensen waren het maar met een goede inborst. Mooie kleurrijke figuren. En ik ben blij dat ik toen in 1982 een paar foto’s van hem mochten maken. De vader van Jan en Hannes had de bijmaan ‘De Maaienklopper’ deze had hij gekregen omdat hij wel eens een stuk vlees zo lang liet hangen dat er maden in het ontbindende vlees kwamen. Vervolgens klopte mij met een stuk in het kippenhok de maden uit het half vergane vlees als voedsel voor zijn kippen. Hans Korstanje, die in de Muntstraat woonde en waarmee ik vanaf 1972, als eerste leerlingen bij Wijnand van de Broek in Wijk bij Duurstede een aantal jaren samen op karate heb gezeten, had in 1991 dacht ik, achter in zijn tuin een muur van een schuurtje gesloopt, toen hij plotseling twee oude foto’s vond van de ouders van Jan en Hannes de Jongh met hun kinderen. Hans zijn achtertuinmuur sloot aan op de achtertuin van Jan en Hannes de Jongh. Ik mocht de foto’s van Hans meenemen, hij deed er toch niets mee en wist dat ik gek was op foto’s en oude kiekjes. Ik bewaar de twee foto’s zuinig.

Henk Westerbeek, Wanneer was het dat wij als schoolkinderen moesten leren omgaan met geld ? Nou ja omgaan met geld, ik bedoel eigenlijk om te leren wat de waarde van geld was, een cent, een stuiver, dubbeltje, kwartje, gulden, rijksdaalder enz. Natuurlijk via je ouders kwam je ook het een ander te weten, dat je zuinig op je geld moest zijn, en sparen erg belangrijk was. Een gulden kon je tenslotte maar een keer uitgeven, er moest hard voor het geld worden gewerkt. En dat klopt natuur als een zwerende vinger, mijn ouders hadden daar helemaal gelijk in. Vader werkte bij wijze van spreken dag en nacht, en nu ik zelf ouder ben neem ik postuum nog mijn pet voor hem af, en bewonder zijn werklust en zorg voor zijn gezin. Trouwens moeder maakte eveneens lange dagen, en bijna iedere doordeweekse avond was zij druk met bv sokken te stoppen en de kapotte kleding van haar jongens te herstellen aan de tafel onder de kamerlamp. Maar op school ging het wat omgaan met het geld betreft toch anders, ik dacht in de vijfde of zesde klas van mijn lagere school, dus zo omstreeks 1962, kreeg je van de meester uitleg over geld. Als ik mij vergis dan hoor ik het wel van jullie. In mijn geval was mijn lagere school, de in de Mazijk en Volderstraat gelegen ‘School met de Bijbel’ in Wijk bij Duurstede. Van mijn lievelingsschoolmeester Jan van Dijk kregen wij op een goede dag als schoolkinderen allemaal kartonnen geld uitgedeeld. Ja echt waar, kartonnen dubbeltjes en kartonnen kwartjes, kartonnen guldens enz. De kartonnen muntstukjes leken net echt, zij glommen metaalachtig, maar wogen lichter dan het echte geld. Of ik een snelle leerling weet ik eigenlijk niet meer. Mijn schoolrapporten, ik heb ze nog ergens, nam ik soms met een kloppend hart mee naar huis, maar gelukkig ben ik alle jaren gewoon overgegaan, al was ik dan geen ‘wonderlicht’ op school. Maar om op het kartonnen geld terug te komen dacht ik met mijn toen al lichtbedorven kinderbrein, ‘hee… misschien kan ik met zo’n kartonnen duppie ( Wijks voor dubbeltje ) iets bij Henk Westerbeek in zijn winkeltje kopen. Heel af en toe kocht ik van mijn weinige zakgeld voor een dubbeltje een zakje zwart / wit poeder, en strooide dit uit in een van de voorste hoekjes van het kastje van mijn schoolbankje, in de buurt van het inktpotje. Als de meester even niet keek maakte ik snel mijn rechtervingertop nat en drukte die in het kasthoekje bij het uitgestrooide zwart / wit poeder en likte deze vingertop af met mijn tong, die verraderlijk genoeg binnen de kortste keren een ranzig bruine kleur kreeg. Als je betrapt werd en van de schoolmeester en ter controle je tong moest uitsteken was je de klos. Regelmatig moest je deze likvinger even extra schoonlikken omdat hij wat licht bruingrijs verkleurde door de poeder, en vooral onder je nagel ging het vochtige poeder zitten in de vorm van een goor bruin randje. Nu ik er over nadenk, zal dat een lekker vies hoekje zijn geweest, daar in mijn schoolbankkastje. En er waren natuurlijk ook andere kinderen die op deze manier van hun eigen zwart / wit voorraad likten. Als je echt veel had gelijkt werd je soms wat licht in je hoofd, maar van hoge bloeddruk hadden wij als jochies nog nooit gehoord, ja misschien bij heel oude mensen van veertig jaar en nog ouder. Maar ach wij werden er niet ziek van. In de schoolpauze, was ik snel via het ‘tollestraatje’ Langs de Wal, met een onschuldig smoelwerk, maar een jongenshart vol spanning en samengeknepen billetjes, met mijn kartonnen duppie zo omstreeks 1962 bij Henk Westerbeek, met de bijnaam ‘De nachbakker’ zijn winkel binnen gestapt. Het winkeltje lag in de Volderstraat schuin tegenover de hoofdingang van mijn school. Een belletje rinkelde schel en deed mijn oplichtershart nog sneller kloppen. Het liefst was ik weer zo snel mogelijk naar buiten gehold, maar Henk verscheen al uit de gangdeur, en boog even later vanachter zijn volgestapelde toonbank en met zijn hoofd tussen de rijen aan het plafond hangende lichtbruine papierenpuntzakken naar mij toe, mij bekijkend door zijn vettige brillenglaasjes. ‘Of ik wat wilde kopen van hem’ was zijn vraag. Ik scheet van spanning bijna in mijn broek. Schuchter gaf ik hem mijn kartonnen duppie, en vroeg een zwart / witpoederzakje. Henk keek mij argwanend aan en draaide het door mij aan hem gegeven kartonnen dubbeltje om en om, en liet het even in zijn hand opspringen. Gevaarlijk, nog verder over zijn toonbank naar mij gebogen keek hij mij nu wat vuiler aan. ‘Maar die in niet ech jochie, hij is van karton, hoe kom jij er aan’ ? vroeg hij met zijn schelle hoge speeksel spetterende stem. Met angst in mijn stem vertelde ik Henk dat het dubbie van school was om te leren omgaan met geld. ‘Nou ik zal wel even naar je meester gaan’ zei hij met een mond vol stompies en rotte tanden. De speekselspetters kwamen mij tegemoet. Ik vond dat toen als jochie zijnde heel vies, en je ogen werden gewoon naar die rotte tanden, die ‘okkies’ zo noemden wij jongens dat getrokken, ik kon er niets aan doen, zulke tanden als bij Henk had ik nog nooit gezien. Vurig keek hij mij door zijn bevlekte brillenglazen aan. Het dubbeltje kreeg ik wel van hem terug, en ik haastte mij met bonkend hart zijn winkel uit. Ja ik zat die dagen daarna echt in de piepzak. Gelukkig heeft hij nooit met mijn meester hierover gesproken. maar ik had mijn les wel geleerd. Dit was mijn eerste contact met Henk Westerbeek. Zo omstreeks 1965, ik was 13 jaar, kreeg ik van moeder de opdracht om bij Henk Westerbeek wat boodschappen halen. Wij thuis hadden als kinderen een aantal werkzaamheden, om beurten bv, alle schoenen poetsen, de grindpaden om huis harken, zaterdags voor twee dagen voor acht personen aardappels en appels schillen enz. Niet dat wij als jongens daar altijd zin in hadden, nee wij gingen liever spelen, maar je moest het gewoon doen, en eigenlijk zijn wij er echt niet slechter van geworden, integendeel, je leerde wat te doen voor de kost. Maar een van de werkjes was boodschappen doen. Hup boodschappentas aan de linkerzijde van mijn fietsstuur, want snelbinders had ik niet, en in dit geval op weg naar de winkel van Henk Westerbeek. Trouwens jarenlang, tot omstreeks mijn veertigste, heb ik met mijn linkerbeen wat meer naar buiten gefietst, aangewend door de soms zware dikke boodschappentas die aan de linkerzijde aan mijn fietsstuur hing. Ik heb om met mijn linkerbeen gewoon weer recht naar voren te fietsen dit bewust weer aan moeten leren. Moeder vond het sneu voor Henk en zijn oude moeder, dat er zo weinig mensen bij hem in de winkel kwamen. Eveneens als vroeger toen ik met mijn kartonnen duppie wat bij hem probeerde te kopen, rinkelde het schelle belletje bij het naar binnen stappen in zijn winkeltje. Het belgeluid ebde weg, opgevangen door de vele stapels troep, papieren en kranten die op de toonbank lagen, en de honderden lichtbruine papieren puntzakjes die broederlijk strak tegen elkaar gebonden, verbonden door een dik vliegertouw aan het plafond waren vastgeknoopt. Op de vele prijskaartjes was de verkoopprijs vaak meerdere malen aangepast. Terwijl in zijn winkel aan het bewonderen was verscheen Henk uit een deur aan de rechterzijde achter in zijn winkel. ‘Zo meshal, hoe gaat ut ermee ? Gaat allus nog goed daar bij jullie an de sluize ? vroeg hij met zijn schelle stem. Voor ik kon antwoorden verscheen Henk zijn geheel in zwart geklede moeder, die mij vriendelijk gedag zei, en weer verdween, en waarschijnlijk even kwam kijken naar