Category: Familie Page 1 of 2

Op 8 oktober 2012 was ik met moeder een stukje gaan rijden door o.a. haar geliefde Over- en Nederlangbroek. Wat kon zij genieten van het uitzicht vanuit de auto, als wij door Overlangbroek reden. ‘O kijk eens wat mooi is het kerkje en het schoolmeesterhuis en het kleine schooltje….prachtig… prachtig wat mooi’, zei zij dan meer in zichzelf dan tegen mij, waarschijnlijk in gedachten terugdenkend aan de vervlogen jaren die achter haar lagen. Op die dag heb ik haar ook meegenomen naar de oude buurvrouw van haar ouderlijk huis, mv. De Greef aan de Nieuwe Weteringseweg 177 in Maartensdijk. ‘Kom ma dan gaan wij even bij mv. De Greef kijken, u heeft het altijd over haar’. ‘Zo ver ?’ zei zij met een verschrikte klank in haar stem. Via binnendoor wegjes, door Nederlangbroek, Driebergen etc. reden wij naar mv. de Greef die alleen op een grote boerderij woont in moeders geboortedorp Maartensdijk. Mv. De Greef was verrast en blij dat ik moeder had meegenomen. De waterketel stond op de houtkachel, en toen moeder ging zitten sprong een poes vanaf de stoel op tafel en ging aandacht vragend, haar staart voor haar poten tegenover moeder zitten. “Willie jullie koffie ?’ vroeg mv. De Greef ‘Ik vind dat nou eens harstikke leuk dat jullie eens langs komme, ach mins ik zit zo vaak alleen te koekeloeren hier in huis, ik zie bijna nooit iemand’ zei zij. Er werd gesproken over dingen van vroeger, de koeien, ganzen en Bart en Kees de paarden. Een vos had afgelopen nacht weer twee ganzen hun nek doorgebeten. ‘Rotzakken zijn het, viezerikken’ zei mv. de Greef terwijl zij boven de aanrecht met de pruttelend koffiepot bezig was. ‘Ja Gerrit mijn man, toen hij nog leefde sliep ‘s nachts tussen de schapen in de schuur tegen de tijd dat ze moesten lammeren, dan kon tie horen of er iets an de hand was’. Mooie oude verhalen werden opgehaald, over Moeder ouders en haar zus tante Dina die een paar honderd meter verderop woonde. Over de kippen die nu steeds minder eieren gingen leggen. ‘Neem zo maar wat eieren mee, ik heb er zat’ zegt mv. De Greef tegen moeder. Na een uurtje gezellig babbelen en een paar kopjes koffie verlaten moeder en ik de oude boerderij. Op weg naar haar huis zit moeder met een grote glimlach op haar mond in de auto. Zij is blij dat zij haar oude buurvrouw na zoveel jaren weer eens heeft gezien en gesproken. Het was een mooie middag geweest.

