Categorie: Mensen

Donderdag 12 mei 2022, de vorig jaar gemaakte en beloofde foto’s bij Alex Kosterman gebracht. Wat woont hij daar mooi in de voormalige boerderij en bakkerij, aan de voet van de dijk in Ravenswaaij. Het kleine dorpje zo knus gelegen aan de kronkelende Rijn in het mooie Betuweland. Met een lieflijk en landelijk uitzicht over de uiterwaarden, waar zwart-wit gevlekte koeien drinken uit, door de droogte van de laatste weken, laagstaande drinkpoelen. Rechts in de verte, over het donkerblauwe kronkelende waterlint van de Lek, ligt half verscholen, achter het bomengroen Wijk bij Duurstede, mijn geboortestad. Met zijn kasteel -, kerktorens, de molen ‘Rijn en Lek’ en veilig achter de walmuur staande rode dakpanhuisjes, kijken over het rivierenland. De witte veerpont en bijbehorend prachtig veerhuis steken fel af tegen het kasteelbos, waar zachtwitte sluierwolkjes traag langs het hemelblauw schuiven. Hier proef je nog een vleug van stilte en rust zoals in vroeger dagen. Alex, een oud Wijkenaar, is een vriendelijke en gastvrije man, een aardige kerel, een verzamelaar van alles en nog wat. Toen Lenie en ik bij de woning van Alex kwamen was het grote houten hek, beneden aan de afrit, afgesloten met een verroeste ketting en bijbehorend hangslot. Leentje rammelde een paar keer aan het belletje wat schuin over een van de helspijlen hing. Het schelle minikerkkolkjesgeluid zweefde over de nabije omgeving, maar er verscheen niemand, alléén een paar kippen hoorden wij kakelen en de witte duiven op één van de vensterbanken vlogen vleugelklapperend in hun verstoorde middagrust weg, om even later weer op de nok van de woning te landen. Wij besloten maar een stukje over de dijk te gaan wandelen. Na enkele honderden meters wandelen kijkt Leentje met haar hand boven haar ogen in de verte ‘Kijk, volgens mij loopt daar Alex met zijn hond’ zegt zij mij aankijkend. En ja hoor gelijk heeft zij. Even later, al wandelend komen wij bij elkaar en ik zeg tegen Alex dat ik zijn beloofde foto’s kom brengen. ‘O … wat leuk, lopen jullie maar even mee dan gaan wij gezellig een bakkie thee drinken’ zegt Alex op zijn Wijks. Spike de hond wil graag links en rechts in de berm van de dijk nog even wat snuffelen en kleine plasjes doen. ‘Ga maar ergens zitten’ zegt Alex naar een paar stoelen wijzend als wij bij zijn woning zijn aangekomen, dan ga ik wat te drinken maken. Onder het genot van een door hem ingeschonken kopje thee hebben wij gezellig gebabbeld over o.a. oud Wijkenaren en hun bijnamen ( zoals, de Schapenneuker, Luisje, Kromme Krein, Zwabberbil, Bets Floep, Zus Zurekool, Bolle jaren, De staande schijtert, Lammertje vetlul, De éénkloot, De boze geest, De kontekrabber etc. ), en dingen vanuit onze jeugd, terwijl Spike trouw en waakzaam aan onze voeten bleef liggen. ‘Er zit nog een oude oven, ergens uit achtienhonderdzoveel, hier in de voormalige bakkerij, ik laat jullie hem straks wel even zien’. Na de twee kopjes thee neemt Alex ons mee zijn woning in, om de oude bakoven te laten zien. In een woonkeuken staat al 15 jaar een volledig ingericht kerstboompje. ‘Het is toch gezellig zo’n boompie!’ laat Alex ons weten. In één woonkamers bukt Alex onverwachts en pakt verbazingwekkend mooie en zorgvuldig gemaakte houten wagens, karren, koetsen en bijbehorende paarden uit een kastje. Vol bewondering bekijken Leentje en ik de door Alex gemaakte houten modellen. In één woord ongelooflijk, wat een geduldig kunstenaar is deze man. ‘Mooi toch’ zegt Alex lachend en bescheiden ingetogen trotsheid. Net als de reeds jaren opgestelde kerststal in een oud konijnenhok in de tuin hij mooi vind. Een prachtkerel ! Ik mag hem wel die Alex. Mensen zoals hij brengen kleur in het leven. Een oude woonwagen, die hij ooit nog van plan was op te knappen, zal één deze weken opgehaald worden. Ik denk dat ze daar een flinke kraan voor nodig hebben om het gevaarte vanuit de tuin onderaan de dijk, boven op de dijk, op een wagen te takelen. ‘Ik bel je wel even van te voren, dan kan je foto’s komen maken’ laat Alex mij weten. Na een aai over de kop van Spike de hond nemen wij afscheid van Alex. Een bijzondere, maar vriendelijke en gastvrije man. Een vrije vogel die zoveel kleur aan het leven geeft. m.v.g. Gerrit.