het uitzonderlijk geval dat er een klant in de winkel van haar zoon was. Ik had van mijn moeder een boodschappenbriefje gekregen, die ik begon die voor te lezen. Maar ik had nog geen twee artikelen opgenoemd toen Henk diep over de volgestapelde toonbank naar mij toe boog en zei ‘geef mij dat brieffie maar effe, jochie’. Hij zette zijn bril weer op, en krapte op zijn, in het midden bijna kaal vet glimmend hoofd, een soort zureregenkapsel. Vervolgens viel er een stilte, onderbroken door gemompel van Henk, en potloodgekras op moeders boodschappenbriefje. Ik bleef maar wachten, maar mij bekroop het gevoel toch iets te hebben gedaan wat ik beter niet had kunnen doen. Henk was met een potlood druk aan het krassen en schrijven op moeders boodschappenbriefje. Vervolgens vroeg hij mij de boodschappentas en deed naar ik verwachte de door moeder gevraagde boodschappen in. Maar tot mijn verbazing deed hij er meer in dan dat ik mij kon herinneren van hetgeen moeder op haar briefje had gezet. Henk zag waarschijnlijk mijn wat verbaasde blik in mijn ogen. ‘Ja jochie ik heb wat veranderd, dan kom je moeder voorlopig niet tekort, ik uh…. handel graag, da wit je wel’ was zijn oplossend maar in mijn ogen vreemd antwoord. Toen ik thuis bij moeder kwam met de volgeladen tas, was moeder verbaasd en een tikje boos. ; Je had je briefje ook niet af moeten geven’. Maar moeders boosheid zakte vrij snel weg en veranderde even later in een glimlach, en kreeg ik een aai over mijn bol. Een aantal weken later moest ik weer boodschappen bij Henk doen. Vol zelfvertrouwen bleef ik in de winkel met mijn rug bijna tegen de muur, tegenover de toonbank staan de dingen van moeders briefje oplezend. Henk probeerde evenals de vorige keer het briefje uit mijn handen te frutselen. Maar ik hield het stevig vast, en vertelde Henk moeders opdracht het briefje niet aan hem af te geven. Mompelend deed Henk de gevraagde boodschappen in de tas, en stapte ik even later trots met een overwinningsgevoel weer op mijn fiets op weg naar de sluis, naar moeder. Poe poe, het was wel even trappen, met de volle boodschappentas aan mijn stuur tegen de lange hucht van de Middelweg, iets voorbij ‘De Galg’ naar boven op de dijk van de sluis. In de daarop volgende jaren deed ik voor moeder af en toe nog boodschappen bij Henk. Ik was ongeveer 15 jaar toen ik weer in zijn winkel was en hij aan mij vroeg, ‘Jij leer toch voor meubelmaker of zoiets is nie’? Op de LTS in Culemborg of Kuilenburg zoals wij zeiden leerde ik voor meubelmaker en timmeren en later machinale houtbewerking. Uiteindelijk ben ik vanaf 1969, na een bedrijfsopleiding en diverse cursussen te hebben gevolgd, tot mijn pensioen in 2018 landkaarten gaan maken. Maar nog altijd heb ik profijt gehad van mijn meubelmaker en timmeropleiding. Maar bij Henk in de gang, achterin de winkel werkte een slot niet goed in een van zijn deuren, en vroeg hij aan mij of ik dat voor hem kon maken. Enkele dagen later heb ik met hamer en twee houtbeitels en wat ander gereedschap het probleem kunnen verhelpen, wat overigens niet meeviel in de half verlichte gang. In de kamer van de deur met het kapotte slot waren de gordijnen dicht getrokken en drong een vaag licht de kamer in. Er lagen er hoge stapels kranten, tijdschriften en andere papier en wat andere spullen, dat kon ik nog wel zien. Ik durfde niet tussen de tijdschriften te kijken maar was wel heel nieuwsgierig, omdat ik een echte boekenworm was en nog steeds ben. In een van de kamers mocht ik uitdrukkelijk niet komen en kijken. Vreemd vond ik dat, in mijn fantasie en jongensbrein dacht ik gelijk dat hij daar stapels vieze boekjes zou hebben liggen, wie weet. Maar nee hoor daar in die kamer mocht ik beslist niet naar binnen zei Henk uitdrukkelijk. Het kapotte slot werkte weer, en Henk was blij. Of ik iets van een vergoeding heb gekregen weet ik niet meer, maar wel een vriendelijk dank je wel. Even later stond ik lopend door zijn bijzondere volgepakte winkeltje weer buiten in de Volderstraat, toch met een beetje trots gevoel dat de klus mij was gelukt. Maar in later jaren ging ik nadenken over dat winkeltje van Henk. Wat zou het jammer zijn als Henk zou overlijden en alles zomaar voor eeuwig zou verdwenen. Zo omstreeks 1982 kwam ik Henk weer eens tegen, hij stond op de oude ijzeren brug naar het schutten van de sluizen, en scheepvaart te kijken. Ik had enkele jaren geleden nog een foto van Henk zijn winkel in de Volderstraat gemaakt, dan had ik tenminste nog iets van hem. Maar hoe moest ik het aanpakken om in zijn winkel foto’s te mogen maken. Henk was toch wel een beetje eigenaardig en schuchter mannetje. Ik sprak hem aan op de brug, en liet hem weten dat ik een mooie foto van zijn winkel had gemaakt. Nou daar wilde haar wel een afdrukje van. ‘Dan kom ik de foto’s wel brengen’ zei ik tegen hem. Een week later ging ik met mijn fototoestel en beloofde afdruk van zijn winkel, naar de winkel van Henk Westerbeek. Voor mijn gevoel, toen ik binnenkwam was hier in geen jaren iets veranderd. Zijn moeder was enkele jaren geleden overleden. Ik vertelde, om vertrouwen te winnen, dat ik vroeger nog een deurslot voor hem had gemaakt. O Ja dat wist hij nog, en was er toentertijd wel heel blij mee. Voorzichtig vroeg ik hem of ik wat foto’s van zijn winkel mocht maken. ‘Wat ga je er dan mee doen ?’ vroeg Henk argwanend. Ik liet hem weten dat ik zijn winkel, en dat was ook zo. heel mooi en bijzonder vond, en daar graag een paar foto’s van wilde maken. ‘Och jij he me vroeger goed geholpen met mun slot, maak jij maar een paar foto’s’ was zijn antwoord. Van binnen was ik verheugd. en maakte zo goed als het ging in dat kleine winkeltje wat foto’s. Henk was een roddelaar en kwaadspreker als er mensen voorbij liepen of fietsten zei hij zoiets van ‘Kek. Kek daar loop die en die, och das zo’n vies frommes’ waarmee hij een vrouw bedoelde. Voorzichtig gluurde hij over zijn met een hand naar beneden getrokken etalagegordijntje. Even later fietste er weer iemand langs, gelijk kreeg ik weer een Wijkse bijnaam en bijbehorende roddels te horen uit zijn mond vol rotte stompies. Ja volgens Henk deugden er maar weinig mensen. Zou hij de wijze woorden van Jezus vergeten zijn ‘Waarom kijkt gij naar de splinter in het oog van uw broeder, maar ziet gij de balk in uw eigen oog niet’. Maar Henk bleef roddelen, en mij bekroop het gevoel als ik later weg zou gaan er van mij misschien ook niet veel deugde, tenslotte had ik hem als jochie zijnde al willen bedriegen met een kartonnen dubbeltje. Hij bleef maar doorpraten met zijn hoge schelle stem, vol speekselspetters en half rotte tanden. Een tandarts zou zijn pensioen er mee kunnen halen, mits hij zijn maaginhoud binnen zou kunnen houden, om van Henk zijn gebit weer iets fatsoenlijks te kunnen maken. Regelmatig trok hij tijdens ons gesprek even aan zijn stropdas om deze weer in de goede positie te brengen op zijn ooit helderwit geweest overhemd. In het zakje van zijn colbert staken een paar pennen en potlood, die hij als echte winkelier altijd bij zich moest hebben. Na enkele pogingen van mij wilde Henk zelf ook wel op de foto, maar wel wat achteraf gezeten. Maar goed beter iets dan niets dacht ik. Zijn stropdas werd nogmaals met extra aandacht rechtgetrokken, en daar ging Henk op het trapje van de opkamer zitten. Klik, hij stond erop, een beetje vaag, maar ik had geen betere flits. Ook van Zijn woonkamer mocht ik een paar foto’s maken, maar voor de rest niets. Ik was allang blij met de foto’s die ik van zijn winkel mocht maken, en bewaar de ook zuinig. Een paar weken voor zijn dood heb ik Henk in De Heul in Wijk, waar hij toen woonde nog eens opgezocht. Hij was oud geworden, bleek en stil. Het roddelen was verstomd. Zijn gesloten maar ingevallen mond deed mij toch vermoeden dat er een tandarts was geweest die het had aangedurfd zijn resterende tanden en kiezen te verwijderen, petje af voor die tandarts. Ja Henk kende mij nog. Alléén zijn licht gedraaide hoofd en ogen volgden mij toen ik in zijn kamer de aan de muur hangende oude familiefoto’s aandachtig bekeek. Van de vriendelijke verzorgster kregen wij een kopje koffie, en maakte ik nog een praatje met Henk. Enige weken later is hij overleden. En ja, toch is er weer een van de markante figuren van oud Wijk verdwenen. Oud Wijk is oud wijk niet meer. Maar er is een troost. Markante en bijzondere mensen is iets van alle tijden, gelukkig maar. Zij zullen er altijd zijn, komen en gaan, en dat is een hele mooie troost. Hartelijke groeten, Gerrit Marchal.

