Category: Kromme Rijn Gebied Page 1 of 3

Kom eens even mee, dan lopen wij iets verderop, ja tot hier, kijk eens naar dit boerderijtje. Het oude boerderijtje ‘Kortland’ staat het hier niet mooi ? Zo in het groen gelegen aan de Wickenburghseweg in het ‘t Goy nabij Houten. Het is toch prachtig! Het heeft iets knus. Het behoort bij het landgoed Wickenburgh, en is als tuinmanswoning met achterhuis in 1785 in opdracht van Johannes Wttewaall gebouwd. Zijn zoontje Jan plaatste op 15 juni 1785 de eerste steen. In de loop der jaren, vanaf 1972 ging ik als ik hier in de buurt was even kijken, bij de boerderij en het witte landhuis. En vanaf 1977, toen ik mijn eerste fototoestel een Pentax KX had gekocht wat foto’s maken. Op een dag zo omstreeks 1990 liep aan de zijkant van het boerderijtje een mevrouw op sloffen met haar poes aan de voeten over het tuinpad. Wij kwamen met elkaar in gesprek, misschien niet langer dan vijf minuten. Neel, zeg maar…Neeltje, was haar naam. Als de luiken van de kleine boerderij gesloten waren sliep zij, en deed Neeltje een middagdutje, en fietse ik op die dagen dat ik hier was gewoon verder. Als de luiken in de voorgevel open stonden dan was zij wakker. Dat was het prille begin van mijn jarenlange bezoeken aan haar. De volgende bezoeken werden in tijdsduur steeds langer. Toen ik hier omstreeks 1992 voor het eerst in de kleine boerderij binnen kwam leek het wel of ik in de tijd terug ging. De witgrijze wanden zaten vol oude gekringde vochtvlekken. Aan de rechterwand van de kleine boerenkamer, wat oorspronkelijk de keuken was, zat een tortelduif stil in zijn aan de muur hangende houten kooi. Een prachtige tegelwand achter een de moderne gaskachel trok mijn oog. Prachtig was deze tegelwand, met twee zwart geel omkaderde kleurrijke taferelen met o.a.mannen met een hoge hoed op, en de ene met paard en andere een rund aan een touw. Aan de zijkanten waren bloem- en vogelrijke prenten te zien in een zijdelinkse afkadering van het tegeltableau. Opvallend is dat het ene mannetje zijn jas groen is en zijn broek blauw, en bij het andere mannetje net omgekeerd, de jas blauw en broek groen. “Mooi he’ zegt Neeltje tegen mij met haar zachte stem, mij over haar tafel voorovergebogen aankijkend, staand vanachter een met bloembeblokt tafelzeil beklede tafel en haar hoofd onder een met wit haakwerk overdekte lamp. Spookachtige schaduwen werpt het lamplicht van boven over haar gezicht en gaan zwenkend bij ieder beweging van Neeltje over de tafel en kamervloer in het schaars verlichte boerenkamertje. De tortelduif koert zacht in zijn kooi en rommeld krassend wat in het voerbakje. ‘De tegelwand zit er nog steeds in vanaf dat de boerderij is gebouwd in 1785, mooi he, kijk eens hoe mooi de pauwen en de bloemen zijn getekend, ja jammer hé dat sommige tegels wat beschadigd zijn’ zegt Neeltje als aanvullende informatie en wijzend op de geelachtige vlekken in het tegelwek. Het tegeltablau ziet er mooi uit, maar is wel door de tand des tijds aangetast, vooral aan de bovenzijde onder de schouw hangen enkele tegels zo scheef dat zij ieder moment dreigen te vallen. ‘Ja de kachel past er eigenlijk niet bij, maar het was af en toe in de herfst vochtig in huis dat het behang van de muren losliet en er op sommige plekken van de muur naar beneden viel’. ‘Vooral in de winter kon het erg koud zijn, ik zat soms bijna te vernikkelen’. ‘Ik zal het je straks laten zien in de voorkamer, en de opkamer waar het behang van de muren is gevallen, je zal verbaasd zijn’ zegt Neeltje. ‘En de balken in de kelder, en de kaaskamer, ja die zitten soms vol vochtigglimmende schimmelvlekken, vooral in de natte herfst, soms ben ik wel eens bang als ik beneden ben dat de boel in elkaar stort. ‘Weet je’ zegt Neeltje naar aanleiding van mijn vraag waar het vocht vandaan komt. ‘Het is een oude boerderij, met vanuit de grond optrekkend vocht’. ‘Weet u, u mag het best wel weten, het heeft mij 6000 gulden gekost om de kachel en gasleiding hier naar het huis toe langs de weg aan te laten leggen, en dat is voor mij een heel bedrag, maar ik ben blij met m’n kachel, het is een stuk warmer en droger geworden in huis’. Haar ouders zijn in 1939 hier op de kleine boerderij Kortland komen wonen, voor die tijd woonden zij op een hier wat verderop gelegen grotere boerderij. ‘Maar vader is in ’63 overleden, 94 jaar heeft hij mogen worden, een hele leeftijd hé voor een mens, ja het moet je maar gegeven zijn, dat is lang niet altijd eigen verdienste, denk dat maar niet’. ‘Maar een mens word geroepen wanneer het zijn of haar tijd is, zo staat het in Gods woord, en zo is het maar net, daar hebben wij ons maar aan te houden’ zegt Neeltje overtuigend. ‘Ik ben van ’14’ vuld zij aan. Tot 1984 had zij de boerderij de voormalige tuinmanswonig in pacht, maar sindsdien huurt zij het voorste gedeelte ervan. In het begin sprak Neeltje mij met u aan, maar op aandringen van mij om gewoon ‘je’ te zeggen voldeed zij aan mij verzoek, maar af en toe bij serieuze dingen verviel zij wel eens terug naar ‘u’. Neeltje sprak altijd rustig, ingetogen met overdachte en weloverwogen woorden. In mijn ogen kwam zij altijd over als een slimme vrouw, wijs geworden door haar geleefd leven en levenservaring, en het harde werkzame leven op het platteland. Zij liet mij na jaren na onze eerste kennismaking bijna haar hele boerderij zien. De grote glimmende zware zinken emmers en een melkteems staand in een houten rek tegens de muur in de kaaskamer. Een teems is een trechtervormige breedmondige zeef waarin een watten schijf op de uitneembare zeef door middel van een ring vastgeklemd kan worden. Deze teems werd op een melkbus geplaatst om de vers gemolken koeien- of geitenmelk bij het ingieten te filteren van o.a koeien en geitenharen die tijdens het melken in de emmer gevallen waren. In de donkere voorkamer en opkamer zijn grote geringde vochtvlekken op het behang en muren te zien, en op enkele plekken hangt het oude behang van de muur losgelaten triest naar beneden. Op mijn vraag of de eigenaar, zij was huurder, er iets aan wil doen om alles een beetje op te knappen, schudde zij een glimlachend haar hoofd. ‘Ach weet je als ik uit de tijd ben zal alles wel opgeknapt worden, ik heb mijn langste tijd gehad, de Hemelse Vader zal mij binnen kort wel komen halen’. Met haar vriendelijk geleefd gezicht verstilde zij een lang moment, en keek in de kleine schaars verlichte boerenkamer over de met emaille pannen bedekte tafel en mij heen starend in een niet aanwezige verte. ‘En ja…ja, ieder mens moet zich eens voor onze Hemelsche Vader verantwoorden, jong of oud, of je het wil geloven of niet’ vervolgt zij uit haar verzonken gedachten terugkomend. ‘U bent toch ook gelovig opgevoed’? vraagt zij aftastend aan mij. Voodat ik antwoord kan geven praat Neeltje met haar bedachtzame zachte stem en haar woorden afwegend verder. ‘U mag het best wel weten hoor, ik lees iedere dag hier aan deze tafel in stilte uit Gods woord, dat geeft een mens rust en vrede en troost in het leven, ik zou niet zonder willen en kunnen, maar heb je nog trek in een kopje koffie’ ? ‘Eerlijk gezegd om op je vraag terug te komen, ik zie de eigenaar niet zo vaak’ verteld Neeltje zachtjes verder. Het lijkt wel of zij vandaag zogezegd op haar praatstoel zit, staand achter haar tafel. Ik kijk haar aan met haar omhoog geschoven groenetruimouwen en donkerblauw wit gestippelde schort. ‘De eigenaar dhr. Wttewaall komt hier wel eens in het achterhuis de schuur en om op het land kijken, ja daar kom ik nooit, ik zou niet durven. Eigenlijk ben ik nog altijd een beetje bang voor hem als hij hier in de boerderij in het achterhuis wat aan het rommelen is of over het erf loopt’. ‘Vroeger toen ik nog een klein meisje was moest ik van mijn ouders als wij langs het landhuis liepen groeten, en mijn vader deed zijn pet af ook al zag je niemand op het landgoed. En haalde het niet in je hoofd om niet te groeten, want je kon in de problemen komen, ja