Mevrouw Annigje De Greef – van Zijtveld, boerin in hart en nieren is overleden. Achtienhoven, 27 mei 1929 – Groenekan 30 december 2021. Het is stil in de kleine boerenkamer van mw. De Greef, wonende aan de Nieuwe Weteringseweg 175 in Groenekan. De koekoeksklok heeft in geen jaren enig teken van leven gegeven. De kleine deurtjes, waarachter de Koekkoek zich verschuilt, zijn evenlang niet zoals gewoonlijk onverwachts geopend, waarna het kleine houten vogeltje plots naar voren schiet en zijn roep doet klinken in de stilte van de boerderij, het uur van de dag aangevend. De sparrenappelvormige gewichten hangen, sinds ik hier jaren geleden voor het eerst binnen kwam, op dezelfde onderling verschillende, verstarde hoogte. Ons kleinkind Enzo, die ik af en toe eens meenam, naar de bijna altijd in een donkerblauwe overall geklede boerin, keek altijd vol verwachting, met een sprankeling in zijn ondernemende kinderogen, naar de stil onder aan de klok hangende dunne kettingen, in de hoop dat hij hieraan zou mogen trekken, met de verwachting dat de klok weer zou gaan tikken, en het koekoeksvogeltje, net als in het bos, zijn roep zou laten horen. Ik had hem verteld van het kleine vogeltje, verborgen achter de deurtjes in de klok. Zijn rechterarm omhoog houdend liep hij richting de hoog hangende klok. ‘Doe dat maar niet Enzo, anders trek je misschien nog de hele klok van de muur’ waarschuwde ik hem bezorgd. Gelukkig hingen de smalle kettingen met gewichten net buiten bereik van zijn gestrekte kinderarmen. En maar goed ook, je weet nooit wat zo’n jongen in een onoplettend moment uithaalt, door een stoel naar de klok te schuiven. Maar ik ben nu alleen in de kleine boerenkamer. Eén van de poezen, ‘de rooie’ ligt in een kartonnen doos welke op tafel staat, zijn tijd te verslapen, en rekt zich met een wijd geopende bek even uit, terwijl de nagels van zijn voorpoten langs de binnenzijde van de kartonnen doos krassen. Tot mijn verbazing zie ik in de geopende magnetron eveneens een poes opgerold zijn middagdutje doen. Het is ‘Dirkie de klit’, een bijnaam die hij heeft gekregen door de vele, aan zijn buik hangende klitten. Lenie, mijn vrouw heeft met behulp van babyolie na veel gepulk, voorzichtig knippen en engelengeduld het dier van bijna al zijn klitten kunnen bevrijden. Op de schouw, boven de kachel kachel staan, tussen glimmend Delfsblauwe vaasjes, en gelijksoortig gekleurde potjes, twee kleine schilderijen. ‘Bid en Werk’ en en het eveneens prachtige ‘Arenleesters’ geschilderd in 1857 door de Franse schilder Jean Francois Millet. Mooi ogende sfeervolle schilderijtjes die het harde boerenleven in vroeger tijden goed weergeven. Eveneens staat op de schouw een oude klok, gehuld in blauwe, ogenschijnlijk porseleinen ombouw, beschilderd met een molen aan een plas waarin voor de vergeelde wijzerplaat smalle wijzers de tijd traag draaiend aangeven. Maar de tijd lijkt wat sommige dingen betreft, hier in deze boerenkamer een aantal tientallen jaren stil te hebben gestaan. De kachel snort tevreden en verspreid een aangename loommakende warmte. Aan de glimmend ijzeren stang, die aan drie zijden aan de kachel is bevestigd, hangen een paar blauw gerande en rood -wit geruite theedoeken en twee uit de kluiten gewassen geitenwollen sokken te drogen. Twee verschillend gekleurde kolenkitten staan gebroederlijk en half gevuld schuin voor de kachel, terwijl een witgrijze ketel op het met ingebrande roestbruine ringen kachelplaat staat te pruttelen. In een vele tientallen jaren oud ogende brievenhanger, met geheel bovenin een eekhoorntje, ontbreekt het tussen bomen staande burlend hert, die als een lichtbruin silhouet op de donkerder achtergrondstof zichtbaar is. Het met de figuurzaag uitgezaagd dier lijkt spontaan weggelopen te zijn uit zijn omlijsting, maar schijnt, volgens de oude boerin ergens in de boerderij in een kast te liggen, alleen weet zij niet in welke. ‘Ach die komt nog wel us tevoorschijn. De kantenhanger komt nog bij mijn man Gerrit uit zijn ouderlijk huis vandaan, ik ben hier vroeger ingetrouwd, maar dat wist je al hé dacht ik’ legt zij mij uit. Ik vind het een mooi ding, ondanks het ontbrekende hert. Achter mij geeft een houten trap, waarover de smalle treden een loper gelegd is, en deze op zijn plaatst gehouden word door koperen roeden, toegang tot de zolder. In een kleine opkamer staan een tafeltje met een vaas vol mooie bloemen, een klein kastje, en allerlei spullen wat ik de loop van een leven bewaard is gebleven. ‘Je moet niet alles weggooien, je weet nooit wat voor een tijden er nog komen’ hoor ik mijn moeder jaren geleden nog zeggen, de zware oorlogsjaren van schaarste in haar geheugen voor altijd meedragend. Zo af en toe ga ik even bij mw. De Greef kijken, alleen of met Lenie, of met de kleinkinderen