Op een van mijn fietstochten in 1992 vanuit Almere naar mijn ouders in Wijk bij Duurstede was ik een stuk omgefietst richting Renswoude en Ederveen. Vanaf kasteel Renswoude via de Veenweg kwam ik op de Munnikeweg nabij Ederveen. Hier is de grens tussen de provincies Utrecht en Gelderland. De weg zelf ligt in Utrecht de berm gezien vanaf Renswoude in Gelderland. Ik wilde hier weer eens gaan kijken. Omstreeks 1974 was ik met een landmeter Willem Groters van Ingenieursbureau van Steenis uit Utrecht, waar ik toen werkte, hier hoogtemetingen nabij ‘De Klomp ‘aan het doen. Ik vond het toen een mooi groenrijke omgeving, en altijd was ik van plan om hier weer eens te gaan kijken, vandaar. En ook wilde ik eens gaan struinen bij het hier in de buurt liggende fort Daatselaar. Maar daar is die dag niets van gekomen, maar pas jaren later tijdens een wandeling hebben Lenie en ik het fort opgezocht. Ik was afgetapt om mijn landkaart te bekijken, toen een man, die wat verder naar links in een weide stond naar mij keek. ‘Zoek je de weg, ben je niet van hier ? vroeg hij vriendelijk, terwijl een paard naast hem kwam staan en tegen de schouder van de man begon te schuren om aandacht te krijgen. Wij raakten in gesprek over dieren, de boerderij en het vee. ‘Kiek ik woon met mun twee broers daar op de boerderij, kom us an, ik verzamel oud boerenspul, kom maar us kieke’ was de vriendelijke uitnodiging van man, Arie van Wagensveld. Ik had een foto van hem met zijn paard gemaakt en beloofde hem, mocht ik ooit hier weer in de buurt komen de foto mee te nemen. Belofte maakt schuld. En omstreeks 2005 was ik hier weer in de buurt en ging natuurlijk de beloofde foto bij Arie afgeven. Hij was er toen heel blij mee en zei tegen mij ‘Jong oe ben altied welkom’. Ik had die dag nog wat meer foto’s gemaakt van o.a. zijn wat stille broer Job op zijn oude fiets achter de boerderij, met de naam ‘De Nap’. Zijn andere broer Evert was niet op de boerderij, en ergens aan het werk. Zo af en toe belde ik de broers wel eens hoe het met ze ging, en bij een van de telefoongesprekken zei Arie dat zijn broer Job toch vrij plotseling was overleden. ‘Wie zunt nu nog maar met zu’n tweetjes’ zei Arie met een trieste stem. Ik beloofde Arie de foto van Job op zijn fiets, voor hem af te drukken en langs te komen brengen. Toen ik tijdens een fietstocht op 8 juli 2013 met Lenie vanuit Rhenen langs de Grift hier naartoe was gefietst, was er niemand op het erf te zien. Een bruine hond lag te slapen op het erf aan de achterzijde van de boerderij. Hij stond traag kwispelend op en kwam naar ons toe. Een kleinere hond, die wat verderop stond bleef op zijn plaats en keek alleen maar naar ons. De deeldeur van de boerderij staat half open, en Leentje en ik liepen naar binnen. Het deel stond tot onze verbazing vol met allerlei spullen. Kleine boerenwagens, weegschalen, stoelen, een houten kar vol houtblokken, en ijzeren wagenwielen, en bijenkorven, etc. Aan de balken hangen in plastic zakken bonen en kruiden te drogen. Aan de houten wand hingen platen van Anton Pieck, en levenswijsheidteksten. Eigenlijk was alle beschikbare ruimte gebruikt, door boerengereedschap, potten en emmers etc. Wij horen stemmen en zachte kerkmuziek, en ik riep ‘Hallo’. Maar geen reactie. Nog een keer wat harder ‘hallo’ geroepen. Plots verstillen de stemmen, en horen wij alleen de kerkmuziek. ‘Kom binnen’ wordt er geroepen. Arie zit in zijn stoel, en een voor ons onbekende man staat, met aan de voorkant omgedraaide broeksriem, en zijn handen op zijn rug in de kleine boerderijkamer. Hij blijkt later een vrachtwagenchauffeur uit Barneveld te zijn. Arie zegt tegen mij ‘Je mot deurlope as je hier kom, lop voortaan maar gewoon naar binnen, ok al is hier geen mins, je ben hier toch al us vaker gewies, of nie dan, ha ha haa’ zegt de vrolijke Arie. ‘Zal ik doen’ zeg ik tegen hem, dankbaar voor het vertrouwen, dat ik of wij gewoon de boerderij in kunnen ook al is er niemand, de deur is altijd open. ‘Ga zitten, willen jullie koffie? Ik laat Arie de meegebrachte foto van zijn overleden broer Job zien. Hij wordt even stil bij het bekijken van de foto, en kijkt ontroerd naar zijn overleden broer. Met dankbare ogen kijkt hij ons aan ‘Ja wie zunt nu nog maar met zu’n tweetjes, ja hij was de jongste’. Ook de vrachtwagenchauffeur bekijkt de foto, en Leentje en ik krijgen koffie. Het door ons onderbroken gesprek wordt voortgezet. ‘Ja’ zegt de staande man ‘Ik ben al jaren vrachtwagenchauffeur, en vurige week net 69 geworden, maar ik zal je zegge ik had vreuger een soort eczeem of zoiets zei ik net tegen Arie. Da kwam van dat zeil van de zitting van de wagen, tjonge jonge da werd heet… heet, wel 60 of 70 graden in de zon. Mijn hele huid zat onder, en op een gegeven moment van mien vrouw ok. Het was een vieze ziekte, je hele kont brande door’. Ik zee tegen de dokter, he je er wat veur? Toen zei die dokter uit Lunteren, ‘Jong wit jij wat je moet doen, naar huis en alles uit doen, gewoon in je nakie lopen’. ‘Ik zal je zeggen’ zei de chauffeur’ De gordijnen gingen dicht, mijn vrouw en ik hebbe allus ut gedaan, en wij hebbe spiernaakt drie of vier dagen in huis gelopen, en wat doch ie, allus verdween, nooit gene las meer van gehad, tot op de dag van vandaag nie, en ‘t mooie is, hut het me niks gekocht. Ja das was eene goeie dokter, die he je tegenwuurdig nie meer, ja ik ben blie dak er vanaf ben’. Zijn krachtige stem vult de kleine boerenkamer, terwijl Lenie en ik onze koffie opdrinken. Even later verdwijnt de chauffeur en moet verderop nog wat doen. Arie laat ons de hele boerderij zien. De kamers en de zolder waar hij met zijn broer slaapt. ‘Kiek, hier slapen wij, nee hoor maak maar gerust foto’s, ga je gang maar, maak niks uut, Ik zal je zo het vee nog even laten zien, en kom nog maar us effe kieke naar mun verzameling boerenspullen. ‘He je da jong nog gezien hier op ut erf ?’ vraagt Arie. Maar wij hadden behalve de honden geen jongen gezien. Maar even later zien wij hem buiten. Het is een neefje van Arie, rijdend in zijn taptrekker met een jonge hond in zijn aanhangwagen. ‘He jullie kinderen ? , Ik zal je zeggen da jong wat buiten lop, da’s een neefje van mie, een best jong, maar hij krieg een strenge opvoeding van zu’n moeder, mot ook psalmversies leren van zu’n moeder. Het is een mirakels best jong, niks dan achus en negeus en tienen op school. ‘Mien vader zeit altied, ‘Je kunt beter een ondeugend peerd hebben, dan een verwend jong’ ha haa haa, maar zo is net’. ‘Wij zunt vroegur nog us op de televisie gewies, ha ha haa’. Buiten gekomen neemt Arie ons mee naar de stallen en laat zijn koeien en varkens en kippen zien. De bruine naamloze hond volgt Arie trouw, en is een paar keer op zoek naar ratten. Tot slot neemt Arie ons mee naar een van de schuurtjes, die van beneden tot boven volgepakt is, met door de broers, maar vooral door Arie verzamelde spullen. Trots laat hij verzameling zien.’ O man ik veind het zo mooi he, da ouwe spul, wit jij wa dit is’? vraagt hij aan mij, een lange ijzeren stang in zijn handen houdend, ‘Nee he, das een thermometer voor de hooibroei, gekriege van een man ut ‘t Veen’, waarmee hij Veenendaal bedoeld. Leentje en ik hebben genoten. Aan het eind van de middag fietsen wij weer naar Rhenen terug. Wij hebben een prachtige dag gehad. In later jaren heb ik Evert nog eens gebeld en opgezocht, nadat hij mij vertelde dat Arie was overleden. Het werd stil aan de andere kant van de lijn. ‘Arie is overleden aan een hartaanval, en Job, ja die had kanker, die had toen gezeit ‘Ik he niet lang meer te leve’. ‘Er is er nu nog maar untje van de drie broers over’ zegt Evert met een trieste klank in zijn stem. Evert klinkt mat en is aangeslagen, en er valt een stilte in ons gesprek door de telefoon. Vrij snel ben ik bij Evert langsgegaan, en liet hij mij foto’s zien van zijn ouders en grootouders, en Aaltje, een tante van vroeger, geboren op 8 juni 1869, met ‘voorkind’ wat niet op de foto staat. Een voorkind was, zo noemde ze dat in vroeger jaren, als je voor je huwelijk in verwachting raakte en een kind kreeg. Buiten heb ik nog een foto van Evert met twee vrienden gemaakt die hem geregeld komen opzoeken, om te kijken of het goed met hem gaat. Bij een van de vrienden hangt een jachtgeweer voor in zijn Jeep. Alle drie de broers zijn inmiddels overleden. De vader van de broers heeft in het verleden nog aantekeningen gemaakt van de familie. Trots laat Evert het aan mij zien. Maar wij bewaren onze ontmoetingen, met deze drie vriendelijke boerenbroeders, als dierbare herinneringen in ons hart. Voor familieleden die graag de door mij gemaakte foto’s wil hebben, stuur mij even een mailtje, naar: helenah51@hotmail.com, of bel mij even 06 23431253. Hartelijke groeten, Gerrit Marchal.

Maar er is nog een leuk verhaal over deze mooie woning ‘Nieuw Bouwlust’, met zijn tuinkabouter, gelegen aan de Lange Singel in Wijk. Jammer, dat mijn zo jong overleden, jongere broer Johan er niet meer is. Hij wist precies, wie en wat. Maar goed ik zal het zo goed mogelijk verwoorden, want hij heeft het verhaal mij een paar keer verteld, in de loop der jaren., En namen zijn eigenlijk niet belangrijk, het gaat om het gebeuren. Zo omstreeks 1975, en vader nog bij de Gemeente Wijk bij Duurstede werkte, had hij en een aantal collega’s van de gemeentewerkplaats een etentje. Schijnbaar werd er door sommigen flink gedronken. Aan het eind van de avond, liepen een paar beschonken gemeentewerkers, als broeders huiswaarts, en langs de bovengenoemde woning. Daar woonden toen de bankdirecteur van Dam, met moeder. Een keurige dame, die bijvoorbeeld, als zij zondags met haar zoon naar de kerk in Wijk ging, links en rechts kijkend, vele mensen toeknikte en zachtjes gedag zei, echt een dame van aanzien. Maar goed, naast de indrukwekkende toegangsdeur hebben jarenlang twee grote bloembakken gestaan. De aangeschoten broeders waren de woning nog niet gepasseerd, toen er een zei ‘Ik moet schijten’. Maar aangezien het al bijna donker geworden was, werd de ‘scheiter’ maar aangeraden alles beneden maar zo stevig mogelijk dicht te knijpen tot hij thuis was. Maar schijnbaar was de nood hoog, en zei tegen zijn collega’s, ‘Bel aan, en zeg dat ik moet schijten’. Maar geen van de anderen wilde dat doen, aangezien hier de keurige mevrouw van Dam, met haar directeurszoon woonde. En ja in zo’n klein stadje wilde je geen ellende, of slechte naam krijgen. ‘Bel aan, bel aan, of ik trap de deur in’ zei de scheiter nogmaals, die inmiddels zijn broek naar beneden had getrokken, en over de rand van een van de bloembakken was gaan zitten, en zijn behoefte tussen de kleurrijke planten had gedaan. Er werd toch maar aangebeld door een van de makkers, en even later ging de deur langzaam open en stond de oude mevrouw van Dam verbaasd in de deur opening, om vervolgens het verhaal aan te horen. De man in de bloembak had WC papier nodig. ‘Foei, foei’ was het enige wat mevrouw van Dam kon uitbrengen, en trok de deur weer dicht. Inmiddels was de scheiter achterover gevallen in de bloembak tussen de bloemen en had zichzelf ruggelings bevuild, maar werd door zijn makkers weer op zijn benen geholpen. Hup broek omhoog, de rest zag hij thuis wel. Waggelend liep een ieder naar zijn eigen woning. Maar de scheiter werd een dag later op het werk wel op het matje geroepen, en moest zich verantwoorden. Hij heeft net geen ontslag gekregen, maar moest o.a. zijn excuus bij mv. van Dam gaan aanbieden. Ach zo gebeurde er in vroeger jaren nog wat in Wijk.