Duiker bij de Genie. ( Deel 2 ) Diep duiken en Hyperventilatie. Op een goede dag zouden wij duikers van de Genie dieper gaan duiken. Wij hadden onze opleiding grotendeels volbracht, in het grote aquarium op het Genieterrein, in de haven langs de Maas bij Crevcour. Over de Maasboden tegen de waterstroom opkruipend en je op de plaats houdend door met je groot duikermes en handen om beurten in de zanderige Maasbodem te steken, om meesleuren met de stroom te voorkomen, was spannend maar goed gegaan. Wij hadden in een langs de Maas, nabij Kerkdriel gelegen zandafgravingen gedoken, tot een diepte van 8 of 10 meter. Wij vaarden met de ‘Kempenaar’ ons duikersschip van de Genie over de rivieren en kanalen naar het ‘Nieuwe meer’ in Amsterdam, om een aantal dagen daar in dieper water gaan duiken. De decompressietank voor het geval een duiker van grote diepte plotseling naar boven gehaald moest worden was in gereedheid gebracht. In mijn 83 kilo zware duikerspak liep ik de eerste duikdag, in de gaten gehouden, en zijdelings ondersteund door mijn duikermaten naar het metalen afdaaltrap. Onderaan deze trap aangekomen hield de duikerhelper, staand in het gangboord de lijnen, de luchttoevoer en seinlijn van het duikerspak strak en trokken je langs de zijkant van het schip naar het afdaaltouw. Dit afdaaltouw zat stevig aan een bolder op het schip vastgebonden met o.a. een mastworp en nog een verzegelde knoop. Onder aan het afdaaltouw is een afdaalgewicht van een goede 25 kilo gebonden en ligt op de bodem van, in dit geval het meer. Langzaam liet ik mij langs het afdaaltouw naar beneden zakken. De lichtgele omgeving ging geleidelijk maar vrij snel over in een steeds donkerder wordend geel om vervolgens in een blijvende totale duisternis over te gaan. Aardedonker was het om mij heen, mijn luchtbellenstroom ging constant borrelend richting de oppervlakte. Langzaam zakte ik verder naar beneden in een totale duisternis. De geleidelijk toenemende waterdruk voelde ik drukken tegen mijn gehele lichaam, behalve mijn bovenlichaam waarin ik de hoeveelheid lucht nauwkeurig in de gaten hield…niet te veel maar ook niet te weinig. Met door in mijn duikershelm aanwezige klep, die ik met mijn hoofd zijdelings kon indrukken kon ik de hoeveelheid lucht in mijn duikerspak regelen. Plots blijf ik hangen en liet de duikerhelper mij vanaf het dek niet verder meer zakken. Op 10 meter diepte zat ik dus. Mijn eerste stop waar ik een minuut of vijf op deze diepte moest verblijven om mijn lichaam en al mijn lichaamsholten aan de omgevingsdruk te laten wennen. Daar hing ik dan, mij met mijn handen aan het afdaaltouw vasthoudend. Via mijn manchetten voel ik water langzaam in piepkleine stroompjes naar binnen sijpelen, maar dat kon geen kwaad. Na enige minuten voel dat ik, na een kort rukje via de seinlijn dat ik weer langzaam verder naar beneden zakte, traag het touw in de holte van mijn vingers als een soort geleider gebruikend. Langzaam zakte ik verder naar beneden. ‘Hoe diep zou het hier zijn ? zouden er grote vissen in het meer zitten ? Geen idee had ik van beiden. De druk van het water nam langzaam toe, dikke duikerspakplooien drukten tegen mijn benen en armen. Plots blijf ik weer hangen, en moet mijn 2e stop maken. 20 meter diep was ik nu. Het water om mij heen was kil en de waterdruk werd steeds hoger. Mijn luchtbel rondom mijn bovenlichaam hield ik steeds zorgvuldig ook tijdens het afdalen in de gaten. Regelmatig tijdens het afdalen ‘Klaar’ ik mijn oren zodat de druk in mijn hoofdholten dezelfde blijven als mijn omgevingsdruk in het meer, dit om pijnlijke of gescheurde trommelvliezen te voorkomen. Ook mijn bloed met daarin kleine gasbelletjes moeten tijdens deze nodige ‘stops’ zich reguleren. Toch weer onverwachts, na het bekende rukje van de duikerhelper op het dek, zakte ik verder naar beneden ‘Hoever zal het nog naar de bodem zijn ?’ Al weet ik dat ik de bodem van het meer ieder ogenblik kon voelen, kwam ik toch onverwacht het moment van aanraking. Een vreemd en wat spannend moment te beseffen dat je op de bodem meer staat met het duikersschip ver boven je. Met mijn ene duikerschoen bleef ik wat schuin staan op het in de modder weggezakt afdaalgewicht en mijn ander been voelde ik alleen maar zachte bodenmodder. Ik gaf een ruk aan de seinlijn naar de verre oppervlakte die direct met een gelijksoortige ruk beantwoord word. De duikerhelper aan dek, 27 meter boven mij, zo hoorde ik later van hem weet dat ik op de bodem ben aangekomen. Ik kreeg nu een goede vijf minuten om te acclimatiseren en alles in orde te brengen, om o.a. mijn looplijn op te zoeken die eveneens aan een ring aan het afdaalgewicht is vastgebonden. Na een paar minuten trok ik mij met mijn handen langs het afdaaltouw tot het afdaalgewicht naar beneden om de looplijn te pakken. Goed bukken en hurken in een duikerspak op deze diepte is bijna onmogelijk. Maar ik kreeg de looplijn te pakken. Deze looplijn is een ongeveer 8 of 10 meter lang touw waarmee je als enige oriëntatie en houvast over de bodem kon lopen wilde je ooit weer in volkomen duisternis bij je afdaalgewicht terug willen komen. De waterdruk drukt in het begin onwennig op mijn benen en armen en op een onprettige manier in mijn kruis. Maar mijn jongeheer was waarschijnlijk door het koude water rondom mij gekrompen tot een harmonicamodel, misschien wel Guinness book of Records waardig, zo klein was het mormeltje geworden denk ik te voelen. Maar goed hij zal boven water gekomen wel weer de normale vorm aannemen hoop ik. Nog steeds sijpelde water via mijn manchetten mijn mouwen in. Een kil waterstroompje die gelukkig door mijn lichaamswarmte in het duikerspak weer snel op temperatuur kwam. Ik kreeg van boven het sein, een ruk en nog een ruk, om naar achteren te lopen. Met mijn voeten, en door het duikerspak en hoge waterdruk rondom beknelde benen probeerde ik zo goed mogelijk op naar voren te lopen. Maar iedere keer zakten ze weg in de decimeters dikke modderlaag. Maar ik vorderde, traag maar gestaag. Plots ondanks de waterdruk kreeg ik het gevoel dat mijn rechterbeen door iets omklemd werd. Ik zat muurvast ! Even sloeg de schrik om mijn hart. Rustig blijven…. nadenken… wat moet ik doen ? Een paar extra zweetdruppels gleden langs mijn gezicht naar beneden en prikkelen in mijn ogen. Wrijven kon natuurlijk niet, dan maar een paar keer goed je ogen dicht en open knijpen. Mijn hart bonkte in mijn borstkas. Zo goed mogelijk probeerde ik te bukken en te voelen wat de oorzaak was. Een gedeelte van het 10 meter lange looplijn bleek vast aan mijn been te zitten. Langzaam ging ik de paar afgelegde meter terug naar mijn afdaalgewicht. Door mij iets langs het afdaaltouw naar boven op te trekken schudde ik in het duister het touw van mijn rechterbeen, en rolde ik het, weer op de bodem aangekomen de hele looplijn zo goed mogelijk op, mijn afdaaltouw aan de binnenzijde van mijn ene ellenboog omvattend. Poe dat was een opluchting. Vastzitten op zo’n diepte is geen pretje. Eigenlijk had ik achteraf bekeken voor ik ging lopen beter eerst de gehele looplijn naar mij toe kunnen halen en niet voor een groot gedeelte. Maar goed daar zijn deze oefeningen voor, en aldoende leert men. Niet in paniek raken, nadenken, een oplossing bedenken is het eerste wat een duiker moet doen als er iets onverwachts gebeurt. Uiteindelijk was ik eerst door de modder, maar wat verderop was de bodem gelukkig wat steviger tot aan het einde van mijn looplijn gelopen. Wel lag op de bodem veel brokken steen met uitstekende ijzeren staven op de bodem. Gestort bouwafval hoorde ik later die dag. Aan het einde van mijn looplijn bij de dikke knoop begon ik in een cirkelwandeling over de bodem te lopen. Tot ik na enige tijd merk dat mijn looplijn en cirkel veel korter was geworden. In het duister volgde ik de looplijn terug. Achter een hoog dik stuk betonijzer van het hier waarschijnlijk gestort bouwafval is mijn looplijn blijven hangen. Poe ..was even schrikken en nu ik voel wat de oorzaak was een opluchting voor mij. Op de tast mijn looplijn volgend kwam ik uiteindelijk weer bij mijn afdaal gewicht terug. Idee van van tijd heb je in het volslagen duister niet meer. Ben ik op een onbekende planeet ? vroeg ik mij wel eens af. Zou een ruimtereiziger zich ook zo voelen ?, Op deze diepte in volledige duisternis waarin ik alleen mijn eigen ademhaling hoor, en een constant borrelende luchtbellenstroom naar de verre oppervlakte schoot dat wel eens door mij heen. Bij mijn afdaal gewicht aangekomen gaf ik een stevige ruk aan mijn seinlijn die direct weer door de duikerhelper beantwoord werd. Hij weet dat ik bij mijn afdaalgewicht terug ben. Vrij snel daarna kreeg ik weer via de seinlijn het sein op langzaam met behulp van de duikerhelper naar boven te stijgen. Deze duikerhelpers, onze maten zijn heel belangrijk en staan zolang jij onder water ben, zomer en winter, in weer en geen weer, in het gangboord