wij waren afhankelijk van ze hé ‘. ‘Maar gelukkig zijn die tijden voorbij, en wat mij betreft hoop ik dat zo’n tijd nooit meer terug komt, wil je nog een kopje koffie? ‘Ik vroeg het zonet ook al aan je, maar door al dat gepraat ben ik het glad vergeten, ach ja een mens wordt oud hé en dan krijg je dat’ zegt zij vriendelijk met haar zachte ogen. Met haar grote boerenvrouwenhand pakt zij de koffiepot. Bij het uit de koffiepot ingeschonken koffie kringelen dampsliertjes traag in het lamplicht naar boven en een heerlijke koffiegeur verspreid zich in de kleine kamer. ‘Hier neem nog een koekje, je zal wel honger hebben na al dat gefiets van je, maar gezellig dat je nog even aan kom, bij zo’n oud mens als ik’. Graag wil ik een foto maken van Neel, maar daar heeft zij wat moeite mee. ‘Nou nee hoor, maak maar foto’s van de jonge meiden, zo mooi ben ik niet meer’ zegt zij tegen mij. Ik geef aan dat ik graag een foto van haar wil maken als herinnering aan haar voor mijzelf voor later. Na veel wikken en wegen mag ik een foto maken, hij is niet helemaal geworden wat ik voor ogen had, maar beter iets dan niets. ‘Kijk es an, wacht us even’ zegt zij haar rechterhand haar behaarde kin strelend. ‘Ik heb nog iets wat jij wel leuk zal vinden denk ik, ik zal het even pakken, wacht maar even’. Voorzichtig op haar pantoffels verlaat Neeltje de kamer, terwijl ik intussen alles wat beter bekijk. Oude blauwe borden in het houten rek opgehangen boven de grijze deur naar de kaaskamer weerspiegelen zacht het kamerlamplicht. Achter het om de schouw hangend gordijntje hangt aan een oud stukje touw een vochtige geruite theedoek om te drogen. Op de schouw staan een paar tegen de muur leunende eveneens donkerblauwe borden, een grootformaat zwaluw lucifersdoosje en enkele voorraadbussen. Een grote houten klok tikt zacht en traag slingerend de tijd weg. Plots gaat het binnenwerk van de klok als een ontwakend monster ruisen, en slingerd twee maal zijn zware klokkenstem uit de houten klokkast de kleine boerenkamer in. Als de galm is weggebt lijkt het nog stiller dan voorheen. De tortelduif door de klok uit zijn middagdutje gewekt koert eveneens twee, drie maal, en vervalt met zijn kopje ingetrokken weer in zijn gestoord middagdutje. Een oude zwart/ wit foto van de boerderij aan de wand tegenover mij lijkt genomen in een periode ver voor mijn geboorte in 1952. Op een houten bruin glimmend bordje met bloemen is een troostende Bijbelspreuk geschreven. Een wit gordijntje hangt voor het raam van de deur die naar de kelder gaat. Als Neeltje terug komt heeft zij een klein boekje en een kleine foto in haar geaarderde werkhand en overhandigd het aan mij ‘Voorzichtig hoor, het is in 1832 door iemand uit de familie helemaal met de hand geschreven, over Benschop en omstreken’. Vol bewondering en voorzichtig bekijk ik, het in keurig klein handschrift geschreven bijzondere boekje. Graag had ik het willen lezen, maar eigenlijk durfde en wilde ik die gunst niet aan Neeltje vragen, zo dierbaar behandelde zij het boekje. Ik heb er geen foto van gemaakt, dom van mij, en ik ben nu benieuwd waar het boekje na het overlijden van Neeltje gebleven is. Ja, ergens in Baarn had zij nog familie wonen, misschien is het daar wel naartoe gegaan, ik hoop het, als het maar niet is weggooid. ‘Kijk us hier, dat zal je ook wel mooi vinden, omdat jij zoveel foto’s maak’ zegt zij opgetogen mij de foto aanreikend. ‘Kijk dit ben ik en dat is mijn vader, mooi hé’. Ik bekijk aandachtig de kleine foto, een enorm dikke boom ligt op een grasland en op boom zitten vier mensen. ‘Kijk da ben ik, en hier ach ja dat is mijn vader en die… die ja dat is Kees geloof ik, mijn ogen zijn niet zo best meer, ach dat krijg je in de loop der jaren, ja volgens mij is dat Kees’ herhaald Neeltje. ‘Zij verteld dat omstreeks 1960 tijdens een zware storm één van de twee dikke oude naast elkaar staande populieren die wat verderop achter de boerderij stonden was omgevallen. Het is inderdaad een enorme populier als ik de dikte van de stam verhoudinggewijs ga vergelijken met de erop zittende mensen. Wij genieten beiden van onze koffie. ‘Heb jij Kees nog gekend’ ? vraagt zij plots aan mij. Maar ik moet ontkennend antwoorden. Nee de naam Kees zeg mij niets. ‘Ach Kees woonde vroeger hier, Kees van Dort, hij was niet mijn man hoor, maar ja hij woonde hier wel’. Later begreep ik van Piet, een man uit ‘t Goy die hier af en toe over de vloer kwam om te kijken of alles met Neeltje goed ging. Dat Neel en Kees niet getrouwd waren, hoe zal ik het zeggen, iedereen in het dorp zei bij wijze van spreken dat Kees en Neel een ongetrouwd huwelijk hadden. Het zij zo. Neeltje en ik praten verder over allerlei dingen van het boeren- en landleven, van haar schuur waarin zij niet meer in durfde te gaan omdat hij op instorten stond. ‘Ja Kees hield vroeger die dingen nog een beetje bij maar sinds hij uit de tijd is, raakt alles steeds meer in verval, ach man het is wat’. zegt Neeltje overpeinzend. Weet je dat hier net naast de deur in het klompemhok een bakhuisje heeft gestaan ? ‘t was een mooi ding, jammer dat het is gesloopt’. ‘Vroeger stond hier nog een oude hooiberg achter op het erf maar na honderd jaar is hij van ellende en ouderdom in elkaar gezakt, ja wanneer was dat ook alweer ? zegt Neeltje overpeinzend. ‘Ik geloof in ’58…ja in 1958 toen leefde vader nog. ‘Vijf roeden had die hooiberg, en dat zie je tegenwoordig niet zoveel meer, er is een nieuwe voorin de plaats gekomen met twee roeden, maar ik vond de oude berg veel mooier, jammer dat hij weg is’. Ik vertel haar dat ik in Rijswijk in Gelderland nog een paar vijfroedige hooibergen weet te staan. Wij praten wat verder over het land en dieren en het boerenleven van vroeger. ‘Ik hou van paarden wist u dat ? Prachtige dieren zijn het mooie schepsels’. Kent u toevallig het boek ‘De paardenfluisteraar’ vraagt Neeltje mij met haar in het lamplicht zachtglimmende ogen aankijkend. Ik laat Neeltje weten dat ik de film heb gezien en het een mooi verhaal vond en indrukwekkend verfilmd, maar het boek nog eens wil gaan lezen. ‘Ja hoe zal ik het zeggen…’vervolgd Neeltje. ‘Het is een goed boek met een mooi verhaal, maar ja uh…er komt ja hoe zal ik het zeggen..uh seks in voor, en dat hoeft van mij niet zo, als u begrijp wat ik bedoel’. Regelmatig en afwisselend sprak Neeltje mij, vooral in het begin toen wij elkaar pas kenden aan met u. Maar daarna bijna altijd met je. Maar nu bij een voor haar gevoelig, of in haar ogen denk ik vervelend onderwerp verviel zij weer even in u. ‘Kent u toevallig de film’ ? vroeg ik haar. Zij ontkende en liet weten nog nooit in de bioscoop geweest te zijn. ‘Ach daar kwam je vroeger nooit, je ging er gewoon niet heen, zonde van je geld hé, nee..nee dat kwamen wij nooit, zo waren wij niet opgevoed, wij kwamen bijna nooit in de grote stad’ antwoorde zij op mijn vraag of zij ooit in een bioscoop was geweest. Ik beloofde haar mijn DVD speler en TV een keer mee te nemen, en dat wij dan gemamelijk de film ‘De Paardenfluisteraar’ in haar boerderijtje konden gaan kijken. Maar helaas is Neeltje vrij onverwacht na mijn belofte in 2002 overleden, en in het wat verderop gelegen dorp Schalkwijk begraven. Ik ben blij dat ik haar heb mogen leren kennen, en altijd zal er een warm plekje voor haar in mijn binnenste blijven. Haar boerderijtje is in later jaren door een jonkheer opgeknapt. Ja, tijden veranderen. Tijdens het leeghalen en opknappen van het boerderijtje, na Neeltjes overlijden mocht ik van de jonkheer, de toekomstige bewoner nog wat foto’s maken, en heb hem als dank hiervoor, nog een DVD gegeven met daarop foto’s die ik in de loop der jaren bij Neeltje had gemaakt. Mensen komen en gaan als een voorbijgaande schaduw in de tijd. En zo is het altijd al gegaan, en zal tot het einde der tijden wel zo blijven. Maar de vriendelijke Neeltje zal ik missen. Voor aanvullende foto’s zie bij Facebook onder: Lenie Gerrit Marchal. Met vriendelijke groet, Gerrit.