Mijn ouders woonden tot februari 1958 op de Hoogstraat 95, in Wijk bij Duurstede. Daarna zijn zij verhuisd, als ik het goed heb onthouden, in een vrachtauto van Fam. Verbeek, naar Sluis Zuid 2, eveneens in Wijk bij Duurstede. Ik was toen 5 jaar, maar ik kan mij nog veel herinneren. Tenslotte was het voor mij als jochie zijnde een hele spannende gebeurtenis. Toen wij nog op de Hoogstraat woonden, gingen mijn ouders, bij een beetje redelijk weer iedere zondagmiddag wandelen, en alle kinderen gingen mee. Als kind had ik daar niet altijd zin in, maar ja, je moest gewoon mee, geen gezeur. Op een van deze wandelingen kwamen wij langs de mooie statige woning met de naam: ‘Nieuw Bouwlust’, gelegen langs de ‘Lange Singel’ zoals wij dat toen noemden. Als ik het goed heb onthouden, woonde daar een bankdirecteur, Fam. van Dam. Links naast de woning was een mooie tuin, en tot mijn verbazing stond daar zomaar een kabouter in de tuin. Prachtig vond ik hem. Vol bewondering, en om hem zo dicht mogelijk te bekijken drukte ik mijn hoofd tegen twee tuinhekspijlen. Plots schoot mijn hoofd tussen beide spijlen naar voren, en kon ik met geen mogelijkheid terug, wat ik of vader ook probeerde. Bij het terugtrekken bleef ik met mijn oorschelpen achter de spijlen hangen. Daar stond ik dan, licht voorovergebogen met mijn hoofd door het tuinhek. Vader probeerde eerst mijn hoofd voorzichtig terug te trekken. Maar nee hoor, ik bleef hangen achter mijn oren. Vervolgens probeerde vader, die best wel sterk was, de twee ijzeren spijlen aan beide zijden van mijn hoofd wat uit elkaar te trekken en drukken, maar zonder resultaat. Ik zal denk ik wel in mijn broek hebben gescheten van angst, Ja wat nu ? De Wijkse smid Henk Hoogendoorn, die wat verderop aan de Singel woonde, en gelukkig thuis was, werd op die zondagmiddag gehaald. Hij had zover ik mij kan herinneren, een soort grote tang bij zich en heeft beide spijlen iets uit elkaar gebogen, en ja hoor ik kon mijn hoofd opgelucht weer terug trekken. Jarenlang heeft de door mij bewonderde kabouter daar nog in de tuin gestaan. Ik heb omstreeks 1992 nog eens geprobeerd een foto te maken van de kabouter tussen de twee gebogen hekspijlen, maar de struiken waren inmiddels zo groot geworden, dat wat ik voor ogen had niet lukte. Stom van mij, ik had die foto veel eerder moeten maken. Ja, het hek staat er nog steeds. Wel is op toegevoegde zwart / wit foto, aan de rechterzijde, een van door de smid Henk Hoogendoorn gebogen spijlen te zien. Bijna altijd als ik hier langs fiets, of wandel kijk in even in deze tuin, en naar de gebogen spijlen. Een aantal jaren heeft de kabouter i.p.v. in de tuin, op een vensterbank in de woning gestaan. Maar hij was er gelukkig nog. Tijdens een wandeling door Wijk op 5 mei 2005 zag ik de kabouter helemaal niet meer, niet in de tuin, en niet in de vensterbank. Eigenlijk schrok ik een beetje, hij zou toch niet zomaar weggegooid zijn ? Ik stond wat onthutst naar de tuin te kijken, toen een keurig geklede jongeman de woning binnen wilde gaan. Ik zag er nou niet echt lekker uit met mijn zwerversoutfit, meestal doe ik wat oude kleding aan als ik ga struinen, en aan mijn oude spijkerjas, jaren geleden, in Seattle gekocht hingen de rafels aan mijn mouwen en in mijn kraag, maar ik ben aan mijn oude spijkerjas gehecht. Toen ik de vriendelijke man het verhaal vertelde uit 1958 van de kabouter, en hem de twee gebogen spijlen in zijn tuinhek had laten zien, moest hij lachen. Natuurlijk had hij de twee gebogen spijlen wel eens gezien, maar geen idee hoe dat gekomen was. Ondanks mijn versleten kleding, en gelukkig had hij geen vooroordeel zei hij vriendelijk ‘Komt u maar even mee, dan zal ik u wat laten zien’ Via een mooi ingerichte gang, besprenkeld met mooie kleuren op een van de wanden, van het kleurrijk glas in loodraam volgde ik de jongeman door zijn prachtig ingerichte woning naar de achtertuin. ‘Kijk, daar staat je kabouter’ zij hij trots. De kabouter was groter dan in mijn herinnering. Het liefst had ik de kabouter even wast gehouden en geknuffeld, maar dat was onmogelijk, aangezien hij een aantal meters boven het grasveld, in een diepe scheur, in een van de bomen, achter een stang, veilig opgeborgen was. Want zo liet de vriendelijk man mij weten, dat er mensen van het ‘kabouterbevrijdingsfront’ waren geweest, die geprobeerd hadden om de kabouter uit de tuin te stelen. Wat een mafketels lopen er eigenlijk ook rond op deze wereld. Maar mijn kabouter stond op veilige hoogte de wereld te bekijken. Ik was blij hem na al die jaren weer eens te zien, en blij dat hij er nog was. Ik heb de vriendelijke jongeman hartelijk bedankt, en hij was blij nu de geschiedenis achter de gebogen hekspijlen te weten. Met een blij hart, mijn kabouter weer eens te heb gezien ben ik verder gaan wandelen.

Deze foto is gemaakt omstreeks 1964. Vader en ik kijken planten in vaders tuin naast het huis ( Sluis Zuid 2 in Wijk bij Duurstede ). Moeders waslijnen waren twee kromme ijzeren draden gespannen tussen twee ijzeren palen. Eentje is nog net rechts op de foto te zien. Rechts op de voorgrond is nog een stuk van vaders broeibak te zien, en geheel rechts nog een stukje van een van de glazen broeikasramen. In de broeikas kweekte vader in het vroege voorjaar o.a. slaplantjes. Soms als het te warm werd in de broeibak deed vader een steen onder een van de ramen. Het gebeurde dan regelmatig dat onze poes, dan heerlijk opgerold lag te zonnen tussen de jonge plantjes. Op de achtergrond is een gedeelte van de vele tientallen bessenstruiken te zien die toen nog naast en achter het huis stonden. Het merendeel waren het rode bessen, kruisbessen, en een paar zwarte bessenstruiken. De rode- en de kruisbessen vond ik wel lekker, maar de zwarte wat minder. Regelmatig als wij trek hadden zaten wij verborgen, gehurkt tussen de bessenstruiken ons half vol te eten, maar vader vond dat niet erg. Geheel op de achtergrond was toen nog een oude hoogstamboomgaard met aan de slootkant hoge dichte struiken. Een paar keer heb ik toen daarin Ransuilen gezien, wel drie of vier tegelijk. Doodstil zaten zij, half verborgen tussen de takken van de grote struik, maar je met hun vastzittende grote ogen, en draaiende koppen je nauwlettend volgend. Rond schemertijd vlogen zij geluidloos laag over de boomgaardbodem op zoek naar voedsel, zoals muizen enz. Als jochie zijnde heb ik het altijd een beetje een spannende, donkere en stille boomgaard gevonden, en schrok je best wel, als in de schemering een Ransuil, vlak naast je plots langs je vloog. Bij het ijzeren hek bij de ingang van deze boomgaard, bij de lange meidoornhaag, stond een wilde kers, die in het voorjaar wonderschoon in bloei stond. Achter deze boomgaard waren de weidse weilanden met zijn rijk dieren- en plantenleven, en met in de meimaand vele kwakkende kikkers. Soms. Nee vaak als ik hier kom, mis ik wel het toen zo rijke vogelleven, de vele Grutto’s, Kieviten, Tureluurs, en hoogvliegende en zingende leeuweriken. Wat was het altijd leuk, als jonge jongen zijnde, om deze steil omhoogvliegende vogeltjes zo ver mogelijk in de blauwe lucht proberen te volgen, totdat zij plots waren verdwenen in het hemelblauw. Van de heldere bloemrijke sloten, met hun stille over het water gebogen oude holle knotwilgen is veel verdwenen of een stuk minder mooi geworden. Hoe mooi was het niet als de wind met de langwerpige wilgenbladeren speelde. Ik ben blij dat ik nog wat foto’s heb uit deze tijd. Hannes de Jongh met de bijnaam ‘De Kapaje’, en broer van Jan de Jongh, de schoenmaker uit de Peperstraat in Wijk heeft eens de boomgaard naast ons huis gepacht. Een goedlachse vriendelijke in zichzelf mompelende, en een wat loens kijkende man, die pruimde en soms geelbruine sapstralen tussen zijn tandenspleet, met een gedraaid hoofd van zich af spoot.