jouw lucht- en seinlijnen goed in de gaten houdend. Ik moest en kon voor 100% op deze jongens vertrouwen, en dat deed ik ook, en in geval van nood trokken ze je snel mogelijk naar de oppervlakte. Langzaam hand overhand mij zelf naar boven trekkend, maar meer getrokken door de duikerhelper steeg ik naar de ver boven mij zijnde oppervlakte. Onverwachts blijf ik hangen. Mijn eerste stop, die was heel belangrijk om de gevreesde caissonziekte te voorkomen. Daar hing ik zwevend tussen de bodem van het meer en het ver boven mij drijvend schip. Wederom, maar eigenlijk constant hield ik goed mijn luchtbel in mijn duikerpak in de gaten. Het moest niet gebeuren, zoals ik had gehoord van de oude duikershelpers van lichtingen voor mij dat zoals bij één van de kaderleden, en dat zijn toch echt ervaren duikjongens die tijdens een duikoefening in Zeeland op een diepte van een dikke 20 meter zijn lucht in zijn duikerspak net even niet goed geregeld had hij als een raket naar boven kwam stijgen, en zoals de duikershelpers zeiden de duiker als een walvis boven de oppervlakte stuiterde. Met spoed was deze duiker toen in de altijd klaar staande decompressie tankt gelegd met gescheurde bloedende trommelvliezen tot gevolg. Het met gehaaste spoed plaatsen van een te snel opgestegen duiker in de decompressietank moet voorkomen dat een duiker last krijgt van de gevreesde caissonziekte waardoor door plotselinge drukverschillen in het bloed ontstane luchtbellen een blijvende schade achterlaten in het lichaam waar je de rest van je leven last van kunt hebben. Met een zachte ruk wordt ik uit mijn gedachten gewekt en steeg ik traag naar boven tot de 10 meter hoger stop, waar ik eveneens een goede vijf minuten bleef zweven. De waterdruk is geleidelijk afgenomen. Uiteindelijk na het opstijgen na de 2e stop wordt het water donkergeel overgaand in een steeds lichter geel en komt mijn duikershelm boven de klotsende waterspiegel. Ik had het beneden op de bodem koud gekregen en kan amper mijn vingers en benen nog bewegen. De overgang vanuit het water de trap op met een 83 kilo zwaar standaardduikerspak is en blijft even wennen. Geholpen en ondersteund door duikerhelpers nam ik plaats op een stevig houten bankje waarna de seinlijn en dikke luchtslang worden ontkoppeld, en vervolgens voorzichtig de metalen duikershel van je hoofd word gedraaid. Heerlijk fris was de buitenlucht. Ik was trots op mijzelf dat mijn diepe duik gelukt is. Meer dan een uur was ik onder water geweest. maar nogmaals beneden op de bodem van het Nieuwe Meer in volkomen duisternis ben je het tijdsbesef zo kwijt. Ik denk dat ik zo maar stop met mijn verhaal er is nog zoveel meer te vertellen. Maar het zo wel genoeg. Nou ja…O ja hoe kan ik het vergeten de laatste gebeurtenis dan. Aan ons duikers werd via het kader gevraagd of wij aan een oudheidkundig onderzoek mee wilden doen door in de kasteelgracht van kasteel Helmond op zoek te gaan, naar in de loop der tijd in het water gevallen voorwerpen. Zo wist men ons te vertellen dat door een blikseminslag vroeger een gedeelte van een torenspits in de gracht was gevallen. In de kasteeltuin nabij de gracht werden wij duikers aangekleed, en om beurten zouden wij vanuit en houten boot van de jongens van de vaartuigendienst te water gaan. Langer dan verwacht moest ik in mijn duikerspak in de boot zitten tot het mijn beurt was om onder water te gaan. Hoe lang precies dat weet ik niet. 20 minuten of misschien nog langer zat ik afwachtend in de boot. Ik begon het de warme septemberzon in mijn duikerspak steeds warmer te krijgen en licht te transpireren. Maar uiteindelijk was het mijn beurt om uit de boot te stappen en in de gracht naar de bodem af te zakken en op zoek te gaan naar voorwerpen van welke aard dan ook. Onder water gekomen in de paar meter diepe modderige gracht van kasteel Helmond ga ik reeds half bevangen door de warmte van het lange zitten in de boot en het lastige adembenemend overboord klimmen vanuit de houten boot, op de bodem aangekomen steeds sneller ademen, steeds dikkere zweetdruppels parelen van mijn gezicht en lippen die het vochtige mondstuk vasthouden. Gejaagd steeds sneller gaat het ademen. Mijn longen gaan gejaagd in mijn steeds heftiger op en neer gaande borstkas. ‘Hyperventilatie’ !! vlamt door mijn gejaagde hersenen! Een verlammende angst schiet door mij heen. Mijn hart bonkt als een bezetene. Het liefst zou ik het mondstuk uit willen doen en mijn duikerspak van mijn hoofd willen rukken. Ik wil naar boven naar de oppervlakte frisse lucht inademen…lucht…lucht.. verse lucht wil ik in ademen ..niets en niets om mijn hoofd. Het strakke door angstzweet vochtige rubberen duikerspak knelt vochtig tegen mijn bezweet hoofd. ‘Denken !!!…goed nadenken…nadenken !!!. Blijf rustig. rustig…rustig !! gaat gejaagd door mijn paniekerige hersenen. Wat moet je doen…wat moet je doen bij hyperventilatie ? Mijn adem, hart en borstkas gaan steeds gejaagder. Ik trek aan de uitpuilende pooien die bij mijn borstkas tegen mijn lichaam drukkend duikerspak. Adem in houden…adem inhouden…. inhouden…schiet door mijn hoofd. doe je mond dicht …en pers je lippen op elkaar, ook al lijken je hersenen te barsten en je longen om zuurstof te schreeuwen.. Adem inhouden, kom op, je kunt het…je kunt het…je moet !! Iets anders kun ik niets doen schiet door mij heen. Het angstzweet stroomt in straaltjes aan de binnenkant van mijn strak tegen mijn hoofd klemmend rubberduikerspak naar beneden mijn kraag in. Ik hou met op elkaar geperste lippen mijn adem in ondanks dat mijn longen om zuurstof lijken te schreeuwen. Mijn vochtige tranende ogen lijken door de spanning uit hun kassen te worden geperst. Mijn hart bonkt als een bezetene in mijn borstkas. Het lukt ..ik hou mij adem zo lang mogelijk vast…. hou vast.. hou vast ..nog even !! Dan even tussendoor een flinke diepe ademhaling, en mond weer dicht, stijf dicht houden.. hou vast…hou vast, je kan het !! Na een paar minuten voel ik dat het beter gaat en een vlaag van Hemelse dankbaarheid naar boven schiet door mij hoofd. Mijn ademhaling is nog wel onrustig maar onder controle. Zeiknat is mijn haar en wollen duikerspak rondom mijn kraag. Ik ben opgelucht en intens dankbaar dat ik op een gegeven moment weer normaal kan adem halen. Uiteindelijk hebben mijn duikersmaten en ik die middag toch nog wat leuke dingen gevonden, zoals borden, bestek en het gedeelte van de ooit naar beneden gestorte torenspits. Zo hier laat ik het maar bij. De laatste twee maanden van je dienstplicht had je de bijnaam ‘Ouwe stomp’. En het moment van ‘afzwaaien’ is toch wel een vreemd iets, en tevens een uiteen gaan van je maten. Aan het einde van mijn diensttijd en duikersopleiding kregen wij duikers een certificaat, een diploma dat wij onze opleiding als duiker goed hadden volbracht. Als je belangstelling had kon je direct na het vervullen van je dienstplicht bij een bergingsbedrijf gaan werken, deze wilden je maar wat graag in dienst nemen, zoals toentertijd bij Smit-Tak of Wijsmuller, zoals mijn maat Gijs heeft gedaan. De Nederlandse duikers waren en zijn de beste van de wereld omdat zij hun opleiding bijna altijd in een volledige duisternis hebben gehad, en bij duikwerkzaamheden in het buitenland veel vaker hun werk in een zichtbare onderwateromgeving kunnen doen. Ikzelf ben weer na mijn diensttijd bij mijn oude werkgever Ingenieursbureau Van Steenis in Utrecht gaan werken en mijn werkzaamheden als Kartografisch tekenaar vervolgd, en een aantal Kartografische aanvullende cursussen gaan doen. Maar sommige duikmaten bleven duiker. Gijs werkte in het Midden – Oosten bij het aanleggen van havens. Eén duiker ging werken bij de sluizen in IJmuiden waar hij dagelijks de 15 meter diepe sluizen en o.a. enorme sluisdeuren ed. controleerde en inspecteerde. Een andere dienstmaat ging op een booreiland op de Noordzee werken, waar hij bijna dagelijks de enorme poten waarop het booreiland ruste tot een diepte van 60 meter inspecteerde en o.a. aangroeisel zo goed mogelijk verwijderde. Als je een goede duiker was moest je er voor zorgen dat je financieel met je 40e of 45e binnen was. Daarna werd het werk lichamelijk te zwaar. Het lijkt allemaal mooi en spannend en uitdagend en veel poen is er te verdienen. Maar vele voor mij onbekende duikersjongens zo las ik in de duikerslectuur zijn in de loop der jaren verdronken. Ik ben Kartograaf gebleven om mooie landkaarten te vervaardigen. Dit werk en landkaarten hadden mij altijd al aangetrokken. Bovendien wilde ik mijn karatetraining waarmee in in 1971 in Wijk bij Duurstede bij Wijnand van den Broek was begonnen tot de zwarte band afmaken. Uiteindelijk ben ik eind 2007 na ongeveer 35 jaar gestopt met karate. Maar aan mijn duikersperiode en maten bij de Genie heb ik mooie, spannende en dierbare herinneringen. Bedankt jongens, bedankt maten. m.v.g. Gerrit Marchal. Zie voor aanvullende foto’s Facebook onder : Lenie Gerrit Marchal