Op één van mijn fietstochten zo omstreeks 1978 in het Krommerijngebied welke gelegen is in de provincie Utrecht, was ik bij het landhuis Wickenburgh in het ‘t Goy gaan kijken. Nooit van gehoord ? Nou ik kende het vroeger eigenlijk ook alléén maar van naam en uit de boeken. Via, fruitboomgaarden en weilanden omgeven landwegen kwam ik onverwachts bij het landhuis Wickenburgh met zijn prachtige duiventoren en het oude boerderijtje uit 1785 wat even verderop aan de overzijde van de weg gelegen is. Schapen graasden in de schaduw van dicht bebladerde bomen bij de bocht in de weg toen de kleine boerderij achter een paar in bloei staande fruitbomen zichtbaar werd. Het was voor mij en onverwachtse ontmoeting. Hoge bomen en struiken weerspiegelden dromerig in de vijver het wat verderop gelegen witte landhuis. Oude gronden zijn het hier las ik jaren later, en een nog oudere geschiedenis zweefde hier rond. Het is nu nog maar een klein stukje groen, zo nabij de zorgwekkend oprukkende nieuwbouw van Houten, wat omstreeks 1969 nog knus klein dorp was. Je bent Wickenburgh voorbij voor je het weet. Maar toch vind ik het altijd fijn om hier even te kijken, een stukje te wandelen of langs te rijden als ik hier in de omgeving ben. Wickenburgh de buitenplaats van nu is gebouwd op een voormalig kasteel Westenstein. Hier zou in de Karolingische tijd een hofstede ‘Westrummerhofstede’ hebben gestaan, althans dat zijn de vermoedens van de geschiedenisonderzoekers. Een hofstede is een oude boerderij, en Westenstein stond aan de rand van de Westrummerweijde, een nederzetting ( Westrum ) waaromheen akkers en weidegebieden lagen. Op een kaart uit 1641 is het huis met daarvoor een ronde vijver te zien, waarin een rond eiland gelegen was. Op dit ronde eiland zou op een verhoogde aarden wal een ‘Mottekasteeltje’, een houten kasteeltje hebben gestaan. Maar de eerste keer dat Westenstein, een waarschijnlijk uit stenen opgetrokken gebouw, waar omheen een gracht gelegen was in de documenten voorkomt is 1300. Bij recente werkzaamheden en een verbouwing aan het landhuis Wickenburgh kwamen oude muurrestanten van een kelder aan het daglicht. Deze zouden gezien het steenformaat nog als een restant van het oude 14e -eeuwse kasteel Westenstein kunnen zijn. Vermoedelijk is Westenstein al in het midden van de 14e eeuw verwoest, waarna gebruikmaking van fundamenten en stenen een nieuw dwarshuisboerderij is gebouwd. De toentertijd aanwezige grachten zijn in de 17e en 18e eeuw gedempt, en het laatste grachtgedeelte ongeveer in 1810. Wickenburgh, een herenhuis en boerderij komt als naam het eerst omstreeks 1381 in de documenten voor. En sinds 1741 komt de naam ‘Wttewaall’ tot heden ten dage voor als bewoners van het landhuis Wickenburgh. Deze tweeledige bebouwing, herenhuis en boerderij bleef tot 1814, daarna werd het achterhuis gesloopt en tussen 1860 en 1870 de voormalige boerderij opgehoogd tot dezelfde hoogte als het bestaande herenhuis. De brand van 1951 heeft een gedeelte, onder andere de gehele zolderverdieping van het landhuis verwoest. Het zwaar verbrande landhuis was aan de noordwestelijke geheel verwoest en daarna is dit gedeelte verder afgebroken. Maar tot zover het landhuis. We laten het voor hetgeen het is, en eerlijk gezegd vind ik het huidige witte landhuis zo gelegen nabij de vijver ook niet zo heel bijzonder, maar de bijbehorende geschiedenis wel. Persoonlijk veel mooier, ja prachtig door zijn oudheid en grauwheid is het wat dichter bij de weg gelegen zestiende-eeuwse duiventorentje. Op het in 1755 gewijzigd en verbeterd achthoekige dak staat een windvaan met daarin het jaar 1675 aangegeven. Geweldig vind ik de toren. Het is een van de oudste duiventorens uit de regio en gebouwd in verschillende steenformaten. Sinds de middeleeuwen bezat Wickenburgh het recht, een adellijk recht om duiven te mogen houden. Kijk hem daar nu eens staan, onverstoorbaar met korstmossen en muurplanten begroeide stenen, en zijn mooi kleine stenen trap. Twaalf meter hoog is hij, met een doorsnede van vijf meter. Op 4 januari 2006 mocht ik van een familielid, een jonge vrouw die voor het landhuis op het gras liggend in gesprek was met een oudere dame in de duiventoren gaan kijken en wat foto’s maken. ‘Kijk maar of de deur open is, maar doe voorzichtig hoor, volgens mij is het een beetje rommelig in de toren’ waarschuwde zij mij vriendelijk. Over het gras door licht krakende oude verkleurde bladeren, langs duizenden sneeuwklokjes en onder kromme knoesttakkige met klimop omgorde oude beukenbomen liep ik naar de duiventoren. Een spannend gevoel bekroop mij, iets avontuurlijks dat ik nu na jaren de toren eindelijk eens, als de deur tenminste open was, aan de binnenkant kon bekijken. De vijf begroeide traptreden nam ik voorzichtig. Een oud verroest bruinijzeren hangslot hangend aan nog erger vergaande ijzeren beugel in de linkerdikke deurstijl is open. Als het goed was kon ik nu naar binnen. Het drie breedplankige aan de bovenzijde ronde deurtje piepte droog toen ik het voorzichtig met een krakend geluid opentrok. Via de laatste hoge opstap stapte in naar binnen, en stond even stil om mijn ogen aan het half duister, en mijn neus aan de lichte stank van duivenstront te laten wennen. Maar met de rommel viel het allemaal mee, er lagen wat stukken steen en gedroogde duivenstront was aan de binnenkant van de ronde torenmuur schuin oplopend opgehoopt. Door verroeste kleine ijzeren plaatjes met tientallen ronde gaatjes, waarschijnlijk ventilatieroosters, die op enkele plekken in de muuropeningen waren geplaatst stroomde wat karig licht naar binnen, en maakt kleine lichtharpen in het grijs opdwarrelend stof. Nu de deur open stond en buitenlicht naar binnen stroomde, en mijn ogen gewend waren aan het schaarse licht boven in de toren zie ik veel meer. Roodstenen nesthokjes, 317 stuks kwam ik later achter, zijn in de muur aan de binnenzijde van de ronde toren ingebouwd. Voor het oog waren kris kras elkaar kruisende balken te zien bij een blik omhoog in de duiventoren. De vlieggaten begreep ik later waren bewust zo groot of beter gezegd zo klein gemaakt dat de iets kleine veldduiven, de ‘veldvluchters’ dat zijn de kleinere veld- of steenduiven die in de middeleeuwen gehouden werden er wel in konden, maar de wat grotere postduiven niet. Vol verbazing bekijk ik de vele nestplaatsen en het uit dikke balken gemaakt deurkozijn. Een metalen trap stond bijna recht omhoog tegen de laagste bleekhouten balken. Zo goed mogelijk heb ik wat foto’s gemaakt. Ik voelde mij gelukkig dat ik hier zo even mocht rondsnuffelen en alles bekijken, eindelijk was in hier binnen in de toren geweest, prachtig toch ! Duiventorens stonden in voorgaande eeuwen bij kastelen en grote boerderijen. Het ‘duivenrecht’ was toentertijd een recht, dat alléén voor de adel en geestelijken behouden was, om duiven te houden. De grootste bloei was in de 13e en 18e eeuw. Het houden van duiven had twee voordelen. Er werd door de duiven ten eerste natuurlijk mest geproduceerd die als bemesting werd gebruikt op een minder vruchtbare bodem, zoals op zandgronden en ten tweede werden jonge duiven gegeten, of net voor zij konden uitvliegen verhandeld op markten. De duiven vonden voedsel op de akkers van de hardwerkende boeren, wat voor hen natuurlijk schade opleverde, maar voor de heren en adel koste dat natuurlijk niets maar zij plukten zogezegd daarvan wel de vruchten. Ja, Jan met de pet had in vroeger tijden niet zoveel, of beter gezegd niets te vertellen. Je moest zwijgen en ja knikken wilde je niet uit je arbeidershuisje of boerderij gezet worden. De adel en rijken hadden het voor het zeggen. Het is maar goed dat de tijden wat dat betreft veranderd zijn. De aanwezigheid van een duiventoren bij een landhuis, kasteel of boerderij was in vroeger tijden een teken van welvaart en rijkdom. Men mocht één koppel duiven houden per hectare ( 100 bij 100 meter ) grond die zij als land bezaten. Een ‘bunder’ een oppervlaktebenaming van vroeger, en misschien wordt het nu ook nog gebruikt, is over het algemeen, afhankelijk van de streek in Nederland iets groter dan een hectare. Mijn vader gebruikte nog regelmatig de term ‘bunder’. De term ‘bunder’ is uit het Frans afkomstig, van ‘Bonnier’. Voor andere bijbehorende foto’s zie bij Facebook onder ‘Lenie Gerrit Marchal’. m.v.g. Gerrit.