om wat eieren te halen en een praatje maken, een beetje bijpraten wat zij zo gezellig vond, als een prettige invulling in haar zovele eenzame uren. Ook als ik een wandeling ging maken over het oude landgoed ‘Beukenburg’ waar moeders vader vroeger heeft gewerkt, parkeerde ik mijn auto bij haar op het grote erf achter haar boerderij, oplettend geen poesjes of ganzen per ongeluk dood te rijden. Voor enkele jaren geleden liepen er nog een toom ganzen van ongeveer 25 dieren rondom de boerderij. Maar de laatste tijd zwerft er een vos in de nachtelijke uren over het erf en rondom de oude boerderij, deze bijt soms, van de in een halve cirkel tegen de deeldeur overnachtende dieren, één of twee dood, door hun nek te breken en de gedode vogels vervolgens te laten liggen, puur moordzucht. ‘Het is rotzak die vos, er lopen er tegenwoordig veel te veul in de natuur, smeerlappen zijn het, maar ja ze zijn beschermd, maar dit gaat zo niet goed, er komme er veul te veul van die rotzakken’ zei de oude boerin enige maanden geleden, steunend met haar gebalde vuisten op het tafelkleed. ‘Vroeger liep hier nog wel us een das rond de boerderij, een mooi dier, ik zie hum nog lopen met zu’n waggelende dikke kont, maar daar hadden mijn man en ik en de dieren nooit last van, leuke dieren waren dat, ik zie ze tegenwoordig bijna nooit meer. Maar die vossen, die rotzakken, er zijn er veul te veul, ik hou zo geen gans meer over’. Altijd ben ik hier welkom, en vaak zegt zij, als ik eieren kwam halen ‘Kom je niet effe binnen een bakkie doen, kunnen we effe bijpraten’. Maar nu ik hier even alléén in de kleine kamer zit kijk ik op mijn gemakje naar alle dingen. Zij is enige minuten geleden moeizaam opgestaan en met kleine pasjes naar het deel gelopen, waar in vroeger jaren de koeien stonden en duiven in de hoge nok rondvlogen en nestelden. Een klant was, komende vanaf de weg, over het grindpad, de ‘baan’ zegt mv de Greef aankomen fietsen, en met opgestoken hand langs het kamerraam richting het achter de boerderij gelegen erf gereden. ‘O … dat is van de Brink, die komt eieren halen’ kreeg ik te horen. De in de kartonnen doos slapende poes rekt zich nogmaals uit en springt het tafelkleed wat verschuivend op de grond. ‘Blijf maar effe zitten ik ben zo weer terug’. In haar blauwe overall, en een stevige dikke stok in haar grove werkhanden, als steun en toeverlaat, tijdens haar onvaste gang loopt zij wat moeilijk, extra leunend aan de deurpost, op haar geitenharen sokken, gelijk met de van tafel gesprongen poes de kamer uit, naar het naast gelegen deel, waar vele tientallen, misschien wel honderdtallen eieren, in kartonnen dozen zijn opgestapeld. Zo slijt zij haar dagen in de stilte van de boerderij, met af en toe een eierklant en de SRV man die wekelijks aan komt. Maar vele avonden, vooral de lange winterdagen brengt zij in eenzaamheid door. ‘Kom je nog us een keertje langs, en neem dan ook je vrouw weer us mee, dan kunnen wij weer gezellig eens bijkletsen’ zei mv. De Greef bijna altijd als ik haar alléén tussentijds bij haar langs ging. Op zevenjarige leeftijd kreeg zij van haar vader, eveneens een boer aan de Achterwetering nabij Westbroek, een geit, zodat zij als jong meisje kon leren melken. Boerin in hart en nieren is zij altijd gebleven. ‘Loop effe met me mee naar de stal ik heb een schaap met hersenvliesontsteking, dan kan je je effe helpen’ vroeg zij op een keer aan mij. Ik hielp haar dan zo goed mogelijk, maar soms mopperde zij, ja er zat pit in deze oude boerin, vooral als het niet ging zoals zij het in haar hoofd had. Maar tot aan haar overlijden droeg zij haar zorgen om de dieren en boerderij met zich mee, nee afstand hiervan kon zij niet nemen. Het boerenleven was te veel in haar leven verweven. Op een aantal plaatsen in de boerderij, zoals het plafond in de voor- of mooie kamer is er sinds de bouw in 1898 nooit geschilderd. Dezelfde verf zat in mijn moeders ouderlijke woning op het plafond, een klein stukje verderop eveneens aan de ‘Nieuwe Weteringseweg’, nummer 187 in Groenekan. Waarschijnlijk zijn deze boerderij en mijn moeders ouderlijk huis in dezelfde periode gebouwd, door de eigenaren van het landgoed Beukenburg waar moeders vader, opa Nokkert, werkte. Sinds 2011 kom ik hier bij Mw. de Greef. Hoe vaak vroeg mijn moeder, jaren geleden, regelmatig aan haar broers en oudere zus Dina , Hoe gaat het met Gert en vrouw de Greef’ ? Haar oude buren uit ‘De Wetering’ Gerrit en Annigje ( Annie ) de Greef. Moeders jongste broer Gerard vertelde mij zo omstreeks 2010, 2011 eens ‘Bij mw. de Greef in een van de schuren is een werkbank en er staat nog net zo veel troep en zooi als toen ik een klein jochie was’. Dat prikkelde toentertijd mij nieuwsgierigheid en verlangen om hier foto’s van te maken. Toevallig had ik