Beste mensen, op Facebook staan een aantal hier geplaatste verhalen maar dan met vele bij het verhaal aansluitende foto’s. Zie onder: Lenie Gerrit Marchal. Veel lees- en kijkplezier. m.v.g. Gerrit Marchal.

Deze foto is gemaakt omstreeks 1964. Vader en ik kijken planten in vaders tuin naast het huis ( Sluis Zuid 2 in Wijk bij Duurstede ). Moeders waslijnen waren twee kromme ijzeren draden gespannen tussen twee ijzeren palen. Eentje is nog net rechts op de foto te zien. Rechts op de voorgrond is nog een stuk van vaders broeibak te zien, en geheel rechts nog een stukje van een van de glazen broeikasramen. In de broeikas kweekte vader in het vroege voorjaar o.a. slaplantjes. Soms als het te warm werd in de broeibak deed vader een steen onder een van de ramen. Het gebeurde dan regelmatig dat onze poes, dan heerlijk opgerold lag te zonnen tussen de jonge plantjes. Op de achtergrond is een gedeelte van de vele tientallen bessenstruiken te zien die toen nog naast en achter het huis stonden. Het merendeel waren het rode bessen, kruisbessen, en een paar zwarte bessenstruiken. De rode- en de kruisbessen vond ik wel lekker, maar de zwarte wat minder. Regelmatig als wij trek hadden zaten wij verborgen, gehurkt tussen de bessenstruiken ons half vol te eten, maar vader vond dat niet erg. Geheel op de achtergrond was toen nog een oude hoogstamboomgaard met aan de slootkant hoge dichte struiken. Een paar keer heb ik toen daarin Ransuilen gezien, wel drie of vier tegelijk. Doodstil zaten zij, half verborgen tussen de takken van de grote struik, maar je met hun vastzittende grote ogen, en draaiende koppen je nauwlettend volgend. Rond schemertijd vlogen zij geluidloos laag over de boomgaardbodem op zoek naar voedsel, zoals muizen enz. Als jochie zijnde heb ik het altijd een beetje een spannende, donkere en stille boomgaard gevonden, en schrok je best wel, als in de schemering een Ransuil, vlak naast je plots langs je vloog. Bij het ijzeren hek bij de ingang van deze boomgaard, bij de lange meidoornhaag, stond een wilde kers, die in het voorjaar wonderschoon in bloei stond. Achter deze boomgaard waren de weidse weilanden met zijn rijk dieren- en plantenleven, en met in de meimaand vele kwakkende kikkers. Soms. Nee vaak als ik hier kom, mis ik wel het toen zo rijke vogelleven, de vele Grutto’s, Kieviten, Tureluurs, en hoogvliegende en zingende leeuweriken. Wat was het altijd leuk, als jonge jongen zijnde, om deze steil omhoogvliegende vogeltjes zo ver mogelijk in de blauwe lucht proberen te volgen, totdat zij plots waren verdwenen in het hemelblauw. Van de heldere bloemrijke sloten, met hun stille over het water gebogen oude holle knotwilgen is veel verdwenen of een stuk minder mooi geworden. Hoe mooi was het niet als de wind met de langwerpige wilgenbladeren speelde. Ik ben blij dat ik nog wat foto’s heb uit deze tijd. Hannes de Jongh met de bijnaam ‘De Kapaje’, en broer van Jan de Jongh, de schoenmaker uit de Peperstraat in Wijk heeft eens de boomgaard naast ons huis gepacht. Een goedlachse vriendelijke in zichzelf mompelende, en een wat loens kijkende man, die pruimde en soms geelbruine sapstralen tussen zijn tandenspleet, met een gedraaid hoofd van zich af spoot.

Bij ons thuis hadden wij vroeger bijna altijd een hond, soms twee. Zoals ook de kleine Kobus, die op een goede dag gewoon kwam aanlopen en bij ons thuis is gebleven. Waarschijnlijk was hij van, bij de sluizen aangemeerde schepen afkomstig. Op bijgaande foto, uit omstreeks 1978, zijn moeder en mijn jongste broer Jan achter ons huis, onze Snuffel, een heel lieve hond aan het wassen. Als wij als jongens, en ook jaren later gingen wandelen en struinen in de achter ons huis gelegen weilanden en uiterwaarden, ging de hond altijd mee. Wel letten wij er altijd goed op dat zij niet achter de koeien en schapen gingen rennen. Maar op een goede dag was onze Snuffel alleen op pad gegaan, en bij thuiskomst stonk zij vreselijk. Waarschijnlijk had zij op in het weiland op een dode mol liggen rollen. Aangezien onze Snuf gewoon in huis zijn plekje had, bv naast de oude houtkachel, was het dit keer echt niet te harden. Zij stonk vreselijk. Moeder begon te gillen ‘Snuf wat stink je vreselijk, m’n huis uit’ Met zijn kop naar beneden, een schuldige blik in haar trouwe hondenogen, en staart tussen haar poten droop snuf af en ging via de houten hordeur naar buien. En echt, op Snuf haar rug stonden haar donkere haren, gedeeltelijk vies plakkerig omhoog, en er kwam een vreselijke gore stank vanaf. De teil werd gepakt, en de onwillige Snuffel kreeg met Dreft een grondige schoonmaakbeurt. Niet alle stank was verdwenen, maar het was te doen. Nadat onze hond weer een beetje was opgedroogd, mocht zij weer in huis komen, draaide een paar keer rond en ging vervolgens met d’r kop op haar poten lekker slapen, bijkomend van haar mollenavontuur en wasbeurt