Over een gekochte geit, appels ‘knoken’, en vader als fruitplukker.Ja, soms komen oude herinneringen…ploep zomaar ineens in je hoofd opborrelen. In geen jaren meer aan gedacht. Je was het helemaal vergeten. Tot plotseling, nu ik wat ouder begin te worden iets, belevenissen vanuit je jonge jeugdjaren zomaar in je hoofd naar boven komen. Gek is dat toch. 68 jaar ben ik nu, maar vorig jaar wandelde ik over de Trechtweg, die wij bij ons thuis, en eigenlijk iedereen in Wijk bij Duurstede ‘de Trekweg’ noemden, toen er beelden van vroeger naar boven kwamen, van oude heggen en in bloei staande boomgaarden gelegen in een stil mooi en lieflijk landschap. Lieflijk dat wel, maar er moest in vroeger dagen hard worden gewerkt door de landbouwers, melkveehouders, fruittelers, boerenknechten en arbeiders om het hoofd boven water te houden. Van de vroege ochtenduren tot vaak laat in de avond werd er gewerkt. Wij hadden thuis altijd goed te eten, maar mijn ouders gingen zuinig met hun bij elkaar gewerkt en gespaard geld om. Naast zijn werk had vader, behalve de tuin rondom het huis, nog twee grote moestuinen. Ja er werd hard gewerkt, de 2e wereldoorlog was gelukkig alweer jaren geleden, en bijna iedereen zetten zijn schouders er onder om Nederland weer op te bouwen en om voor zijn eigen gezin te zorgen. Zo ook vader, die hoofdzakelijk buiten werkte en moeder in en om huis. In mijn jonge jaren zie ik haar nog voorovergebogen staan boven de schuimende houten wastobbe en moest ik als jochie haar soms helpen met de in mijn ogen wonderlijke wringer langzaam rond te draaien om de gewassen overalls van vader uit te wringen. Moeder was heel blij toen zij in begin 60er jaren een echte wasmachine kreeg, nou ja gekocht had. Er werd vroeg opgestaan door de landbouwers en veeteelthouders. Als ik nu mijn ogen sluit, hoor en zie ik in gedachten op een kille ochtend, zo omstreeks eind 60er jaren, een puffend trekkertje met rammelende melkbussen bij mijn ouders over de dijk gaan richting de in lichte nevels gehulde Bosscherwaarden, de uiterwaarden, waar de koeien gemolken moesten worden. Hoe mooi konden de mistige uiterwaarden zijn. Als ik in later jaren naar de LTS in Culemborg fietste hing soms in de late herfstdagen een lichte nevel en mist over de weilanden, en zeefden pootloze koeien als donkere vlekken in het ogenschijnlijke niets. Maar over mooi gesproken, als nu anno 2020 rondom Wijk bij Duurstede in het voorjaar de laagstamfruitbomen in bloei staan is dit maar een flauwe afspiegeling van de vroeger bloeiende hoogstamappel- en perenbomen, die op een weelderige wonderschone manier het landschap kleurden. Vol bewondering wandelden en fietsten mensen vroeger, soms van heinde en verre gekomen, door deze zo uitbundige met wit en lichtroze betoverde bloesemwereld, o.a. langs de Trekweg en Wijkersloot. Prachtig, zoals in een sprookje, was dan in het voorjaar dit gedeelte van het Krommerijngebied. Trekweg en Trechtweg, gekke namen eigenlijk. Maar het zit het zo. In Wijk Bij Duurstede begint deze weg als Trekweg, en bij de grensovergang van Wijk naar Cothen veranderd deze naam in Trechtweg. Maar voor het gemak zal ik hierna de naam Trekweg blijven gebruiken. En de herkomst van deze naam, ja wie zal het zeggen ? In vroeger eeuwen was dit de weg van Wijk naar Utrecht, zonder U is het dan Trecht, juist ja, Trechtweg ligt dan voor de hand, maar dit kan natuurlijk ook te simpel gedacht zijn. Utrecht werd vroeger in Latijn ‘Trajectum’ genoemd. Omstreeks het einde van de 10e eeuw veranderde geleidelijk de naam van de stad Trecht in Utrecht. Misschien weten jullie meer, dan hoor ik het wel. Ja oude herinneringen kwamen tijdens het wandelen over de Trekweg naar boven. Hier was ik vroeger, zo omstreeks 1960 – 1962 een paar keer met vader ( Wout Marchal – de wegwerker ) geweest, toen hij voor het waterschap aan het werk was, om weg- en slootbermen en sloten schoon te maken met zijn zeis en een grote brede houten hark waarmee de losgemaaide slootplanten op de kant werden getrokken. Als jochie keek ik verwonderend naar het plots op de slootkant getrokken dieren- en plantenleven zoals spartelende blinkende stekelbaarsjes, zwart glimmende waterkevers, en soms kronkelende bloedzuigers. Hier langs deze slootkanten is mijn aangeboren liefde voor de natuur verder aangewakkerd. Op later leeftijd ging ik in boeken lezen over watervlooien, eencelligen, regenwormen, pissebedden, hooiwagens en kevers etc. Zoals de ook ongewoon grote lichtgroene kikker die vader en ik in dezelfde periode onverwachts vanaf de slootkant in het weidse Wijkerbroek in het slootwater zagen springen ben ik nooit vergeten, en heeft mijn belangstelling voor het leven in o.a. de sloten aangewakkerd. Vader die best wat gewend was, tijdens het schoonhouden van de sloten had nog nooit zo’n grote kikker gezien. Maar sloten schoon maken was zwaar werk, en er zat dan ook geen grammetje vet op vader, één en al spieren, taai en sterk. Toen pa een keer in Utrecht naar het ziekenhuis moest i.v.m. zijn nierstenen, verbaasde het de behandelend arts dat hij zo weinig vet op zijn lichaam had. Het waterschap controleert een paar maal per jaar de sloten en overige watergangen. Mijn broers en ik moesten van pa een paar keer per jaar, in begin 60er jaren op verschillende plaatsen bij ons in de omgeving ( Bij de sluizen, Middelweg- West, Wijkerbroek en langs het ‘onderdijkje’ bij De Noord ) een ongeveer 20 bij 30 cm groot wit papieren vel met punaises aan bomen en speciaal daarvoor bestemde aankondigingsborden goed vastprikken. Met grote zwarte dikke letters stond boven aan dit papier ‘Schouw’ te lezen en daaronder in kleinere tekst een aanvulling van datum en overige gegevens. Dit was een vooraankondiging van een binnenkort uitgevoerde ‘Schouw’ ,een controle door het waterschap of de landeigenaren hun sloten en watergangen goed schoonhielden van planten, zodat er een goede waterdoorstroming kon plaatsvinden. Maar om op de Trekweg terug te komen, wat is het hier in de afgelopen tientallen jaren veranderd schoot het mij al wandelend te binnen. Het smalle stille landwegje van vroeger uit mijn jeugdjaren was breder geworden. Voor auto’s moet je tegenwoordig goed aan de kant van de weg fietsen, of even in de berm gaan staan. Grote tractoren en landbouwmachines en vrachtauto’s geladen met bovenmaatse fruitkisten komen vooral in de oogsttijd het wegje overdenderen. Ik ga, zeker als ik met de fiets ben, even stil staan in de berm voor mijn eigen veiligheid, en wacht bij droog weer in een licht stuivende stofwolk tot de kolos voorbij is gereden. Maar vroeger toen ik nog een jochie was, ja hoe oud zal ik zijn geweest, tien jaar ? Ik zou het verrek niet precies meer weten, maar in ieder geval voor 1 januari 1965 was ik met vader bij Kees van de Vliert geweest. Kees woonde vanaf de Steenstraat komende hier aan het begin van de Trekweg in een aan de rechterzijde van de weg tussen fruitbomen gelegen boerderijtje. Ja juist daar waar nu de kinderboerderij is. Maar waarom voor 1 januari 1965. Nou tot die datum werkte mijn vader als ‘wegwerker’ bij het ‘Waterschap onder Wijk bij Duurstede’ voor o.a. het onderhoud van wegen en het schoonmaken van sloten etc. Vanaf 1965 tot zijn pensioen heeft hij bij de gemeente Wijk bij Duurstede gewerkt. Gelijk bij het binnenkomen in de kleine boerderij van Kees stond rechts een houten donkerbruin spinnewiel. Ik had nog nooit een echte gezien, en kende het alléén maar uit sprookjes. Een echt spinnewiel ! Ik wilde hem wel aanraken maar durfde niet, bang dat ik hem zo wie zo niet mocht aanraken, en dat ik in mijn kinderlijke fantasie net als Doornroosje geprikt zou worden, om over honderd jaar, of misschien wel nooit meer wakker zou worden. Hoe vaak zei moeder toentertijd niet met haar rechterwijsvinger op en neer gaand haar woorden kracht bijzettend, voordat wij b.v. een winkel binnengingen, ‘Denk erom nergens met je vingers aankomen’. Moeders voorwaarschuwing zal wel nodig zijn geweest, want o, o hoe verleidelijk en onweerstaanbaar is het niet als kind zijnde om alles even aan te raken en te voelen, vooral als in winkels lekkere snoepjes op kinderhoogte zijn opgesteld. Maar mooi vond ik het spinnewiel wel, en ik ben het nooit meer vergeten. Ja de Trekweg…wat was het toch omstreeks 1960 een stille landweg. Bij de Steenstraat vanuit Wijk beginnend met een in de binnenbocht gelegen kale akker, vanwaar je in de verte de woningen gelegen aan de Zandweg kon zien. Verder liep de Trekweg een beetje slingerend door de vele hoogstamboomgaarden en enkele lange akkers, en voorbij Cothen weidse weilanden, waar het tenslotte bij de Dwarsdijk aansloot en daar eindigde. Als ik als jochie met pa meeging en hij druk aan het werk was de sloten schoon te maken struinde ik, wel door vader in de gaten gehouden, langs de hoge heggen op zoek naar vogelnestjes. Niet om er eieren uit te halen, ik wilde toen wel maar dat mocht ik niet van vader. Hoe spannend was het om vogelnestjes te vinden in de vaak dicht begroeide hoge heggen. Soms pakte vader, als ik een nestje had gevonden, voorzichtig een eitje en liet het mij zien. Prachtig vond ik dat als jochie om zo’n klein teer eitje te bekijken en te voelen. Het woog bijna niets in je hand en wonderlijk dat daar binnenkort een vogeltje uit zou komen, hoe was het mogelijk. Vervolgens legde vader het tere eitje voorzichtig weer terug in het vogelnest. Soms tilde hij mij even op zodat ik in het vogelnest kon kijken. Pa had tijdens zijn werk altijd een oude melkfles, afgesloten met een kurk met een hard geribbelde plastic rand bij zich. De kurk piepte altijd iets bij draaiend lostrekken uit de flessenhals. Deze fles was gevuld met door moeder in de vroege ochtend gemaakte thee, en vooral op warme dagen nam vader