Bij ons thuis hadden wij vroeger bijna altijd een hond, soms twee. Zoals ook de kleine Kobus, die op een goede dag gewoon kwam aanlopen en bij ons thuis is gebleven. Waarschijnlijk was hij van, bij de sluizen aangemeerde schepen afkomstig. Op bijgaande foto, uit omstreeks 1978, zijn moeder en mijn jongste broer Jan achter ons huis, onze Snuffel, een heel lieve hond aan het wassen. Als wij als jongens, en ook jaren later gingen wandelen en struinen in de achter ons huis gelegen weilanden en uiterwaarden, ging de hond altijd mee. Wel letten wij er altijd goed op dat zij niet achter de koeien en schapen gingen rennen. Maar op een goede dag was onze Snuffel alleen op pad gegaan, en bij thuiskomst stonk zij vreselijk. Waarschijnlijk had zij op in het weiland op een dode mol liggen rollen. Aangezien onze Snuf gewoon in huis zijn plekje had, bv naast de oude houtkachel, was het dit keer echt niet te harden. Zij stonk vreselijk. Moeder begon te gillen ‘Snuf wat stink je vreselijk, m’n huis uit’ Met zijn kop naar beneden, een schuldige blik in haar trouwe hondenogen, en staart tussen haar poten droop snuf af en ging via de houten hordeur naar buien. En echt, op Snuf haar rug stonden haar donkere haren, gedeeltelijk vies plakkerig omhoog, en er kwam een vreselijke gore stank vanaf. De teil werd gepakt, en de onwillige Snuffel kreeg met Dreft een grondige schoonmaakbeurt. Niet alle stank was verdwenen, maar het was te doen. Nadat onze hond weer een beetje was opgedroogd, mocht zij weer in huis komen, draaide een paar keer rond en ging vervolgens met d’r kop op haar poten lekker slapen, bijkomend van haar mollenavontuur en wasbeurt

Mijn moeders vijf jaar oudere zus, tante Dina Nokkert was een prachtig mens, die in Maartensdijk woonde ( Nieuwe Weteringseweg 187 ) en van alles verzamelde. Kasten vol kleding, gehaakte kleedjes, bakken vol zeepjes, een sigarendoos met mooi kleurrijk borduurdraad van voor de 2e wereldoorlog, etc. Ik ging altijd tijdens een van mijn fietstochten even een kopje koffie ( met vel ) bij haar drinken. Als zij toevallig geen melk in huis had liep zij even naar de overbuurman Dirk Boogaard om daar een kannetje melk te halen. Tijdens een van die bezoeken zei zij tegen mij ‘Loop is effe mee jochie ik heb in de schuur nog een heleboel mooie jassen, er zit er vast en zeker wel eentje voor je bij’. ‘Oohhh wacht even dan ik doe nog even een vest aan’ zei zij. En voor zij naar buiten liep bevestigde zij haar huissleutel met een grote veiligheidsspeld op borsthoogte aan haar jurk. ‘Ik raak mijn sleutel wel eens kwijt he, ik weet dan niet meer waar ik hem gelegd, nou kom maar met mij mee’. Ik achter haar aan, zij liep gebogen, in haar uit de zak van Max gehaalde kleurrijke gympies, met haar door ouderdom krom getrokken benen, en ondersteund door de wandelstok van haar overleden man Henk Wouters. In het volgepakte schuurtje opende zij een van de kasten, waarin o.a. geheel zwarte, en zwart/ witte met grijs geblokte damesjassen hingen. ‘Na even snuffelen, binnensmonds gepiep, gemompel, en schuiven tussen de jassen pakte zij er eentje en zei ‘Ik denk dat deze je wel past’. Al voor dat ik het kledingstuk had aangetrokken zag ik al dat het zeker niet mijn maat was. Maar goed ik wilde haar niet teleurstellen. Maar mijn onderarmen bleven halverwege de veel te strakke mouwen steken. Van achter haar vettige oude brillenglazen keek tante Dina mij schuin omhoog kijkend aan, en zei met haar wat hoge stem ‘Oohhh hij past echt niet he, jammer het zijn nog zulke mooie jassen’. In stilte was ik blij dat het fossiele kledingstuk niet mijn maat was. Een van de mooiste verhalen vertelde mijn overleden lieve tante Wil. Tante Dina moest op een gegeven dag naar het ziekenhuis voor onderzoek. In de kleine ruimte van de steile zoldertrap haalde zij vier paar nylonkousen te voorschijn uit een verzameling van tientallen, zo niet meer, andere gelijksoortige kousen die aan een oude kapstok hingen. De meeste waren kapot of met ladders, of van twee was weer een goed paar gemaakt, etc. Zittend op haar stoel begon zij vier kapotte nylonkousen over elkaar aan te trekken, vervolgens een beetje te draaien en trekken, Vervolgens gaf zij aan klaar te zijn voor het ziekenhuisonderzoek. Vol verbazing zag tante Wil het aan en zei ‘Maar Dien zo kan je toch niet voor onderzoek naar het ziekenhuis, met vier paar kousen over elkaar’. ‘Oooh, ach dat zien zij toch niet in het ziekenhuis, je ziet toch zo geen gaten en ladders of zo’ zei tante Dina verbaasd. Maar tante Wil liet haar weten zo niet met haar weg te gaan. Alle vier de kousen werden weer uitgetrokken en een goed stel aan gedaan. Tante Wil en ome Gerard Nokkert hebben de laatste jaren van haar leven bewonderingswaardig veel voor tante Dina gedaan. De foto heb ik genomen op 28 Mei 2004, en is een van de weinige foto’s die ik heb van tante Dina in haar schuurtje.

Het varkentje. Op 18 mei 2005, had ik zoals zo vaak zin om heerlijk te gaan struinen in de uiterwaarden ‘De Bosscherwaarden’ in Wijk bij Duurstede. Vanaf mijn prille jeugd zwerf ik hier rond. Vanaf de eind 50er jaren met mijn broers, en later ook met mijn vrienden Toon en Hugo van Rijn. Het was altijd heerlijk struinen hier in de uiterwaarden. Tjonge, jonge wat hebben wij hier in bomen en wilgen geklommen en slootje gesprongen tot wij zeiknat waren. Soms proberen wij wel eens koeien stil van achteren te benaderen en pakte dan hun staart. De geschrokken koe begon te hollen, ons achter zich aan slepend door gras en soms ook dikke droge en natte koeienvlaaien. Op een keer waren bijna al mijn knopen van mijn overall, en was moeder boos toen ik thuis kwam, zonder knopen en de voorkant van mijn overall en kin, die ik een beetje met de hand had schoon geveegd, dik onder de koeienstront. Hoofdschuddend met haar ene hand op haar voorhoofd liep zij met de kapotte vieze overall naar de wasteil, en ik moest in het kleine houten keetje in de teil, want ik stonk als een bosvarken. Maar op de 18e mei had ik weer eens de kriebels, m’n laarzen aangedaan en natuurlijk mijn fototoestel meegenomen. Bij zijn boerderij, daar waar de Sluis Zuid en Lekdijk-West bij elkaar komen zag ik Joop van Rijn op zijn boerderijerf lopen. Een praatje is dan gauw gemaakt. Ook Joop ken ik al vanaf ongeveer eind 50er jaren, mijn ouders zijn immers in februari 1958 hier wat verderop komen wonen. Plots zie ik tijdens ons gesprek een ongeveer 20 cm groot stenen varkentje op de muur naast de garage staan. In de bovendorpel van de garage staat in het cement ‘Corry van Rijn 1954’ ingekrast. ‘Wat een leuk varkentje’ zeg ik tegen Joop. “Gert ik zal je eens wat vertellen’ zegt Joop. ‘Hoe hard het ook waait, hij blijft daar op het muurtje staan’. ‘Maar later, tijdens een opruimdag, dacht ik, ach hij is kapot, z’n staart is eraf, ik gooi dat ding maar weg’. ‘Ik had het ding beetgepakt en op de afvalhoop gegooid, maar toen hoorde ik wat piepen, in het varkentje’. Er bleek een nestje met jonge vogeltjes in te zitten. ‘Voorzichtig heb ik hem weer opgepakt en teruggezet’. ‘Ik zag dat de vogels via het kontgat in- en uitvlogen’ zei Joop. Ik heb het altijd een leuk verhaal gevonden. Ik had Joop gevraagd als hij echt later nog eens van plan was het varkentje alsnog weg te gooien ik het wel wilde hebben. Ik heb die dag nog een heerlijke struinwandeling in de uiterwaarden gemaakt. Enkele jaren later sprak ik Joop weer eens, en schoot het varkentje in mijn gedachten, ‘Heb je het varkentje nog Joop ? vroeg ik. Maar nee, Joop liet weten dat het ding plotseling was verdwenen, Iemand heeft het meegenomen, maar hij heeft geen idee van wie. Jammer het was een leuk knorretje. Gelukkig heb ik nog een paar foto’s van hem gemaakt.