op 15 augustus 1994, tijdens een van mijn fietstochten van Almere naar Wijk bij Duurstede een foto van Gerrit en Annie de Greef gemaakt terwijl zij in het weiland langs ‘De Wetering’ aan het melken waren. Ik liet een foto afdrukken en ging op goed geluk omstreeks 2010 bij haar langs. Na toentertijd uitgelegd te hebben wie in was, een zoon van Jo Nokkert, die vroeger als meisje een paar huizen verderop woonde was het ijs gebroken, en kwam er een tot aan haar overlijden een gemoedelijke band van bezoekjes, gezellig babbelen en eieren halen. Mijn moeder had ik op 8 oktober 2012, op een mooie middag mee genomen naar haar oude buurvrouw. Prachtig vond zij het achteraf. Mv. De Greef was verrast en blij dat ik met moeder bij haar een bakkie kwam doen. Terwijl moeder ging zitten sprong een poes vanaf de stoel op tafel en ging aandacht vragend, haar staart voor haar poten tegenover moeder zitten. “Willen jullie koffie ?’ vroeg mw. De Greef ‘Ik vind dat nou eens harstikke leuk dat jullie eens an komme, ach mins ik zit zo vaak alleen te koekeloeren hier in huis, ik zie bijna nooit iemand’ zei zij tegen moeder. Het boerenleven, haar man Gerrit, en bekenden gingen als gesprekstof over tafel. ‘Ja Gerrit mijn man, toen hij nog leefde sliep ’s nachts tussen de schapen in de schuur tegen de tijd dat ze moesten lammeren, dan kon tie horen of er iets an de hand was’. Haar man had jaren geleden veel schapen. Laban, naar de man uit de Bijbel, was de bijnaam van Gerrit de Greef. ‘Ach jaren geleden heb ik hier lammeren bij de kachel gehad als zij ziek waren, die liepen dan hier gewoon in de kamer, totdat ze weer een beetje opgeknapt waren, dan gingen ze weer terug naar de schuur’. ‘Ja… wij hebben, Gerrit en ik, ons hele leven hard gewerkt, ach dat was vroeger nou eenmaal zo, je wist niet beter’, zegt de bejaarde boerin, meer tegen zichzelf dan tegen ons. ‘Willen jullie nog een koppie koffie, wat gezellig dat jullie er zijn ?’ Er werd gesproken over dingen van vroeger, de koeien, ganzen en Bart en Kees de sterke werkpaarden die echter nooit een bit hebben ingehad en eveneens nooit voor een wagen zijn ingespannen. Mooie oude verhalen werden opgehaald, over moeders ouders en haar zus tante Dina die van alles wat los en vast zat bewaarde. Over de kippen die steeds minder eieren gingen leggen. ‘Neem zo maar wat eieren mee, ach mins ik heb er zat’ zei mw. De Greef tegen moeder. Na een uurtje gezellig babbelen en een paar kopjes koffie verlieten moeder en ik de oude boerderij. Op weg naar haar huis zat moeder met een grote glimlach op haar mond in de auto. Zij was blij dat zij haar oude buurvrouw, na zoveel jaren weer eens had gezien en gesproken. Het was toen een mooie middag geweest. Ik zou nog zoveel meer kunnen vertellen, ach misschien is het zo wel genoeg. Zaterdagmorgen, 1 januari 2022 wilde ik mw. de Greef bellen, en haar een goed en voorspoedig 2022 te wensen en even bij haar aan te gaan met een paar oliebollen. Maar i.p.v. haar kreeg ik dochter Janny aan de lijn die mij vertelde dat zij 30 december was overleden. Toevallig stond zij net met een door mij gemaakte foto van haar moeder die met een paar poesjes op schoot voor haar kachel zat in haar hand. Ach wat triest, de oude boerin was overleden, na een leven vol zorgen en hard werken. Leentje en ik waren er stil van. Haar man Gerrit was ruim tien jaar, op 16 mei 2010, haar al ontvallen. De laatste jaren bracht zij, op haar eigen verzoek, haar leven door in de in 1898 gebouwde boerderij. Een verzorgingshuis zou niets voor haar zijn, daar zou zij binnen de kortste keren wegkwijnen in eenzaamheid, zonder haar koeien, paarden, pony’s, kippen en andere dieren. Als boerendochter was zij geboren en als boerin wilde zij het liefst uit haar boerderij uitgedragen worden, vertelde zij mij tijdens een van de bezoeken in de stille avonduren. Haar dieren, de boerderij was haar leven, haar zorg en zuchten, en soms kon zij in gedachten verzonken voor zich uitstaren in een peilloze verte. Een gemis voor mw. De Greef was dat zij geen kleinkinderen heeft mogen krijgen. ‘Waar hebben mijn man Gerrit en ik nou hun hele leven hard voor gewerkt ? ’s Morgens om vier uur op om de koeien te gaan melken in het land, altijd hard gewerkt, en nu… ja nu als ik uit de tijd en mijn dochter er niet meer is gaat alles naar vreemden’. Vol zorgen kon zij dan aan haar tafel zitten in gedachten verzonken. Hoe leuk vond zij het als ik ons kleinkind Enzo wel eens meenam, en zij vol bewogen genegenheid de kleine man in haar armen nam en hem met een warme glimlach aankeek, terwijl Enzo meer belangstelling had voor de koekoeksklok, de koekjes en de poezen op tafel. Soms gaf zij Enzo een extra doosje eieren voor hemzelf mee ‘Hier die zijn voor jou’ zei zij dan met een zacht blik in haar ogen, terwijl