af en toe een paar slokken, maar ik had aan één slok genoeg, want de thee was in de loop van de dag koud, donker en bitter geworden, soms liep er na een slok een gruwelrilling over mijn rug. Als ik nu op een topografische kaart uit 1964 kijk valt mij op hoeveel boomgaarden er toen hier langs de Trekweg en Wijkersloot waren. In de Wijkersloot stonden, en staan nu nog mooie en grote boerderijen, maar hier langs de Trekweg zo opvallend weinig. Maar drie ! De boerderij van Kees van de Vliert en een paar honderd meter verderop aan de overzijde van de Trekweg gelegen boerderij van Imker van Dam, en aan het eind bij de Dwarsdijk de mooie boerderij van Niek van Rijn, dat was alles. Mocht ik iets vergeten zijn laat het mij als jullie willen even weten. Kijk maar eens op oude landkaarten, hoe landelijk het hier in deze omgeving was. Donderdag 24 september 2020 ben ik nog eens over de Trekweg gefietst, tjonge jonge wat een bebouwing is hier in de loop der jaren bijgekomen. Mooie gebouwen, maar ook oerlelijke dingen, wat ten koste gaat van het ooit zo mooie landschap. Wat zal het in de toekomst worden ? Ik hou mijn hart vast. En ach ja vroeger gebeurden hier er ook wel dingen die nu nooit meer plaats zouden vinden. In de jaren 50, zo hoorde ik een bewoner uit deze omgeving vertellen, moest in opdracht van Gemeente Cothen, Gart van Zetten de vader van Ben en Jan, de Trekweg, toen nog een onverharde grindweg na een lange droge periode met afgewerkte olie besproeien en daarna slepen om opwaaiend stof en verstuivingen tegen te gaan. Nee nu zou zoiets nooit meer mogen, en terecht. Het zijn oude ontgingingen hier in deze omgeving, komende vanaf Wijk vanaf de Steenstraat, liggen rechts ‘De Neder Noorderwaard, Oude Wetering, en aan de linkerzijde ‘Langslag en Nieuwland. Vervolgens doorsnijd de Trekweg richting Cothen ‘Opveld, Middelveld, en Uitveld als laatste tot aan de Dwarsdijk. Vaak zijn de ontginingsgebieden herkenbaar aan de richting van de sloten. Maar de Trekweg doorsnijd een reeds in vroeger tijden gemaakte verkaveling, tenminste daar lijkt het op. Is de Trekweg dan een ‘jonge’ weg ? Sinds 1380 komt de naam van deze weg als ‘Trechtwedh’ regelmatig voor. Wie weet meer ? In voorgaande eeuwen leefden de mensen hier in deze omgeving hoofdzakelijk van de landbouw, maar na de landbouwcrisis van eind achttiende eeuw besloten veel bewoners over te gaan op vee- en fruitteelt, en zo is het hier tot op de dag vandaag nog gebleven. O ja de Dwarsdijk, dat mooie buurtschapje, het heeft iets knus, iets gemoedelijks. Het zijn oude gronden, en een oud landschap is het hier. De ‘Smidsdijk’ en de ‘Kapelleweg’ Waar komen die namen toch vandaan ? Hier aan de Kapelleweg heeft in voorgaande eeuwen een kapel gestaan. Op een oude kaart van Cornelis van Berck uit 1562 staat de kapel, hier aan de Dwarsdijk gelegen aangegeven, vandaar de naam. In 1375 komt voor het eerst de naam van deze kapel, behoren bij de parochie van Werkhoven, voor in de oude documenten. Maar waarschijnlijk is deze kapel wel eerder gebouwd. In de 18e eeuw is deze kapel gesloopt. Eveneens op de kaart staat tegenover de kapel ‘die Smit’ vermeld en als gebouwtje aangegeven, naar aanleiding hiervan heet de weg hier Smidsdijk. De Dwarsdijkse wetering werd in de 11e eeuw gegraven als uitwatering van het Wijkerbroek. Hier aan de Dwarsdijk heeft vader, ik weet het nog, omstreeks 1964 bij Wout van de Weerdhof en zijn vrouw Sientje een geit gekocht. Ik was hun namen vergeten, maar Wim van Amerongen, de schrijver van de prachtige boeken over Wijk bij Duurstede en omgeving, is aan de Dwarsdijk opgegroeid en via hem ben ik achter de namen van Wout en Sientje gekomen. Wout en Sientje gingen bijna dagelijks naar de Ossenwaard, naar het ‘Land’ of naar de ‘boomgaard’ zoals zij dat noemden waar hun geiten graasden. De thermoskan gevuld met weinig koffie maar met veel geitenmelk ging altijd mee. Men was zuinig in die dagen. Vanuit hun geitenschuur achter hun huis aan de Dwarsdijk, gelegen in de schaduw van een aan de linkerzijde staande grote notenboom liepen wij, als ik het goed heb onthouden, vader mijn oudste broer Wout en ik, met de gekochte geit in de open handkar richting ons huis, gelegen aan de Sluis Zuid 2 in Wijk bij Duurstede. Het was voor mij als jonge jongen een hele tippel. Waar toentertijd de Trekweg, Dwarsdijk en Smidsdijk en Kapelleweg, bij de boerderij van Niek van Rijn bijeenkwamen liep door de boomgaard een karrespoor, ‘De Steeg’ richting de Wijkersloot. Niek verkampte zijn koeien via dit karrespoor, ‘de Steeg’ van en naar zijn boerderij en het van hem in de Wijkersloot gelegen weiland, zo wist Jan van Zetten het mij nog te vertellen. Ik ontmoete Jan tijdens een fietstocht donderdag 24 september 2020 voor zijn boerderij in de Wijkersloot. Hij was moeilijk te verstaan, maar toch kon hij nog wat mooie dingen vertellen van vroeger. Jan en zijn iets oudere broer Ben waren vroeger hard werkende mannen. Bij vader hadden zij in de 60- en 70er jaren dagenlang met een grote cirkelzaag, die achterop hun trekker geplaatst was boomstammen en takken in kloofbare houtblokken gezaagd. Vader kocht ik dacht voor 25 gulden gerooide populierenboomstammen en takken van de bomen die bij ons voor het huis aan de Sluis Zuid in Wijk bij Duurstede gerooid werden. Bij ons naast het huis lag soms een rij te verzagen boomstammen en dikke takken, tussen de perenbomen opgestapeld, van tien tot twintig meter lengte en ongeveer twee meter hoog. Maar om weer even op de gekochte geit terug te komen, of wij met de geit in de kar over dit karrespoor bij de boerderij van Niek van Rijn of via De Trekweg en Spiegelweg richting de Wijkersloot zijn gelopen weet ik niet meer. Via ‘De Steeg’ was wel de korstte weg. Gezamenlijk wandelden wij door de Wijkersloot langs grote boerderijen soms verscholen achter dikke hoge bomen en omgeven door hoogstamboomgaarden en enkele weilanden. Langs het kleine boerderijtje van Mans of Mels ( Melchior ) Elberse, de grote boerderijen van Piet en Jan Vernooij, waar vader in de oogsttijd wat extra bijverdiende door appels, peren en kersen te plukken. Bij de prachtige op een soort kasteelachtige omgrachte boerderij ‘De Vogelpoel’, van Fam. van Bemmel vertelde pa dat hier in de 2e wereldoorlog nog mensen waren ondergedoken. Er is een mooie gedenksteen in de boerderij ingemetseld. Via de rare bocht in de Wijkersloot kwamen wij bij de grote boerderij ‘De Stijgbeugel’ waar Fam. Nell woonde en gingen vervolgens rechtsaf het Huppelpad ( Euvenpad ) op. Hé, daar liep even verderop Piet Nell zoals bijna altijd met zijn kruiwagen, ‘Alles goed Piet ?’ vroeg vader tijdens het voorbij gaan. Piet, de altijd vriendelijke goedlachse Piet zei niets maar knikte van ‘ja’ en keek ons vanachter zijn kruiwagen lang na, waarschijnlijk vond hij het vreemd om ons zo te zien gaan met de geit in de handkar. Wij liepen verder langs weilanden en links achter een hoge heg verscholen boomgaard van ‘van de heiligenberg’ bij ‘De Galg’ waar de vier rode pannenhuizen staan. ‘De galg’, wat een gekke naam vond ik dat vroeger. Zou hier in vervlogen tijden een galg hebben gestaan ? Ja zeker. Hier in de nu door de nieuwbouw verdwenen boomgaard van ‘van de Heiligenberg’ heeft een galg gestaan. Ongeveer waar nu het ‘Anker’ is in Wijk bij Duurstede. ‘Euvel’ en Uvil’ betekende vroeger zoiets als slechteriken en misdadigers. Het Euvenpad was dus een pad van misdadigers, die in vroeger dagen over dit pad naar de galg gebracht werden om te worden opgehangen. Vaak bleven de dode lichamen, met door vogels uitgepikte ogen, dagen en wekenlang hangen als voorbeeld voor de bevolking om vooral maar op het rechte pad te blijven. Maar wij, vader, Wout en ik gingen bij ‘de Galg’ waarin het hoekhuis Fam. Maarseveen woonde rechtsaf de Middelweg over naar de hucht, de beklinkerde oprit naar de Irenesluizen. Hier links halverwege de hucht woonde toen Henk Marchal met zijn gezin. Het was geen familie van ons. Zo af en toe kwam hij wel eens bij ons thuis. Hij kon lullen als ‘Brugman’ en zei dan vaak aan het eind van de avond alsof hij het bijna vergeten was, maar wat wel het doel van zijn bezoek was’ O ja voor ik het vergeet, zou één van de jongens een avondje op onze kinderen willen passen’. Mijn oudere broer Henk en ik hebben daar in de loop der jaren diverse avonden in het houten huisje opgepast als Henk met zijn vrouw achterop hun bromfiets ergens op bezoek gingen. Maar wij waren bijna thuis met de geit. Poe poe het was een hele wandeling geweest. Hup vooruit met de geit, de boomgaard in. De volgende dag mocht Jan mijn jongste broer van ongeveer anderhalf jaar, vastgehouden door vader even op de gekochte geit zitten. In de jaren daarna had vader een stuk of vijf geiten. Soms eigenwijze beesten. Ik als schooljongen, ik zat op de LTS in Culemborg, moest voor ik na school ging soms vijf geiten vanuit de schuur in de wegberm voor het huis zetten. Als stronteigenwijze 13 jarige puber had ik daar niet altijd zin in. Eén voor één buiten zetten duurde mij te lang. Hup, alle geiten aan de ketting gedaan, pennen in ene hand en alle vijf kettingen in de andere hand. Hup.. hup de schuur uit, kom op stugge witharige mormels, eigenwijze stinkbeesten. Maar je voel hem al aankomen, de vijf geiten op weg vanuit de schuur over het graspad langs ons huis naar de wegberm gingen door elkaar lopen en sprongen over elkaars kettingen. Gloeiende gloeiende, eigenwijze stinkende strontbeesten. In mijn nog eigenzinniger puberkop dan de geiten, kon ik ze wel wat. Maar uiteindelijk kwam het wel goed, Stuk voor stuk een geit aan een ketting met een lange ijzeren pen, met je schoen of laars in de grond vaststampend, goed vastgezet in de berm, oppassend dat zijn loopcirkel niet op het landwegje kwam. Mijn