Op 29 oktober 2008 was ik in het Buurtschap ‘Steenen brug’ gelegen tussen Neder- en Overlangbroek, foto’s aan het maken van de oude boerderij van Gart van der Zand. Een mooie omgeving, en de geboortestreek van mijn voorouders, van enkele generaties terug. Mijn ouders, en meerdere voorouders, en mijn jongere broer Johan, tante Jans en ome Theus / Teunis Marchal, zijn hier begraven op de begraafplaats in Nederlangbroek. Ik was enige jaren geleden nog bij Gart binnen geweest, in zijn oude boerderij met zijn rijke geschiedenis. Gart stond in zijn kleine boerderijkeuken krom gebogen over zijn op meerdere plekken rokende oude houtkachel. Waarschijnlijk was het gestookte hout nog niet helemaal goed droog, omdat er rokerige pluimen uit enkele scheurtjes, en kieren van de houtkachel kwamen, en ook langs de kachelringen in het keuketje omhoog kronkelden. Gart stond mopperend voorovergebogen, met een horizontale rug stevig te hoesten en te kuchen, en het kleine keukentje van zijn boerderij vulde zich met een keelkriebelende rook. Gart had met een paar houtjes geprobeerd, de plekken waar de rook op ongewenste plekken vanuit de kachel in het keukentje kwam, dicht te stoppen. Maar het was een mislukte poging, en in mijn ogen ook een gevaarlijke poging, omdat de in de kachel gedrukte houtjes zouden kunnen gaan branden. Toen ik hierover wat zei, liet Gart, op een opgetrokken wenkbrauw, mij opzij aankijkend weten dat het wel goed ging, en met een blik van ‘bemoei je er niet mee, ik doe dit al tijden zo’. Waarschijnlijk ging het toch niet zo hij het gewild had. Ik bemoeide mij er verder maar niet mee, en dacht ik kan beter m’n kop maar houden. Op het granietenaanrecht stonden een paar omgekeerde borrelglaasjes en lag er wat los geld naast. Ik had even te voren, van de toch wel vriendelijke Gart begrepen, dat mensen, hier uit de omgeving gewoon zijn boerderij konden binnenlopen, ook al was hij niet thuis, zichzelf konden bedienen. In de koelkast stonden een paar drankflessen. De klant kon zelf de borrelglaasjes volgooien en leeg drinken, en daarna onder de kraan schoonspoelen, en weer op zijn kop op het aanrecht terugzetten. Het verschuldigde bedrag werd daarna, in alle eerlijkheid op het aanrecht gelegd, waarna de klant de boerderij weer verliet. Maar de rook begon inmiddels ook in mijn keel te kriebelen, en na Gart gedag te hebben gezegd, ben ik maar naar buiten gegaan en verder gaan fietsen. Gart heb ik verder maar alleen te gelaten in zijn strijd met zijn oude kachel, met de geruststellende gedachte, zoals hij al zelf aangaf, al tijden ervaring mee had. Toch was de inmiddels overleden Gart een mooie kerel die, zo vertelde hij, niet zo nauw naar houdbaarheidsdatums van etenswaren keek, en een aan de buitenzijde wat beschimmeld worstje aan zijn overall broekspijpen afveegde, en gewoon opat. Maar om even weer terug te komen op bijgaande foto van het meisje met haar hond. Tijdens het fotograferen van de boerderij van Gart, raakte ik in gesprek raakte met dit aardige meisje met haar hond, die zij aan het uitlaten was. Zij vroeg vriendelijk wat ik aan het doen was, en of ik Gart had gekend. Als iemand weet wie zij is, kan ik haar de drie, van haar, en haar hond gemaakte foto’s toesturen. Misschien vind zij dat wel leuk. In de jaren 90 heb ik nog eens een tekening van de boerderij van Gart gemaakt. Op de dakpannen van de vol scheuren zittende hooibergschuur groeien prachtige bijna dakpanbreede gele korstmossen. Met vriendelijke groet, Gerrit Marchal. Telefoon: 06 23431253. Emailadres: helenah51@hotmail.com

Tussen 1890 en 1902 werd het herenhuis ‘Beukenburg’ gelegen aan de oostzijde van Groenekan, een flink stuk vergroot, tot een aanzienlijk groot landhuis. Maar jammer genoeg liet in 1925 eigenaar John E.W. Twiss Quarles van Ufford het meer dan veertig kamers tellende landhuis slopen. Volgens moeder zei haar vader, mijn opa, Jan Hendrik Nokkert, dat het vaak in huis koud was, vooral in de winterdagen. Alleen het koetshuis, en vier boerderijen zijn bewaard gebleven en gelukkig niet gesloopt. In het weiland langs de Nieuwe Weteringseweg, en aan het begin in de kromming van de ‘Beukenburgerlaan’ is ook nu nog de voormalige vijver van het landhuis te zien. Op deze vijver schaatste moeder ( Geboren op 13 mei 1921 ) in haar kinderjaren met andere kinderen uit de omgeving. Moeders vader werkte op het landgoed Beukenburg. Op zijn persoonsbewijs, verstrekt in Maartensdijk, op 5 november 1941, staat als beroep: ‘Boscharbeider’. Toen ik jaren geleden tante Dina, moeders oudere zuster had geholpen een formulier in te vullen, wilde zij mij, bij hoog en bij laag iets geven. Ik wilde eigenlijk niets van haar aannemen, ik was al blij met de door haar gemaakte koffie, behalve dan met het dikke vel, maar ach even slikken en weg was hij. Maar tante Dina gaf mij een mapje afkomstig van het oude, in 1925 gesloopte Beukenburg. ‘Als ik er niet meer ben wordt het misschien wel weggegooid, en jij ben toch gek op oude dingen’ zei tante Dina, dankbaar dat ik haar geholpen had. Ik heb het maar aangenomen en bewaar het mooie bruine mapje, met aan de voorzijde een wapen, als een mooie herinnering aan tante Dina, en aan het oude Beukenburg. In het oude huis van tante Dina, boven aan haar steile trap naar de zolder, stond nog een stuk ijzeren hek om het trapgat, wat van het oude Beukenburg afkomstig was. Ik heb er ergens nog een foto van. Wisten jullie dat er een paar mooie tekeningen, uit omstreeks 1858 van Beukenburg en omgeving zijn gemaakt door o.a. J. van Ravenwaay.

Mijn moeders vader, Jan Hendrik Nokkert, geboren op 5 december 1877, werkte vroeger op het landgoed Beukenburg. Vroeger vertelde mijn moeder wel eens wat over Beukenburg, en noemde namen, ja zij klonken mij wel bekend in mijn oren, maar wie het waren, ach het zei mij eigenlijk niet veel, ik had die mensen nooit persoonlijk gekend. Het was allemaal ver voor mijn tijd, voor mijn geboorte in 1952. Maar nu heb ik via mijn nicht Meta Nokkert, een foto uit 1930 gekregen, van het oude Beukenburg. Van links naar rechts: Henk Hogeweg, Ab Nokkert ( opa’s broer ), Willem Klomp Jr., Jonkheer Robbie Quarles van Ufford, de bewoner van Beukenburg, Willem Klomp Sr. , Rijk Oudhof, daar naast een vriend van Robbie, Vervolgens Henk Nokkert met snor, mijn opa, moeders vader, en als laatste geheel rechts, Wout Mastenbroek. Namen genoemd in de loop der afgelopen jaren door moeder, als zij vertelde over het oude Beukenburg, krijgen gezichten en komt voor mij tot leven. Op de andere foto is opa Nokkert, boven op de hooiwagen bij het hooi binnen halen op het landgoed Beukenburg. De hooibouw was vroeger nog een hele gebeurtenis, de drukste periode van het jaar voor een landbouwer en zijn knechten, arbeiders, of werknemers zou men nu zeggen. Zo tegen eind juni ging de landbouwer het hooiland eens goed bekijken, en wilde hij weten of er al gemaaid kon worden, want de hooimaand ( Juli ) kwam eraan. Liefst liet hij het gras maaien als het in bloei stond, zou hij langer wachten dan werd het gras houtachtig, en minder van kwaliteit, want het voedsel, het hooi moet goed zijn voor zijn koeien en ander vee. Het gras werd met de zeis gemaaid. Voor dat er begonnen werd met het maaien werd de zeis ‘gescherpt’. Een soort klein aambeeldje ( Haar, of Haarspit ) werd in het grasland in de grond goed vastgeslagen. Vervolgens werd het ijzeren maaiblad van de zeis, die in een schuin, in het weiland gestoken houten, aan de bovenzijde V vormige stok stond, op de haarspit gelegd en met een maanvormig hamertje ( Haarhamer ) ‘gescherpt’. De snijrand van de zeis weer scherp geslagen, en later met de ‘Strijk’ een langwerpig soort wedsteen verder gescherpt en eventuele bramen ( omgekruld ijzer ) weggeslepen. De zeis was nu gereed om gebruikt te gaan worden om het gras maaien. Het was vroeger een eigenaardig geluid, dat tikken ( Scherpen ) van de zeis door de maaiers in het stille weiland. Het met de hand maaien lijkt makkelijk, maar het valt tegen om de goede ‘Slag’ te pakken te krijgen. Het gemaaide gras liet men zo goed mogelijk drogen, en regelmatig moest het ‘gekeerd’ worden. Het groene gras moest helemaal geel zijn, goed ‘afgestorven’ zijn. Als het hooi goed gedroogd was werd het met de hooihark, of ‘Rijf’ bij elkaar geharkt en op hopen ‘Opper’ verzameld, en later werd het hooi met de hand, met behulp van een ‘Hooivork’ een soort twee- of drietand aan een lange stok op de hooiwagen opgestoken. Degene die op de wagen stond pakte het opgestoken hooi met zijn hooivork over, en verdeelde dit zo goed mogelijk over de steeds hoger wordende hooiwagen. En dit was geen gemakkelijk werk, want hij moest goed uitkijken dat het opgestapelde hooi niet ging schuiven. Als de wagen was volgeladen ging de ‘Voer- of ‘Rijgboom’ ( een houten boomstam ) er overheen, en deze werd zowel aan de voor-als achterzijde van de hooiwagen met touwen stevig aangetrokken. Bij de boerderij aangekomen werd zo snel mogelijk het hooi in de hooiberg, of hooizolder in de boerderij of naastgelegen schuren opgeborgen. Het hooien was een stoffig werk, want veel hooisprieten en stof dwarrelde naar beneden. Over het algemeen werd er in die dagen goed voor het hooien betaald, en dat was een welkome aanvulling voor menig arbeidersgezin. Als het laatste hooi binnen was dan was het feest op het erf van de boerderij. De boerin bakte wafels, waarvan iedereen die meegeholpen had aan de hooibouw kon smullen. De drankfles kwam tevoorschijn en er werd vaak een welverdiende borrel gedronken.