de kleine jongen trots zijn eigen gekregen eierendoos met beide handen goed vasthield. Vele tientallen foto’s heb ik in de loop der jaren bij haar gemaakt, en die bewaar ik zuinig en dierbaar. Als ik of wij bij haar aangingen en aan haar vroeg hoe het met haar ging wist ik vaak al het antwoord, ‘Niet zo best… niet zo best, kom maar effe binnen dan drinken wij gezellig een bakkie koffie en kunnen wij even bijkletsen’ was vaak haar antwoord. Op een van de winteravonden ben ik bij haar gaan kijken en waren wij gezellig aan de praat over de koeien, ganzen, schapen en kippen. Ook de pony’s kwamen vaak te sprake en haar zorgen om het vee en de boerderij. De koffie stond vaak uren te pruttelen in de half gevulde pot en was na het inschenken met een flinke schut melk voor mij dan nog te drinken. De kachel knorde tevreden, en hier en daar lagen toen de poezen te slapen, op de stoelen en de tafel. Plots springt de rooie van tafel op haar schouder en loopt voorzichtig via haar nek naar de andere schouder om vervolgens met een flinke sprong op het aanrecht te springen om daar uit de wasbak wat waterdruppels op te likken. Ook deed één van de poezen wel eens zijn behoefte in de wasbak, wat vervolgens netjes werd opgeruimd en de wasbak uitgespoeld. Maar tijdens het tweede kopje koffie, die ik zelf uit de pruttelende pot had ingeschonken, verspreid een indringende kattenstrontlucht de kleine boerenkamer. Ik draaide mijn hoofd schuin naar achteren en zag dat één van de katten in een doos vol opeen gestapelde kranten en binnengekomen post zijn dunne behoefte heeft gedaan. Mijn kop sterke koffie smaakte al niet zo, maar nu nog minder. Maar de bejaarde boerin bleef gewoon zitten en ik vraag aan haar of ik de kattenstront zou opruimen door de volgescheten krant weg te gooien. ‘Ach laat maar, wij zitten nu net zo gezellig te kletsen, ik ruim het wel op als jij weg ben’. Ik liet het maar zo, maar een ranzige lucht verspreide zich in de broeierig warme kamer. Gelukkig was het voor mij bijna tijd om weer naar huis te gaan. Hele avonden hebben Lenie en ik bij haar in de stille boerderij doorgebracht. Maar de tijd gaat verder, en nu heeft men haar op vrijdagmiddag 7 januari 2022, op 92 jarige leeftijd, iets na drie uur begraven, bij haar man Gerrit, op de begraafplaats ‘Den en Rust’ in Bilthoven. ‘De Heere is mijn herder, mij ontbreekt niets’ staat er op haar rouwkaart, en zo is het ook, een ware troost en betrouwbare woorden voor menig mens. In stilte hebben Lenie en ik bij het geopende graf, onder een zwaar bewolkte hemel, afscheid van haar genomen. Misschien op een andere keer nog wat meer over haar, het is zo wel even genoeg. En mijn excuus als een beetje een van de hak op de takverhaal geworden is, maar dit is wat er nu n.a.v. de foto’s en gravend in mijn geheugen en aantekeningen naar boven komt. NB. Voor aanvullende foto’s zie bij Facebook onder: Lenie Gerrit Marchal. m.v.g. Gerrit.

Vanmiddag, zaterdag 8 januari 2022, weer eens, na ongeveer een dikke twee jaar, bij Kees Doornenbal in Maartensdijk aangegaan. Buiten, op het erf en het omliggende lang regende het stevig, en grote waterdruppels en waterstraaltjes vielen uit de kale hoge bomen die op het erf staan. Kees woont in de oudste monumentale boerderij ‘De IJzeren mortier’ in Maartensdijk. Deze boerderij is omstreeks 1600 gebouwd. Al enige jaren kom ik hier, en Kees en zijn oudere broer Henk ken ik omstreeks een goede tien jaar. ‘weet jij wat een kluizenaar is, ken je dat woord ?’ vroeg Kees een paar jaar geleden aan mij. ‘Zeg thuis tegen je vrouw maar dat je bij kluizenaars ben geweest’. Maar vanmiddag loop ik weer net als enkele jaren geleden bij de achterzijde de oude boerderij naar binnen. Via een aanbouw en een half verlichte gang, klop ik op de oude houten kamerdeur en doe deze langzaam open. Kees was blij mij weer eens te zien. ‘Wat leuk dat je weer us langs komp, wil je koffie ? vraagt hij en staat wat moeizaam op uit zijn stoel. ‘Ga zitten haal de zooi maar van de stoel af, ga zitten..ga zitten’. ‘Wat leuk dat je us langs komp’ herhaalt Kees. Hij is ouder geworden en loopt nog verder voorover gebogen dan enkele jaren geleden. ‘Ach, ik heb last van m’n rug, hier onderin’. ‘Wil je melk in je koffie, geen suiker hé, da lus je niet, as ik ut goed heb onhouwe’. Gezellig praten wij over het boerenleven, de koeien, het weer en over zijn oudere broer Henk die nu al bijna een jaar in een verzorgingshuis woont. ‘Ut ging niet goed met hum, hij kreeg ut in zu’n kop. De boerenwoonkamer ziet er wat schoner uit dan enkele jaren geleden, toen Henk nog regelmatig met zijn vieze strontlaarzen vanuit het deel de kamer inliep. ‘Ach er komp toch bijna nooit geen mens hier’ zei hij toen tegen mij. Maar Kees woont nu alleen, en zorgt voor zijn 27 koeien. ‘We