schooltas gepakt om op de fiets de 10 kilometer naar de LTS in Culemborg te fietsen, door weilanden, boomgaarden en lange stukken rivierdijken. Zomer en winter, van maandagmorgen tot zaterdagmiddag 12 uur. Dan zat de schoolweek erop. In de zomerdagen was het vaak heerlijk weer op de bijna autoloze dijken en wegen. Maar op troosteloze sobere dagen trok een druilerige regen traag over het land, en werd je als je, je regenpak was vergeten zeiknat. En af en toe waren er ook donkerwolkige hemelluchten met striemende regenbuien die de regen in vlagen komende van het vlakke land over de rivierdijken deed jagen en jakkeren. Met je hoofd afgekeerd van de regenvlagen, schuin op de fiets hangend in de jagende wind trapte wij als schooljongens huiswaarts. Verschillende keren heb ik op streng winterse dagen door sneeuw en hagel over de dijken naar huis gefietst, met muts op, en handschoenen aan. Maar ook wel eens verkleumd en met gevoelloze vingers thuis gekomen om bij moeders warme houtkachel gezeten bij te komen, met tranen in mijn ogen, als mijn vingers bij de kachel tijdens het opwarmen vreselijk begonnen te tintelen. Er waren ook mooie stille winter- en herfstdagen. Aan vaders schuur hingen in strenge winters aan de dakgoten soms lange glimmende ijspegels. In de vroege winterochtenden als je op de fiets stapte, prikkelde de winterse kou in je neusgaten en begonnen je ogen te tranen bij het kijken naar de ontelbare kristalglinsteringen in de bevroren sneeuw. Het was dan zwaar trappen op je fiets door de dikke sneeuwlaag die de landwegen en wereld wonderschoon bedekte. In de uiterwaarden liepen tijdens de opkomende zon in het zachte strooilicht pootloze koeien in de laaghangende nevel die traag opkroop vanuit de Lek. De stille serene rust hangend over het wijde land werd soms onderbroken door een diepdonkere misthoorn van een onzichtbaar schip, die in de nevel of mist met aangepaste snelheid over de Lek stroomopwaarts vaarde. Maar terug naar mijn jeugd zo omstreeks 1962. In het najaar in de oogsttijd van appels en peren, gingen veel wijkenaren ‘appels knoken’. Als tijdens het plukken in de hoogstamboomgaarden, zoals in de Trekweg, appels naar beneden vielen in het gras onder de bomen, mochten mensen, en dat waren merendeels langgerokte huisvrouwen en hun kinderen, deze oprapen en voor niets mee naar huis nemen. Thuis maakten de vrouwen daar heerlijke appelmoes en ‘hete bliksem’ van. De fruitplukkers zag je toentertijd regelmatig van hun lange houten leren uit de hoge fruitbomen met volle plukschorten naar beneden komen en hun appels, voorzichtig tegengehouden door hun ene hand, met een roffelend geluid in grote houten veilingkisten leeggooien. Vaders plukschort heb ik nog, en bewaar hem dierbaar in mijn boekenkamer. Ikzelf heb waarschijnlijk als jochie met mijn oudere broers en zus appels ‘geknookt’. In gedachten zie ik de vrouwen en hun kinderen nog voor mij, voorovergebogen de tussen het gras liggende appels oprapend, snel al ronddraaiend bekijken of zij niet rot of te veel beschadigd waren om ze vervolgens in hun op de rug gebonden en aan de voorkant omhoog gehouden keukenschort te verzamelen. De vol geraapte schorten werden dan even later geleegd in meegenomen boodschappentassen. Het was onder de fruitbomen een gezellig Wijks gebabbel, geklets en geroddel tussen de huismoeders en hun kinderen. Met volgeladen fietstassen en aan het fietsstuur hangende boodschappentassen vol appels en peren fietste de moeders met hun kinderen huiswaarts richting Wijk of Cothen. Jarenlang heeft vader in zijn vrije uren fruit, o.a. appels en kersen geplukt bij o.a. Jan en Piet Vernooij en Toon van Bemmel ( De Torenboer van boerderij ‘De Vogelpoel’ ) in de Wijkersloot in Wijk bij Duurstede. Soms ging ik wel eens met vader mee, wijdbeens zittend, achter op het rekje van zijn fiets waar aan iedere zijde een grote fietstas hing. Alléén dan zag ik niet zoveel behalve vaders brede en hoge rug. En hoe vreemd was het om tijdens het fietsen de in en uit verende metalen veren te bewonderen onder vaders leren fietszadel. Mijn ogen werden er naar toe getrokken. Zou ik proberen mijn vinger er even snel tussen te houden om vervolgens zo snel mogelijk weer terug te trekken, dacht ik wel eens. Het was in mijn kinderogen een spannend moment.. hup snel mijn vinger even tussen de zwart koudijzeren veren, gelukkig het ging goed…nog een keertje hup…auw, dat deed even pijn in mijn vingertop als de veren onverwachts samentrokken door een hobbeltje in de weg. Met een verbeten gezicht met mijn tanden op elkaar zakte de pijn gelukkig weer vrij snel weg. Ik heb er een aantal weken een verkleurde nagel aan over gehouden. Vader had niets door en keek af en toe even over zijn schouder naar mij of alles goed ging, hoogstens zij hij ‘zit niet zo te wiebelen’ als ik wat onrustig werd bij in mijn ogen een lange fietstocht, zoals van het einde van de Wijkersloot waar o.a. Ben en Jan van Zetten woonden tot aan ons huis bij de sluizen. Soms, en dat vond ik eigenlijk mooier mocht ik op de stang zitten van vaders fiets. Met mijn benen, meestal aan de linkerzijde van de stang hangend, en mij vasthoudend van vaders fietsstuur kon ik wat van de omgeving zien. Alléén op deze manier ging mijn kont en bovenbenen na een poosje pijn doen van de smalle ronde stang. Maar het uitzicht was mooi, en ik was trots om bij vader voorop de fiets te mogen zitten. Prachtig was het als tijdens zo’n fietstocht de vele hoogstamboomgaarden in b.v. de Trekweg en Wijkersloot in bloei stonden. Er was een weelde aan wit en lichtroze bloesem. Als kind zijnde sta je er op dat moment niet zo bij stil, je denkt dat de wereld voor altijd wel hetzelfde zal blijven, De bloeiende boomgaarden, het stille land met zijn kleine en grotere boerderijen, maar jaren later als de beelden vanuit je jeugdjaren weer naar boven komen besef je pas hoe mooi het toen was, en hoe de wereld is veranderd. Piet Vernooij, een in mijn kinderogen altijd goedlachse vriendelijke man, één van de fruittelers in de Wijkersloot, waar vader regelmatig fruit plukte had omstreeks 1962 in het deel van zijn grote boerderij een hond met jongen. Ach wat vond ik ze leuk en lief. Op een dag zei vader ‘Kies er maar eentje uit, je mag er eentje hebben’. Met een kloppend, dankbaar hart koos ik een hondje uit die wij thuis aangekomen Teddie noemden. Wat was het een lieve hond. Jarenlang hebben wij thuis plezier van haar gehad, en altijd ging zij mee op onze avonturen en struintochten door weilanden, boomgaarden en uiterwaarden. Tijdens een storm waren omstreeks 1965, ik was 13 jaar, in de fruitboomgaard naast en achter de boerderij van Piet Vernooij veel appels uit de bomen gevallen, en de boomgaard lag bezaaid met o.a. goudrenetten. Voor Piet zal dat als fruitteler een flinke schadepost zijn geweest, maar daar stond je als jonge jongen niet bij stil. Voorover gebogen kon ik de appels oprapen en in de achter mij aanslepende fruitkist verzamelen. 25 cent kreeg ik per kist. Ik weet het nog, en dat was toen in mijn ogen een heel bedrag. 13 kisten had ik opgeraapt. 3.25 gulden had ik verdiend, zo was het maar net, ik was trots op mijzelf. Tijdens de kersenpluktijd ( ‘Karsenbouw’ op z’n Wijks ), was het een drukke maar gezellige tijd in de boomgaarden. Oudere jongens, de ‘heuers’ liepen al schreeuwend, heuend de spreeuwen wegjagend door de boomgaard. Met kleine of grote houten ratels probeerden zij het ongewenste vogelvolk te verjagen. Ik kon met pijn en moeite de grote zware houten ratel één of twee keer omdraaien. Met de veel kleinere handratels ging het ronddraaien een stuk makkelijker, al kreeg ik na een poosje wel last van mijn pols. Tot mijn verbazing liepen toen jongens van een jaar of 15, in mijn kinderogen wel grote jongens stoer met rokende peukies in hun mondhoeken door de kersenboomgaard. Vanuit de hoge uitkijkpost gemaakt op in mijn ogen immens hoge houten palen, met uitzicht over de kersenboomtoppen, hingen lange ijzerdraden in verschillende richtingen over en tussen de kersenboomtoppen. Met wat los grind gevulde blikken hingen aan deze draden. Bij een aanval van spreeuwen werd door de ‘Keerder’ van uit zijn hoge uitkijkpost geschreeuwd en verwoed aan de draden getrokken waardoor de bussen begonnen te rammelen, met de hoop en bedoeling de spreeuwen weg te jagen. Soms liep er wel eens iemand met een open geplakt jachtgeweer door de boomgaard, speurend naar al te moedige spreeuwen die de Kersenkeerders negeerden. Rondom de ‘keet’ of ‘hut’ was het altijd gezellig en druk. Daar werden de kersen gesorteerd ‘wrakken’ door bijna altijd babbelende vrouwen, die vaak een keukenschort droegen. Hier was altijd wel wat te doen. Stapels lege en vooral volle kersenkistjes stonden opgestapeld. Eén van de klusjes was geribbelde papieren bodems en strookjes ter bescherming van de geplukte kersen in de kistjes te doen. Maar na tien kistjes gedaan te hebben had ik het wel gezien. Heerlijk waren de sappige glimmende diepdonkere bijna zwarte kersen. En mocht je twee kersen met de steeltjes aan elkaar vinden dan hing je deze een poosje aan je ene oor, en ze vervolgens even later toch maar lekker op te eten. Gelukkig heeft moeder nog een paar foto’s bewaard van vader tijdens het appels- en kersen plukken bij Jan of Piet Vernooij. Wie de foto’s heeft gemaakt wist moeder niet meer, waarschijnlijk fam. Vernooij. Verder nog een aantal door mijzelf in de loop der jaren gemaakte foto’s. OP bijgaande foto zit vader in de middelste rij geheel links en zijn broer Theus of Teunis Marchal iets meer naar rechts met zijn beide handen op zijn bovenbenen. Voor meer bijbehorende foto’s zie bij Facebook: Lenie Gerrit Marchal. Hartelijke groeten, Gerrit Marchal, De Wijkse Zwerver. Emailadres: helenah51@hotmail.com