Op bijgaande foto, zo omstreeks 1964 genomen op het wegje voor ons huis ( Sluis Zuid toen nog no: 2 in Wijk bij Duurstede ), staat mijn jongere broer Johan, die toch geheel onverwachts, in mei 2019 is overleden. Achterop het rekje zit mijn jongste broer Jan. Het is een mooi plaatje uit vervlogen tijden. Wat was het toen nog stil op het klinkerwegje met zijn dikke hoge, en altijd ruisende populieren. Ons huis was toen nog gelegen tussen oude hoogstamboomgaarden. Achter de boomgaarden lagen weilanden, en achter de dijk, in mijn kinderogen, de wijds uitgestrekte uiterwaarden van de Bosscherwaarden. In februari 1958 zijn mijn ouders hier komen wonen. Voor die tijd woonden wij op de Hoogstraat no: 95. Op de achtergrond is geheel links de boerderij van toentertijd onze buurman Gooiert Spithoven, die met zijn broer Han ( Hein ? ) woonden. Jammer genoeg heb ik geen foto’s van Gooiert of van Han. Maar voor ik groot genoeg was om zelf een fototoestel te kopen waren beide al overleden. Bijgaande foto is waarschijnlijk door mijn oudere zus Bea gemaakt. Maar goed, Gooiert was in onze ogen gezien een soort ouwe knorrepot met grote oren, die ik weet niet hoeveel eieren at. Achter de boerderij stond een grote schuur waar ongeveer duizend kippen in rondliepen. En eigenlijk als jochie van een jaar of 8 of 10 was ik wel een beetje bang voor hem. Maar Gooiert had ook een broer die wij altijd, ik weet niet beter, Han noemden. Maar Han had ze allemaal niet helemaal op een rijtje. Soms grommend en brommend liep hij wel eens voor ons huis op het wegje met een grote stier aan een halster, een gevlochten touw, te wandelen. Waren wij jochies voor Han al bang, voor zijn enorme stier scheten wij helemaal in onze broeken. Maar ach, toen zo omstreeks 1959 kon dat nog, wandelen met je stier, In geen dagen kwam er soms iemand over het stille wegje voor ons huis. Hoogstens een landbouwer met een klepperend paard en wagen. Vader ging overdag werken, en mijn moeder was hele dagen alleen met de allerkleinsten thuis. De deuren en ramen stonden vroeger gewoon open, iets wat je nu niet meer kan voorstellen. Bijna bij iedereen in de buurt kon je gewoon naar binnen lopen, eigenlijk was nergens een deur op slot. Maar moeder was toch wel bang voor Han, die soms lange tijd voor ons huis op de weg, of dam kon staan, en vaak stond te grommen, en in zichzelf stond te praten, en richting ons huis keek. Moeder vertelde het aan vader, en ja die maakte zich ook wel zorgen. Op een goede dag, waarschijnlijk in het weekeinde, toen Han weer eens op de dam stond te turen, is vader naar hem toegegaan. ‘Weet je dat daar een vrouw woont’ had Han tegen mijn vader gezegd. Pa maakte zich toch wel zorgen, en zij tegen Han’ Han zie je daar dat grote houten hakblok ?. Han knikte mompelend bevestigend. ‘Luister Han als ik nog een keer zie dat jij een voet op onze dam zet, hak ik net als bij de kippen je kop eraf’ Han schrok, Misschien is het hard, maar wat moest vader toen anders. Maar Han heeft nooit meer staan turen naar ons huis, en eveneens nooit meer ook maar een voet op onze dam, die over de sloot die voor ons huis lag gezet. Soms zette Han ook wel eens tijdens zijn wandelingen hekken van weilanden open, en vervolgens liepen de koeien overal in het rond. Gelukkig was er omstreeks 1960 nog niet zoveel verkeer. Maar de desbetreffende boeren baalden flink en moesten hun loslopende koeien maar weer in het weiland zien te krijgen. Toen jaren later Gooiert was overleden, werden mijn ouders als buren ook gewaarschuwd. Moeder bleef bij de kinderen thuis, en vader ging even bij de boerderij van Gooiert, met de naam ‘Elke morgen nieuwe zorgen’ kijken. Zo vertelde vader later, zaten familieleden in de grote voorkamer in een kring bij elkaar. Maar waarschijnlijk vertrouwde niemand elkaar. Als er iemand naar de WC ging, liep iemand anders mee. Een van de boerinnen begon in bijzijn van de gehele groep haar kunstgebit grondig schoon te likken. De grote boerderij is later verkocht aan Geert van Rooijen, die de bijnaam had van de ‘Grote God’. Zijn zoon Adriaan kwam later nog regelmatig bij ons over de vloer, en vader en Adriaan hielpen elkaar wederzijds. Rechts op de foto is nog juist tussen de bomen wat van de oude schuur in Gooierts pruimenboomgaard te zien. Mooie oude boerenwagens stonden in deze vervallen schuur weg te rotten. Als jochie zijnde heb ik regelmatig stiekem, want het mocht echt niet van moeder, overheerlijke pruimen gejat, uit de naast ons huis gelegen boomgaard. Als jochie zijnde kon je met een kleine aanloop zo tegen de iets schuinstaande stammen omhoog lopen en de onderste takken beetpakken. Een mooie jonge kindertijd, met avontuurlijke herinneringen bewaar ik dierbaar de rest van mijn leven.

Vanmorgen ( Donderdag 9 juli 2020 ) zijn mijn nicht Meta en Ruud, haar man bij ons in Almere geweest. Het was harstikke gezellig, met een kopje kofje en een koek. Jammer eigenlijk, dat je elkaar soms jaren niet meer ziet. Meta heeft een aantal oude foto’s van vroeger meengenomen, die ik gedeeltelijk ga scannen, bedankt Meta. Mooie oude foto’s van haar ouders, opa en oma Nokkert, haar broers en andere familieleden van o.a. haar moeders zijde. In overleg met Meta zet ik de komende tijd wat van de gescande foto’s op facebook. Als iemand aanvullingen heeft, hou je niet in, wij zijn erg benieuwd. Niet alle foto’s zijn even duidelijk. Ik heb met scannen mijn best gedaan er iets van te maken, nou ja de scanner dan. Sommige heel kleine foto’s ( zoals de hier geplaatste foto ) was rechts geheel overbelicht, en de onderzijde was een vaag tuinpad wat ik maar heb weggelaten. De hier geplaatste foto is afgaande naar de geschatte ouderdom van de kinderen uit omstreeks 1928. Dus bijna honderd jaar geleden. Van links naar rechts: Jan, Henk, Jo ( Mijn moeder met haar pop ) en Rein Nokkert, drie broers en hun zusje, mijn moeder, voor de oude schuur in de achtertuin bij hun ouders, en vroeger mijn opa en oma Nokkert, Nieuwe Weteringseweg 187 in Maartensdijk. Wat ben ik blij met deze foto. Mijn moeder als klein meisje met haar pop, jammer dat zij het zelf niet meer kan zien, heel jammer, wat zou dat leuk hebben gevonden, het raakt mij om haar zo te zien, ik krijg toch een beetje vochtige ogen. En de oude schuur, prachtig. Eindelijk na al die jaren heb ik er een foto van. Als jochie zijnde van een jaar of vijf, zes of misschien iets ouder, vond ik deze schuur in de grote stille achtertuin, met zijn, aan een zijde vreemd laag dakpannen dak, een spannend iets. Een volwassen iemand moest flink bukken om binnen te komen. Het was stil en donker in deze, in mijn kinderogen grote schuur, met vreemde, door de schots en scheef liggende dakpannen, naar binnenvallende lichtstralen. Volgens mijn oudere nicht Ria van Binsbergen – Nokkert uit Amersfoort, deed opa ‘s avonds zijn geiten in deze schuur, en bewaarde hij hierin ook het voer, hooi en stro, en andere dingen.