gaan zo wel effe in de schuur kijke bij de koeie’ zegt Kees. ‘Wil je nog een bakkie, wil je een koekie ?, pak maar ik heb er genoeg’ zegt Kees vriendelijk terwijl hij een snee brood van zijn bord pakt. Als Kees zijn twee sneden brood heeft opgegeten staat hij moeizaam op uit zijn stoel, en loop ik hem in langzame passen achterna naar de schuur die achter de boerderij gelegen is. Hier laat hij zijn trots zien, zijn koeien. ‘Kijk, die is van de week tochtig geworden, en uh deze hier, die grote is met kalf en krijgt extra voeding, dat het tie nodig het de veearts gezegd’, nou en dan doen we ut maar, anders moh je geen beeste houwe’. Maar de vermoeid schijnt toe te slaan en Kees gaat even een poosje, al verder vertellend, in een oude stoel zitten. ‘Komp je snel weer us an, da zou ik leuk vinden’. vraagt hij bij het afscheid. Ik beloof het hem dat ik binnenkort, bij leven en welzijn weer bij hem kom kijken. ‘Dan gaan we samen op bezoek bij m’n broer in het verzorgingshuis, da zal tie mooi vinden, hij ken je denk ik nog wel’. Wij verlaten de koeienschuur en Kees loopt zwaar voorover gebogen in de regen naar zijn boerderij, terwijl ik langzaam rijdend het erf verlaat en hem nogmaals gedag zwaai. Ik ben blij hem weer eens gezien en gesproken te hebben, die Kees, de kluizenaar. m.v.g. Gerrit.

Kosterman…. Alex Kosterman is mijn naam. Vrijdag 4 juni 2021, heb ik op de fiets een stuk gezworven langs de rivier de Lek, in het mooie Betuweland. Door Beusichem, Zoelmond, Ravenswaaij en Culemborg om via Schalkwijk weer naar Wijk bij Duurstede, waar ik begonnen was, weer terug te fietsen. Hier over de dijken ben ik een aantal jaren, zo halverwege de 60er jaren in Culemborg naar de LTS gefietst, zomers en ’s winters, op warme dagen en in bittere winterse vrieskou. ’s Morgens 10 Km heen en na schooltijd weer dezelfde 10 KM terug. Graag wilde ik weer eens net als zo’n 50 jaar geleden over deze dijken fietsen. Lenie ging vandaag met haar vriendin Marja, weer een gedeelte van het ‘Floris de 5e pad’ wandelen, met een lengte van 22.5 Km. Maar ik ben meer een zwerver en vind het leuk om interessante dingen, zoals bloemen, dieren en o.a. boerderijen etc. die ik onderweg tegenkom te bekijken en fotograferen. Tijdens mijn fietstocht had ik bij mijn zus Bea en zwager Bart in Zoelmond twee kopjes koffie had gedronken was ik daarna weer op de fiets gestapt richting Ravenswaaij. Bij de oprit in de Donkerstraat naar de Lekdijk in Ravenswaaij wilde ik even bij de Nicolaaskerk gaan kijken en een paar foto’s maken. Ik heb zwervende door de Wijkse Bosscherwaarden warme herinneringen aan deze kerk. Wanneer ik in de stilte van de uiterwaarden ‘De Bosscherwaarden’ al vanaf mijn jeugdjaren aan het zwerven ben, en het kerkklokje plots helder klinkt, zweeft het wegebbende kristalheldere geluid over de rivier en weilanden dan vind ik dat prachtig, wonderschoon, zo mooi klinkt het klokje. Maar in Ravenswaaij boven aan de oprit gekomen zie ik aan de rechterkant binnendijks een oude boerderij, waar aan de voet van de dijk achter het hoogstaande met boterbloemen besprenkeld gras, kippen en witte duiven op een kaal stukje grond scharrelen. Op de vensterbanken, waarvan enkele echt aan vervanging toe zijn, zitten twee helder witte duiven in de warmte van de dag te dutten terwijl enkele witte soortgenoten op de dakpannen en schoorsteen zitten. Vanaf de Lekdijk heb ik een mooi uitzicht over het met vele spullen en oude landbouwmachines vol staand erf. Een oude woonwagen staat links op het erf als een soort afscheiding met de buren. Een paar grote stukken wasgoed hangen aan de waslijnen. Een flink aantal wieldoppen hangen en staan op diverse plaatsen verspreid over het erf, waar kippen en hanen scharrelen in een lange loopren aan de voet van de dijk. Plots verschijnt er een man, waarschijnlijk de bewoner met een kistje vol groente en fruitafval en gooit de inhoud over de kippengaasafzetting in de ren, met gevolg dat rennende vleugel klapperende en kakelende kippen op het voedsel afkomen. Ik roep naar hem en vraag of ik wat foto’s mag maken. De man plaats twee keer zijn linkerhand achter zijn oor en schud zijn hoofd, tot dat hij begrijpt wat ik bedoel en ‘ja’ knikt. ‘Zal ik de foto’s naar u opsturen’ roep ik naar nogmaals naar hem vanaf de dijk. Maar weer schud hij zijn hoofd, en wijst met zijn hand naar links met een gebaar dat ik maar naar hem toe moet komen. Bij de ingang naar het erf halverwege de dijkoprit in de Donkerstraat staat hij, bij het houten spijlenhek, mij al op te wachten met zijn hond. Ik overhandig hem mijn kaartje met naam en telefoonnummer, en hij leest en zegt ‘De Wijkse Zwerver’. Kom jij uit Wijk vraagt hij mij aankijkend’ ? ‘Ja ik ben geboren op de Hoogstraat… nummer 95′ zeg ik tegen hem. , Da’s leuk man ik heb ook