Mijn moeders vijf jaar oudere zus, tante Dina Nokkert was een prachtig mens, die in Maartensdijk woonde ( Nieuwe Weteringseweg 187 ) en van alles verzamelde. Kasten vol kleding, gehaakte kleedjes, bakken vol zeepjes, een sigarendoos met mooi kleurrijk borduurdraad van voor de 2e wereldoorlog, etc. Ik ging altijd tijdens een van mijn fietstochten even een kopje koffie ( met vel ) bij haar drinken. Als zij toevallig geen melk in huis had liep zij even naar de overbuurman Dirk Boogaard om daar een kannetje melk te halen. Tijdens een van die bezoeken zei zij tegen mij ‘Loop is effe mee jochie ik heb in de schuur nog een heleboel mooie jassen, er zit er vast en zeker wel eentje voor je bij’. ‘Oohhh wacht even dan ik doe nog even een vest aan’ zei zij. En voor zij naar buiten liep bevestigde zij haar huissleutel met een grote veiligheidsspeld op borsthoogte aan haar jurk. ‘Ik raak mijn sleutel wel eens kwijt he, ik weet dan niet meer waar ik hem gelegd, nou kom maar met mij mee’. Ik achter haar aan, zij liep gebogen, in haar uit de zak van Max gehaalde kleurrijke gympies, met haar door ouderdom krom getrokken benen, en ondersteund door de wandelstok van haar overleden man Henk Wouters. In het volgepakte schuurtje opende zij een van de kasten, waarin o.a. geheel zwarte, en zwart/ witte met grijs geblokte damesjassen hingen. ‘Na even snuffelen, binnensmonds gepiep, gemompel, en schuiven tussen de jassen pakte zij er eentje en zei ‘Ik denk dat deze je wel past’. Al voor dat ik het kledingstuk had aangetrokken zag ik al dat het zeker niet mijn maat was. Maar goed ik wilde haar niet teleurstellen. Maar mijn onderarmen bleven halverwege de veel te strakke mouwen steken. Van achter haar vettige oude brillenglazen keek tante Dina mij schuin omhoog kijkend aan, en zei met haar wat hoge stem ‘Oohhh hij past echt niet he, jammer het zijn nog zulke mooie jassen’. In stilte was ik blij dat het fossiele kledingstuk niet mijn maat was. Een van de mooiste verhalen vertelde mijn overleden lieve tante Wil. Tante Dina moest op een gegeven dag naar het ziekenhuis voor onderzoek. In de kleine ruimte van de steile zoldertrap haalde zij vier paar nylonkousen te voorschijn uit een verzameling van tientallen, zo niet meer, andere gelijksoortige kousen die aan een oude kapstok hingen. De meeste waren kapot of met ladders, of van twee was weer een goed paar gemaakt, etc. Zittend op haar stoel begon zij vier kapotte nylonkousen over elkaar aan te trekken, vervolgens een beetje te draaien en trekken, Vervolgens gaf zij aan klaar te zijn voor het ziekenhuisonderzoek. Vol verbazing zag tante Wil het aan en zei ‘Maar Dien zo kan je toch niet voor onderzoek naar het ziekenhuis, met vier paar kousen over elkaar’. ‘Oooh, ach dat zien zij toch niet in het ziekenhuis, je ziet toch zo geen gaten en ladders of zo’ zei tante Dina verbaasd. Maar tante Wil liet haar weten zo niet met haar weg te gaan. Alle vier de kousen werden weer uitgetrokken en een goed stel aan gedaan. Tante Wil en ome Gerard Nokkert hebben de laatste jaren van haar leven bewonderingswaardig veel voor tante Dina gedaan. De foto heb ik genomen op 28 Mei 2004, en is een van de weinige foto’s die ik heb van tante Dina in haar schuurtje.

Tussen 1890 en 1902 werd het herenhuis ‘Beukenburg’ gelegen aan de oostzijde van Groenekan, een flink stuk vergroot, tot een aanzienlijk groot landhuis. Maar jammer genoeg liet in 1925 eigenaar John E.W. Twiss Quarles van Ufford het meer dan veertig kamers tellende landhuis slopen. Volgens moeder zei haar vader, mijn opa, Jan Hendrik Nokkert, dat het vaak in huis koud was, vooral in de winterdagen. Alleen het koetshuis, en vier boerderijen zijn bewaard gebleven en gelukkig niet gesloopt. In het weiland langs de Nieuwe Weteringseweg, en aan het begin in de kromming van de ‘Beukenburgerlaan’ is ook nu nog de voormalige vijver van het landhuis te zien. Op deze vijver schaatste moeder ( Geboren op 13 mei 1921 ) in haar kinderjaren met andere kinderen uit de omgeving. Moeders vader werkte op het landgoed Beukenburg. Op zijn persoonsbewijs, verstrekt in Maartensdijk, op 5 november 1941, staat als beroep: ‘Boscharbeider’. Toen ik jaren geleden tante Dina, moeders oudere zuster had geholpen een formulier in te vullen, wilde zij mij, bij hoog en bij laag iets geven. Ik wilde eigenlijk niets van haar aannemen, ik was al blij met de door haar gemaakte koffie, behalve dan met het dikke vel, maar ach even slikken en weg was hij. Maar tante Dina gaf mij een mapje afkomstig van het oude, in 1925 gesloopte Beukenburg. ‘Als ik er niet meer ben wordt het misschien wel weggegooid, en jij ben toch gek op oude dingen’ zei tante Dina, dankbaar dat ik haar geholpen had. Ik heb het maar aangenomen en bewaar het mooie bruine mapje, met aan de voorzijde een wapen, als een mooie herinnering aan tante Dina, en aan het oude Beukenburg. In het oude huis van tante Dina, boven aan haar steile trap naar de zolder, stond nog een stuk ijzeren hek om het trapgat, wat van het oude Beukenburg afkomstig was. Ik heb er ergens nog een foto van. Wisten jullie dat er een paar mooie tekeningen, uit omstreeks 1858 van Beukenburg en omgeving zijn gemaakt door o.a. J. van Ravenwaay.