Op 29 oktober 2008 was ik in het Buurtschap ‘Steenen brug’ gelegen tussen Neder- en Overlangbroek, foto’s aan het maken van de oude boerderij van Gart van der Zand. Een mooie omgeving, en de geboortestreek van mijn voorouders, van enkele generaties terug. Mijn ouders, en meerdere voorouders, en mijn jongere broer Johan, tante Jans en ome Theus / Teunis Marchal, zijn hier begraven op de begraafplaats in Nederlangbroek. Ik was enige jaren geleden nog bij Gart binnen geweest, in zijn oude boerderij met zijn rijke geschiedenis. Gart stond in zijn kleine boerderijkeuken krom gebogen over zijn op meerdere plekken rokende oude houtkachel. Waarschijnlijk was het gestookte hout nog niet helemaal goed droog, omdat er rokerige pluimen uit enkele scheurtjes, en kieren van de houtkachel kwamen, en ook langs de kachelringen in het keuketje omhoog kronkelden. Gart stond mopperend voorovergebogen, met een horizontale rug stevig te hoesten en te kuchen, en het kleine keukentje van zijn boerderij vulde zich met een keelkriebelende rook. Gart had met een paar houtjes geprobeerd, de plekken waar de rook op ongewenste plekken vanuit de kachel in het keukentje kwam, dicht te stoppen. Maar het was een mislukte poging, en in mijn ogen ook een gevaarlijke poging, omdat de in de kachel gedrukte houtjes zouden kunnen gaan branden. Toen ik hierover wat zei, liet Gart, op een opgetrokken wenkbrauw, mij opzij aankijkend weten dat het wel goed ging, en met een blik van ‘bemoei je er niet mee, ik doe dit al tijden zo’. Waarschijnlijk ging het toch niet zo hij het gewild had. Ik bemoeide mij er verder maar niet mee, en dacht ik kan beter m’n kop maar houden. Op het granietenaanrecht stonden een paar omgekeerde borrelglaasjes en lag er wat los geld naast. Ik had even te voren, van de toch wel vriendelijke Gart begrepen, dat mensen, hier uit de omgeving gewoon zijn boerderij konden binnenlopen, ook al was hij niet thuis, zichzelf konden bedienen. In de koelkast stonden een paar drankflessen. De klant kon zelf de borrelglaasjes volgooien en leeg drinken, en daarna onder de kraan schoonspoelen, en weer op zijn kop op het aanrecht terugzetten. Het verschuldigde bedrag werd daarna, in alle eerlijkheid op het aanrecht gelegd, waarna de klant de boerderij weer verliet. Maar de rook begon inmiddels ook in mijn keel te kriebelen, en na Gart gedag te hebben gezegd, ben ik maar naar buiten gegaan en verder gaan fietsen. Gart heb ik verder maar alleen te gelaten in zijn strijd met zijn oude kachel, met de geruststellende gedachte, zoals hij al zelf aangaf, al tijden ervaring mee had. Toch was de inmiddels overleden Gart een mooie kerel die, zo vertelde hij, niet zo nauw naar houdbaarheidsdatums van etenswaren keek, en een aan de buitenzijde wat beschimmeld worstje aan zijn overall broekspijpen afveegde, en gewoon opat. Maar om even weer terug te komen op bijgaande foto van het meisje met haar hond. Tijdens het fotograferen van de boerderij van Gart, raakte ik in gesprek raakte met dit aardige meisje met haar hond, die zij aan het uitlaten was. Zij vroeg vriendelijk wat ik aan het doen was, en of ik Gart had gekend. Als iemand weet wie zij is, kan ik haar de drie, van haar, en haar hond gemaakte foto’s toesturen. Misschien vind zij dat wel leuk. In de jaren 90 heb ik nog eens een tekening van de boerderij van Gart gemaakt. Op de dakpannen van de vol scheuren zittende hooibergschuur groeien prachtige bijna dakpanbreede gele korstmossen. Met vriendelijke groet, Gerrit Marchal. Telefoon: 06 23431253. Emailadres: helenah51@hotmail.com