op de Hoogstraat gewoond’. ‘Marchal…. Marchal’ zegt hij vragend en op zijn hoofd krabbend, Was jouw vader misschien degene die bij de Gemeente in Wijk werkte, en vroeger zaterdags op de vuilstort de Bermput toezicht hield, om te kijken of alles goed ging ? ‘Ja dat was mijn vader, Wout Marchal’ bevestig ik. ‘Maar hoe heet jij dan ? vraag ik aan de man die voorover gebukt zijn hond een aai over zijn kop geeft. ‘Kosterman… Alex Kosterman is mijn naam’. ‘Maar dat is leuk’ zegt ik, snel in mijn geheugen gravend, ‘Man ik heb volgens mij vroeger, omstreeks 1978 nog een door jou gemaakt eikenhouten kastje bij je gekocht’. ‘Jij had toch achter het huis in de Hoogstraat in de schuur een soort werkplaats met een onder andere een vlakbank en lintzaag en zo. Mooie kastjes en andere dingen maakte je toen’. Een beetje trots kijkt Alex mij aan. ‘Kerel dan heb ik jou in geen 43 jaar meer gezien, nou ik had je echt niet meer herkend’ zeg ik tegen hem, kijkend naar zijn bruine kop en in zijn oorlellen hangende gouden ringen. Er is gelijk een klik tussen ons, een klein stukje gezamenlijk Wijks verleden. Alex woont hier al ongeveer een goede 30 jaar. Prachtig zijn al zijn rommeltjes, verroeste landbouwwerktuigen op het erf, en een gereedschappenverzamelingen, hangend aan houten schuurwanden en deuren. Kippen en witte duiven scharrelen over het erf. In een groot konijnenhok is een volledige kerststal uitgestald, zomer en winter. ‘Ik moet even de was binnenhalen, straks schijten de duiven erop’. In een van de schuren laat Alex de hardhouten kozijnen zien die hij aan het maken is, om de half verrotte kozijnen in zijn boerderij te vervangen. ‘Kijk ik ben de kozijnen aan het opknappen en degene die nog goed zijn te schilderen’ zegt Alex naar zijn boerderij omhoog wijzend. ‘En de woonwagen moet ik ook nog hoognodig opknappen, man ik heb nog werk zat’ zegt hij lachend. Aan een scheurdeur hangt een bosje oude sleutels. ‘Ah, ik heb thuis ook nog een blikje vol met oude sleutels van mijn vader, er zitten mooie exemplaren tussen’ zeg ik tegen Alex. Hij vraagt of ik even met hem meeloop en laat in een van de schuurtjes, een groot rechthoekige trommel vol oude sleutels zien. ‘Kijk uit dat je je harsus niet stoot’ krijg ik als waarschuwing, ‘Mijn schuur staat een beetje vol’. ‘Ach ik rommel wel us wat met oude kasten, en dan kan zo’n ouwe sleutel soms van pas komen’ vult Alex aan. Spike de hond volgt ons overal. Ik hou wel van dit soort mensen zoals Alex, een beetje vrije vogels die gewoon hun eigen gang gaan, en de spullen bewaren die zij leuk vinden. ‘Ach man ik klus er een beetje bij, door ouwe dingen te repareren, ik vind het gewoon leuk om te doen’ zegt hij wijzend naar dingen waarmee op dit moment mee bezig is om het op te knappen. Ik beloof Alex om de komende weken een paar foto’s te laten afdrukken en met Lenie terug te komen. Hij zegt dat ik altijd welkom ben. ‘En neem je vrouw maar mee’. Ik stap weer op de fiets om mijn fietstocht, richting Culemborg te vervolgen, en ik vraag aan hem of ik wat foto’s op mijn fotosite ‘De Wijkse Zwerver’ of Facebook mag plaatsen. ‘Je ga je gang maar, dan kunnen de Wijkenaren, de echte ouwe Wijkse misschien ook weer eens genieten en lachen, en dan weten ze gelijk weer hoe het met me gaat’. Vriendelijk zwaait hij mij gedag vanachter zijn zwarte hek waarover een van de spijlen scheef gezakt een kleine bel hangt. Als ik weer op de dijk ben en omkijk om nog even een foto van Alex zijn boerderij, met de wat verderop gelegen kerk te maken, zie ik een jongen met een karretje vol spullen tegen de oprit omhoog lopen. Ik fiets naar hem toe en vraag ‘Ga je naar het strand van de rivier’ vraag ik hem. ‘Nee meneer ik ga met mijn vriend een molen bouwen’ zegt hij vriendelijk tegen mij. Trost laat hij enkele dingen die op zijn wagentje liggen zien. Het ziet er mooi gemaakt uit, en het beloofd een mooi molentje te worden. Ik zeg hem gedag en wens hem geluk met zijn molenbouw. Als ik even later al fietsend nog een keertje omkijk zie ik de jongen, de molenbouwer over de dijk achter zijn wagentje lopen, en werp ik een laatste blik op het mooie dorpsgezicht van Ravenswaaij, een stil dorp, maar een mooi dorp, zo prachtig gelegen aan de voortkabbelende rivier, met een schitterend uitzicht over de Bosscherwaarden waar ik al vanaf mijn jeugdjaren rondzwerf en dat hopelijk nog vele jaren mag doen. En bij Alex hoop ik binnenkort weer terug te komen, een mooie kerel ! Vol van de leuke ontmoeting met hem, fiets ik genietend van het weidse uitzicht van de met bomen en struiken besprenkelde uiterwaarden, en in het zonlicht blinkende rivier in een zomerse warmte richting Beusichem en het verderop gelegen Culemborg. m.v.g. Gerrit. NB. Voor aanvullende foto’s zie bij Facebook onder: ‘Lenie Gerrit Marchal’.