Mijn moeders vader, Jan Hendrik Nokkert, geboren op 5 december 1877, werkte vroeger op het landgoed Beukenburg. Vroeger vertelde mijn moeder wel eens wat over Beukenburg, en noemde namen, ja zij klonken mij wel bekend in mijn oren, maar wie het waren, ach het zei mij eigenlijk niet veel, ik had die mensen nooit persoonlijk gekend. Het was allemaal ver voor mijn tijd, voor mijn geboorte in 1952. Maar nu heb ik via mijn nicht Meta Nokkert, een foto uit 1930 gekregen, van het oude Beukenburg. Van links naar rechts: Henk Hogeweg, Ab Nokkert ( opa’s broer ), Willem Klomp Jr., Jonkheer Robbie Quarles van Ufford, de bewoner van Beukenburg, Willem Klomp Sr. , Rijk Oudhof, daar naast een vriend van Robbie, Vervolgens Henk Nokkert met snor, mijn opa, moeders vader, en als laatste geheel rechts, Wout Mastenbroek. Namen genoemd in de loop der afgelopen jaren door moeder, als zij vertelde over het oude Beukenburg, krijgen gezichten en komt voor mij tot leven. Op de andere foto is opa Nokkert, boven op de hooiwagen bij het hooi binnen halen op het landgoed Beukenburg. De hooibouw was vroeger nog een hele gebeurtenis, de drukste periode van het jaar voor een landbouwer en zijn knechten, arbeiders, of werknemers zou men nu zeggen. Zo tegen eind juni ging de landbouwer het hooiland eens goed bekijken, en wilde hij weten of er al gemaaid kon worden, want de hooimaand ( Juli ) kwam eraan. Liefst liet hij het gras maaien als het in bloei stond, zou hij langer wachten dan werd het gras houtachtig, en minder van kwaliteit, want het voedsel, het hooi moet goed zijn voor zijn koeien en ander vee. Het gras werd met de zeis gemaaid. Voor dat er begonnen werd met het maaien werd de zeis ‘gescherpt’. Een soort klein aambeeldje ( Haar, of Haarspit ) werd in het grasland in de grond goed vastgeslagen. Vervolgens werd het ijzeren maaiblad van de zeis, die in een schuin, in het weiland gestoken houten, aan de bovenzijde V vormige stok stond, op de haarspit gelegd en met een maanvormig hamertje ( Haarhamer ) ‘gescherpt’. De snijrand van de zeis weer scherp geslagen, en later met de ‘Strijk’ een langwerpig soort wedsteen verder gescherpt en eventuele bramen ( omgekruld ijzer ) weggeslepen. De zeis was nu gereed om gebruikt te gaan worden om het gras maaien. Het was vroeger een eigenaardig geluid, dat tikken ( Scherpen ) van de zeis door de maaiers in het stille weiland. Het met de hand maaien lijkt makkelijk, maar het valt tegen om de goede ‘Slag’ te pakken te krijgen. Het gemaaide gras liet men zo goed mogelijk drogen, en regelmatig moest het ‘gekeerd’ worden. Het groene gras moest helemaal geel zijn, goed ‘afgestorven’ zijn. Als het hooi goed gedroogd was werd het met de hooihark, of ‘Rijf’ bij elkaar geharkt en op hopen ‘Opper’ verzameld, en later werd het hooi met de hand, met behulp van een ‘Hooivork’ een soort twee- of drietand aan een lange stok op de hooiwagen opgestoken. Degene die op de wagen stond pakte het opgestoken hooi met zijn hooivork over, en verdeelde dit zo goed mogelijk over de steeds hoger wordende hooiwagen. En dit was geen gemakkelijk werk, want hij moest goed uitkijken dat het opgestapelde hooi niet ging schuiven. Als de wagen was volgeladen ging de ‘Voer- of ‘Rijgboom’ ( een houten boomstam ) er overheen, en deze werd zowel aan de voor-als achterzijde van de hooiwagen met touwen stevig aangetrokken. Bij de boerderij aangekomen werd zo snel mogelijk het hooi in de hooiberg, of hooizolder in de boerderij of naastgelegen schuren opgeborgen. Het hooien was een stoffig werk, want veel hooisprieten en stof dwarrelde naar beneden. Over het algemeen werd er in die dagen goed voor het hooien betaald, en dat was een welkome aanvulling voor menig arbeidersgezin. Als het laatste hooi binnen was dan was het feest op het erf van de boerderij. De boerin bakte wafels, waarvan iedereen die meegeholpen had aan de hooibouw kon smullen. De drankfles kwam tevoorschijn en er werd vaak een welverdiende borrel gedronken.

Op bijgaande foto, zo omstreeks 1964 genomen op het wegje voor ons huis ( Sluis Zuid toen nog no: 2 in Wijk bij Duurstede ), staat mijn jongere broer Johan, die toch geheel onverwachts, in mei 2019 is overleden. Achterop het rekje zit mijn jongste broer Jan. Het is een mooi plaatje uit vervlogen tijden. Wat was het toen nog stil op het klinkerwegje met zijn dikke hoge, en altijd ruisende populieren. Ons huis was toen nog gelegen tussen oude hoogstamboomgaarden. Achter de boomgaarden lagen weilanden, en achter de dijk, in mijn kinderogen, de wijds uitgestrekte uiterwaarden van de Bosscherwaarden. In februari 1958 zijn mijn ouders hier komen wonen. Voor die tijd woonden wij op de Hoogstraat no: 95. Op de achtergrond is geheel links de boerderij van toentertijd onze buurman Gooiert Spithoven, die met zijn broer Han ( Hein ? ) woonden. Jammer genoeg heb ik geen foto’s van Gooiert of van Han. Maar voor ik groot genoeg was om zelf een fototoestel te kopen waren beide al overleden. Bijgaande foto is waarschijnlijk door mijn oudere zus Bea gemaakt. Maar goed, Gooiert was in onze ogen gezien een soort ouwe knorrepot met grote oren, die ik weet niet hoeveel eieren at. Achter de boerderij stond een grote schuur waar ongeveer duizend kippen in rondliepen. En eigenlijk als jochie van een jaar of 8 of 10 was ik wel een beetje bang voor hem. Maar Gooiert had ook een broer die wij altijd, ik weet niet beter, Han noemden. Maar Han had ze allemaal niet helemaal op een rijtje. Soms grommend en brommend liep hij wel eens voor ons huis op het wegje met een grote stier aan een halster, een gevlochten touw, te wandelen. Waren wij jochies voor Han al bang, voor zijn enorme stier scheten wij helemaal in onze broeken. Maar ach, toen zo omstreeks 1959 kon dat nog, wandelen met je stier, In geen dagen kwam er soms iemand over het stille wegje voor ons huis. Hoogstens een landbouwer met een klepperend paard en wagen. Vader ging overdag werken, en mijn moeder was hele dagen alleen met de allerkleinsten thuis. De deuren en ramen stonden vroeger gewoon open, iets wat je nu niet meer kan voorstellen. Bijna bij iedereen in de buurt kon je gewoon naar binnen lopen, eigenlijk was nergens een deur op slot. Maar moeder was toch wel bang voor Han, die soms lange tijd voor ons huis op de weg, of dam kon staan, en vaak stond te grommen, en in zichzelf stond te praten, en richting ons huis keek. Moeder vertelde het aan vader, en ja die maakte zich ook wel zorgen. Op een goede dag, waarschijnlijk in het weekeinde, toen Han weer eens op de dam stond te turen, is vader naar hem toegegaan. ‘Weet je dat daar een vrouw woont’ had Han tegen mijn vader gezegd. Pa maakte zich toch wel zorgen, en zij tegen Han’ Han zie je daar dat grote houten hakblok ?. Han knikte mompelend bevestigend. ‘Luister Han als ik nog een keer zie dat jij een voet op onze dam zet, hak ik net als bij de kippen je kop eraf’ Han schrok, Misschien is het hard, maar wat moest vader toen anders. Maar Han heeft nooit meer staan turen naar ons huis, en eveneens nooit meer ook maar een voet op onze dam, die over de sloot die voor ons huis lag gezet. Soms zette Han ook wel eens tijdens zijn wandelingen hekken van weilanden open, en vervolgens liepen de koeien overal in het rond. Gelukkig was er omstreeks 1960 nog niet zoveel verkeer. Maar de desbetreffende boeren baalden flink en moesten hun loslopende koeien maar weer in het weiland zien te krijgen. Toen jaren later Gooiert was overleden, werden mijn ouders als buren ook gewaarschuwd. Moeder bleef bij de kinderen thuis, en vader ging even bij de boerderij van Gooiert, met de naam ‘Elke morgen nieuwe zorgen’ kijken. Zo vertelde vader later, zaten familieleden in de grote voorkamer in een kring bij elkaar. Maar waarschijnlijk vertrouwde niemand elkaar. Als er iemand naar de WC ging, liep iemand anders mee. Een van de boerinnen begon in bijzijn van de gehele groep haar kunstgebit grondig schoon te likken. De grote boerderij is later verkocht aan Geert van Rooijen, die de bijnaam had van de ‘Grote God’. Zijn zoon Adriaan kwam later nog regelmatig bij ons over de vloer, en vader en Adriaan hielpen elkaar wederzijds. Rechts op de foto is nog juist tussen de bomen wat van de oude schuur in Gooierts pruimenboomgaard te zien. Mooie oude boerenwagens stonden in deze vervallen schuur weg te rotten. Als jochie zijnde heb ik regelmatig stiekem, want het mocht echt niet van moeder, overheerlijke pruimen gejat, uit de naast ons huis gelegen boomgaard. Als jochie zijnde kon je met een kleine aanloop zo tegen de iets schuinstaande stammen omhoog lopen en de onderste takken beetpakken. Een mooie jonge kindertijd, met avontuurlijke herinneringen bewaar ik dierbaar de rest van mijn leven.