De Langbroekerwetering bij de voormalige boerderij ‘Het Wolvengat’ tussen Neder- en Overlangbroek. Vrijdagmiddag in de milde regen. 22 Mei 2020.

Wat leuk om naar te kijken. Bij boerderij B 16 langs de Langbroekerdijk, tussen Neder- en Overlangbroek waren kleine geiten lekker aan hollen. Vrijdagavond 22 Mei 2020.

Op de Brink 5, in Nederlangbroek is in de deur van de woning een fraai siersmeedwerk te zien. Vrijdagnamiddag 22 Mei 2020.

Even gezellig een praatje maken op de Gooyerdijk. ‘Wij houden wel wat afstand zo met de corona’ hoor ik de man met de blauwe jas zeggen. Beste mensen, als jullie de foto willen hebben stuur mij ( Gerrit Marchal ) even een mailtje naar: helenah51@hotmail.com. Dan stuur ik hem naar jullie toe.

Waar is de droomstille Langbroekerdijk van vroeger gebleven ? Donderdag 16 April 2020.

Vier meiden dobberen lekker in een bootje in Nederlangbroek. In de verte de kerk van Cothen. 16 April 2020. Meiden als jullie de foto willen hebben, stuur mij ( Gerrit Marchal ) dan even een berichtje, naar helenah51@hotmail.com Dan stuur ik de foto naar jullie.

De mooie stille Groenesteijnsesteeg in Nederlangbroek. Ik ben blij dat er nog een paar van dit soort onverharde paden en stegen zijn overgebleven uit vroeger tijden. Laten wij er met z’n allen zuinig op zijn. Ook in de herfst is het hier prachtig, met zijn gedeeltelijk scheef weggezakte bomenrij, en in dit jaargetijde prachtige kleuren, en bijzondere paddestoelen. Donderdag 16 April 2020.

Sandenburg, gezien vanaf de Sandenburgerlaan in Nederlangbroek. Donderdag 16 April 2020.

Walenburg in Nederlangbroek omstreeks 1920. Als wij, ( Vader – Wout Marchal, en ik ) Ik, gezeten achterop het rekje van vaders fiets met mijn benen in zijn grote fietstassen, zo omstreeks 1960 over de Langbroekerdijk, richting Langbroek reden, vertelde vader dat daar bij de oude toren, verscholen achter de hoge bomen, zijn neef Evert woonde. Ze noemen hem de ‘De Spekroker’ zo vertelde vader. Evert heeft in de loop der jaren honderden worsten, hammen en spek gerookt ( met berkenhout ) in de oude toren. Als kind zijnde vond ik wat vader vertelde best wel spannend. Ik dacht toen, als ik later groot ben ga ik bij de toren kijken. Dat heb ik in later jaren ook gedaan, maar Evert woonde er jammer genoeg niet meer. De woningen en de toren waren gerestaureerd. Maar is er nog iemand die misschien nog oude foto’s heeft van Evert ? Ik zou het fijn vinden, als ik daar een kopie van zou mogen maken. Zo ja, dan zijn dit mijn gegevens: ( Gerrit Marchal ) Tel. 06 23431253 en mijn Emailadres: helenah51@hotmail.com In ieder geval alvast hartelijk bedankt. Bijgaande foto komt uit een familiealbum uit omstreeks 1920. Ik ben hap snap nog steeds aan het uitzoeken van wie dit album ooit is geweest.

Dit mooie hek staat naast Molenstein, gelegen aan de Langbroekerdijk in Nederlangbroek. Wat is het altijd heerlijk om hier in deze omgeving te wandelen en te struinen, over soms nog stille paden. 29 Okt 2008.

Bloemenpracht. Het pad naar de akker. Langbroekerdijk in Nederlangbroek. Vrij 5 juli 2019.

Langs de Langbroekerwetering.

Koeien langs de altijd mooie Langbroekerwetering.

Langs de Langbroekerwetering. Vrijdag 5 juli 2019.

Nieuw leven langs de Gooyerdijk in Doorn, Ma 15 april 2019.

Langs de Langbroekerdijk in Nederlangbroek, Ma 15 april 2019.

Mooie boerderijen langs de Langbroekerdijk, Ma 15 april 2019.

Oude bloeiende perenhoogstambomen langs de Langbroekerwetering, Ma 15 april 2019.

Het poortgebouw van het Landgoed Sandenburg in Nederlangbroek, Ma 15 april 2019.

Langs de Langbroekerdijk, Ma 15 april 2019.

Overlangbroek vanaf de Zuwe, Ma 15 april 2019.

Wasdag langs de Langbroekerdijk, Ma 15 april 2019.

Heerlijk zwerven langs de Langbroekerdijk, Ma 15 april 2019.

Langs de Langbroekerwetering, Ma 15 april 2019.

Langs de Langbroekerwetering, Ma 15 april 2019.

Langs de Darthuizerweg in Leersum, Ma 15 april 2019.