Vanmorgen ( Donderdag 9 juli 2020 ) zijn mijn nicht Meta en Ruud, haar man bij ons in Almere geweest. Het was harstikke gezellig, met een kopje kofje en een koek. Jammer eigenlijk, dat je elkaar soms jaren niet meer ziet. Meta heeft een aantal oude foto’s van vroeger meengenomen, die ik gedeeltelijk ga scannen, bedankt Meta. Mooie oude foto’s van haar ouders, opa en oma Nokkert, haar broers en andere familieleden van o.a. haar moeders zijde. In overleg met Meta zet ik de komende tijd wat van de gescande foto’s op facebook. Als iemand aanvullingen heeft, hou je niet in, wij zijn erg benieuwd. Niet alle foto’s zijn even duidelijk. Ik heb met scannen mijn best gedaan er iets van te maken, nou ja de scanner dan. Sommige heel kleine foto’s ( zoals de hier geplaatste foto ) was rechts geheel overbelicht, en de onderzijde was een vaag tuinpad wat ik maar heb weggelaten. De hier geplaatste foto is afgaande naar de geschatte ouderdom van de kinderen uit omstreeks 1928. Dus bijna honderd jaar geleden. Van links naar rechts: Jan, Henk, Jo ( Mijn moeder met haar pop ) en Rein Nokkert, drie broers en hun zusje, mijn moeder, voor de oude schuur in de achtertuin bij hun ouders, en vroeger mijn opa en oma Nokkert, Nieuwe Weteringseweg 187 in Maartensdijk. Wat ben ik blij met deze foto. Mijn moeder als klein meisje met haar pop, jammer dat zij het zelf niet meer kan zien, heel jammer, wat zou dat leuk hebben gevonden, het raakt mij om haar zo te zien, ik krijg toch een beetje vochtige ogen. En de oude schuur, prachtig. Eindelijk na al die jaren heb ik er een foto van. Als jochie zijnde van een jaar of vijf, zes of misschien iets ouder, vond ik deze schuur in de grote stille achtertuin, met zijn, aan een zijde vreemd laag dakpannen dak, een spannend iets. Een volwassen iemand moest flink bukken om binnen te komen. Het was stil en donker in deze, in mijn kinderogen grote schuur, met vreemde, door de schots en scheef liggende dakpannen, naar binnenvallende lichtstralen. Volgens mijn oudere nicht Ria van Binsbergen – Nokkert uit Amersfoort, deed opa ‘s avonds zijn geiten in deze schuur, en bewaarde hij hierin ook het voer, hooi en stro, en andere dingen.

Mijn moeder, aan de telefoon, in haar huisje bij de ‘Sluis’ in Wijk bij Duurstede. Mijn ouders hebben altijd met veel genoegen en plezier, vanaf februari 1958 hier gewoond. Het kleine huis, prachtig gelegen achter de hoge populieren, half verscholen tussen oude hoogstamboomgaarden en de verderop gelegen weilanden, aan de voet van de dijk. Deze foto heb ik gemaakt op 6 Oktober 2005.

Even iets anders. In de jaren 80, 90 en later fietste ik alleen, en soms met Lenie, van Almere naar Wijk bij Duurstede. Een afstand van ongeveer 80 KM. Wij overnachten dan bij moeder, en na een goed ontbijt, liefdevol gemaakt door moeder fietsten wij de volgende dag weer terug naar Almere. Bijna altijd gingen wij op de heen- of terugweg even bij tante Dina ( Wouters-Nokkert ), moeders oudere zus langs. Zij woonde samen met de vriendelijke ome Henk Wouters ,langs De Nieuwe Weteringseweg 187 in Maartensdijk. Die tante Dina was een prachtig mens, heel zuinig maar beslist niet gierig. Zo gauw je binnen kwam maakte zij koffie met een dik vel, en wilde zij eten voor je maken. Tante Dina verzamelde van alles. Haar schuurtje stond vol spullen. Zij had ook van oude lappen stof een soort van grote slaapzak gemaakt, waar zij dan gedeeltelijk inkroop als het koud was, en zo toch in haar schuurtje in de verzamelde spulletjes kon snuffelen. Zoals op de foto te zien is, snuffelde zij in de jaren 80 in de ‘Zak van Max’ en haalde voor haar bruikbare schoenen en gympen eruit. ‘Snap jij dat nou, dat mensen dat zomaar weggooien, in de oorlog zouden de mensen er erg blij mee zijn geweest, wat mensen nu zomaar weggooien’ zei tante Dina dan verbaasd. Ik had haar een keertje meegenomen naar Bilthoven. In een winkel, waar zij toch wel de aandacht trok met haar oude kleding, was zij volaandacht een paar rollen Mariakoekjes aan het bekijken en vergelijken. ‘Ja soms zit er in een rol koekjes eentje meer in, wist je niet he, met een glimlach mij schuin aankijkend. Na haar overlijden zijn enkele kledingstukken van tante Dina naar het museum gegaan. Op een van mijn fietstochten, zo omstreeks 1992, had zij moeite een van de Gemeente Maartensdijk ontvangen formuliertje in te vullen. Toen ik haar geholpen had, en binnen vijf minuten klaar was, wilde zij mij een briefje van honderd gulden geven voor de moeite. Ik heb het niet aangenomen. Ik wilde er echt niets voor hebben, en zei tegen haar dat ik blij was iets voor haar te kunnen terug doen. ‘Jij bent toch gek op oude spulletjes he’. Als dank moest ik bij hoog en bij laag een oud leren mapje, uit omstreeks 1920 van het nu verdwenen landgoed Beukenburg meenemen. Haar vader, mijn opa had daar vroeger gewerkt. Kijk tante Dina was wel erg zuinig, mijn moeder zei ‘Ach Dien heeft geld zat’. Maar zij was beslist niet gierig. Een goed mens was zij. En ome Henk kon met een glinstering in zijn ogen, prachtige verhalen vertellen van vroeger.

Een van de oudste kiekjes uit de familie van mijn moeder. Het is de Oma van mijn moeders vader ( Jan Hendrik Nokkert uit Maartensdijk ). Haar naam was: Janna Nieteman en woonde in Laren. Zij is geboren op: 19 April 1814 en overleden op 31 Mei 1852 in Harfsen. Leuk he, zo’n kiekje van vroeger. Mijn moeder Jo Marchal-Nokkert ( geboren 13 Mei 1921 ) is bijna 97 geworden, en heeft de weinige foto’s die zij had van vroeger altijd dierbaar bewaard.

Ome Henk Wouter in zijn voortuin ( Nieuwe Weteringseweg 187 in Maartensdijk ). Ome Henk was de man van Tante Dina. Omstreeks 1994.

Tante Dina Wouters-Nokkert was een prachtig mens, vol verhalen en spullen van vroeger. Deze foto heb ik op 6 Mei 2004 van haar gemaakt tijdens een trouwerij. Na haar overlijden zijn een aantal jurken en andere kledingstukken naar een museum gegaan.

Links is mijn moeder en rechts haar vijf jaar oudere zus Dina Nokkert. Omstreeks 1992.

Mijn moeder had een vijf jaar oudere zus, Tante Dina Nokkert. Een prachtig mens, die in Maartensdijk woonde ( Nieuwe Weteringseweg 187 ) en van alles verzamelde. Kasten vol kleding, kleedjes, bakken vol zeepjes, een sigarendoos met mooi kleurrijk borduurdraad van voor de 2e wereldoorlog, etc. Ik ging altijd tijdens een van mijn fietstochten even een kopje koffie ( met vel ) bij haar drinken. Tijdens een van die bezoeken zei zij tegen mij ‘Loop is effe mee jochie ik heb in de schuur nog een heleboel mooie jassen, er zit er vast en zeker wel eentje voor je bij’. ‘Oohhh, ik doe nog even een vest aan’ zei zij. En voor zij naar buiten liep bevestigde zij haar huissleutel met een grote veiligheidsspeld aan haar jurk. ‘Ik raak mijn sleutel wel eens kwijt he, ik weet dan niet meer waar ik hem gelegd, nou kom maar met mij mee’. Ik achter haar aan, zij liep gebogen, met haar door ouderdom krom getrokken benen, ondersteund door de wandelstok van haar overleden man Henk Wouters. In het volgepakte schuurtje deed zij een van de kasten open, waarin o.a. geheel zwarte, en zwart/ witte met grijs geblokte damesjassen hingen. ‘Na even snuffelen en schuiven tussen de jassen pakte zij er eentje en zei ‘Ik denk dat deze je past’. Al voor dat ik het kledingstuk had aangetrokken zag ik al dat het zeker niet mijn maat was. Maar goed ik wilde haar niet teleur stellen. Maar mijn onderarmen bleven halverwege de veel te strakke mouwen steken. Van achter haar vettige oude brillenglazen keek tante Dina mij aan, en zei met haar wat hoge stem ‘Oohhh hij past echt niet he, jammer het zijn nog zulke mooie jassen’. In stilte was ik blij dat het fossiele kledingstuk niet mijn maat was. ‘Tante Dina, wat is dat voor een zak’ vroeg ik haar wijzend op een van grote lappen stof aan elkaar genaaide mensgrote zak. ‘Oohhh ja’ antwoorde zij met een giebelend lachje ‘Daar kruip ik wel eens in, voor de kou he, en dan zit ik wat te rommelen in de spullen, hi hi’. Tante Dina was een erg zuinige, maar beslist geen gierige vrouw, het was een goed en lief mens. Ik heb ergens in de 90er jaren haar oude foto’s mogen scannen. Er zaten mooie oude plaatjes tussen. Niet van alle foto’s wist zij meer wie wie was, maar nog heel veel wel. Op bijgaande foto staat als ik het goed heb, haar man ( Ome Henk Wouters ) zijn vader, ergens in het veld bij Maartensdijk of Lage Vuursche. Het is geen mooie of scherpe foto. Maar het mannetje, trots op zijn geit, is toch prachtig om te zien. De mensen waren vroeger, zo zei mijn moeder, niet rijk, maar tevredener, gelukkig en gelovig, en leefden veel meer met de natuur dan tegenwoordig, ondanks soms de armoede waarin zij leefden. Zo vervolgde moeder ‘Als je vroeger werk, en te eten had, en een dak boven je hoofd was je tevreden’. Tegenwoordig leven vele van ons ten opzichte van vroeger in ongekende, maar vaak ook ongewaardeerde rijkdom. O wee als de tijden minder worden, dan zullen velen het best moeilijk krijgen en terug denken aan betere tijden. Het is best wel eens goed om daar stil bij te staan. De foto is uit omstreeks 1910.

Xenna en haar spin. ‘Opa spin is lief’ zegt zij. Wo. 9 Okt 2019.

Xenna en de grote vis in Almere Jungle. 6 Maart 2019.

‘Dag kip’ zegt mijn kleinkind Xenna. 8 Mei 2019 in Almere Jungle.

Mijn kleinkind Enzo is gek op Kylo Ren. Hij heeft een mooi Kylo Renpak gekregen. Woensdag 5 Feb, 2020.

Enzo maakt mooie sprongen.

Met mijn kleinkind Enzo van een zandberg gesprongen. Hoe ouder hoe gekker zullen wij maar zeggen, maar waarom niet. Het was een leuke middag. De kleinkinderen Enzo en Xenna hebben een leuke middag gehad. De foto is gemaakt mijn vrouw Lenie. Zaterdagmiddag 9 Mei 2020 Nobelhorst in Almere.

Op 2 Oktober 2019 ben ik met Xenna, mijn kleinkind een stuk gaan fietsen. Xenna heeft een door mijn moeder gebreide das om. En natuurlijk moet Muis, toen haar grote knuffel mee. Het was een leuke fietstocht.

Moeder ( Jo Marchal – Nokkert ) met haar breiwerk. 5 Juni 2013. Singel 27 in Wijk bij Duurstede. Zij heeft voor mij een goede 40 paar geitenharensokken gebreid. Ik loop er zomer en winter in. En nooit last van zweetvoeten of iets dergelijks. Ik kan denk ik de rest van mijn leven wel vooruit met haar sokken. Op de foto is moeder dassen aan het breien voor de medemens die het allemaal een stuk minder in het leven hebben. Ook mijn lief kleinkind Xenna, van drieënhalf loopt op koude dagen met een door moeder gebreide das om, leuk he.

Vader ( Wout Marchal ) in 1989 met een leplammetje in de boomgaard naast mijn ouderlijke woning ( Sluis Zuid 6 in Wijk bij Duurstede ).

Vader ( Wout Marchal ) geeft het zwarte schaapje, een leplam te drinken. Toen het groot geworden was en vader in de boomgaard aan het werk was, liep het zwarte schaap altijd naar vader, blaatte wat en als vader haar dan even had geaaid was het goed en ging het weer grazen in de boomgaard. Het zwarte schaap ( ooi ) heeft zelf later nog twee lammeren gekregen. Foto uit omstreeks 1991.

Een leplam ( Het zwarte schaapje ) volgde vader overal. Omstreeks 1991.

Vader Wout Marchal bezig met het maken van een nieuwe heining tussen de Lekdijk-West en Sluis Zuid in Wijk bij Duurstede, voorjaar 1991.

Vader Wout Marchal ( rechts ) en buurman Van Raaij zijn in het voorjaar van 1991 een heining aan het maken. Sluis zuid in Wijk bij Duurstede.