Al jaren, wil ik graag bij Cor van Selm, de vroegere muskusrattenvanger van mijn geboortestreek, het Kromme Rijngebied, langs gaan. Hij schijnt ergens langs tussen Schalwijk en Tull en ’t Waal, langs de Lekdijk te wonen, nabij het fort Honswijk had ik wel eens gehoord. ‘Lekdijk 36a in Schalkwijk’ staat op het kladje, wat ik in 2008 van hem had gekregen toen ik Cor in Leersum bij de Snuffelschuur tegenkwam, en hij zoek was naar een boek. Het van hem gekregen kladje met zijn naam en adresgegevens bewaar ik als boekenlegger. Maar daar waar Cor woont kom ik niet zo vaak, eigenlijk ben ik in die omgeving in geen jaren meer geweest. Wie is Cor ? Ik hoorde in vroeger jaren, toen ik als echte geboren Wijkenaar nog in Wijk bij Duurstede woonde, en ik zo af en toe bij Fam. Pouw, die achter in het Wijkerbroek woonden, de naam van Cor, als muskusrattenvanger wel eens vallen. Samen met Wim en Joop Pouw trainden wij onze extra karatetraining in een door hen gebouwd schuurtje, wat halverwege het weiland, achter hun ouderlijke woning stond. Of wij trainden op de hooizolder tussen de opgestapelde balen hooi en stro. Vaak gingen wij ook, met Ruud Mendel, ’s zaterdags hardlopen en trainen in de bossen van Leersum. Doordeweeks trainden wij twee avonden bij de karateclub Shiai-jo, bij Wijnand van den Broek. Ik was met o.a. Hans Korstanje één van zijn eerste vijf leerlingen, toen Wijnand in 1971 met zijn karateschool in het sportzaaltje van de voormalige ‘School met de Bijbel’ in de Volderstraat in Wijk bij Duurstede begon. Uiteindelijk ben ik eind 2007 met karate gestopt. De oudste broer van Joop en Wim, Hans, zo begreep ik van Cor, had samen met hem op de Hogere Zeevaartschool in Utrecht gezeten. Na het trainen op de hooizolder ging ik vaak met Wim en Joop mee naar binnen om wat te drinken en een beetje bij te komen van de training. Hun vader zat, met drie andere mannen regelmatig op de zaterdagmiddagen in de keuken rond de tafel een kaartje te leggen, terwijl hun vriendelijke en zachtaardige moeder altijd vroeg als ik binnen kwam, of ik een kopje koffie wilde drinken. Mooie en warme herinneringen heb ik hiervan overgehouden, een gastvrije familie waar de deur altijd open stond, en die naar Wijkse begrippen aan het einde van de Wijkse wereld, aan een doodlopende weg, achter in het Wijkerbroek woonden. Maar Cor van Selm kwam ik ook tegen in het door Jan Bosch geschreven boek ‘Kom nog us an’, wat ik op 22 november 1989 bij de schrijver in Elst ( Provincie Utrecht ) in zijn drogisterij had gekocht. Op 9 augustus 2008 kwam ik Cor toevallig tegen bij de snuffelschuur in Leersum. Hij stond net op het punt om op zijn mooie rode motor weer terug naar huis te rijden toen ik met hem in gesprek raakte en hij liet weten het boek ‘Kom nog us an’ te zoeken, want zijn boek was door waterschade kapot gegaan en zag er niet meer uit. Ik beloofde hem toen om naar het gezochte boek uit te kijken, en hij gaf mij het kaartje met daarop zijn gegevens wat ik nu al jaren als boekenlegger gebruik. In de jaren daarna heb ik voor Cor zo hap snap gezocht naar dit boek, en toen ik een exemplaar gevonden had, en hem hierover belde bezat hij al reeds een nieuw exemplaar, gelukkig voor hem. Ik had het boek nu dubbel, maar dat was niet erg. Het is, zo wie zo een mooi boek, en wie weet kan ik iemand er een plezier meedoen. Maar Cor, de vroegere muskusratvanger heb ik altijd al eens willen bezoeken. Waarom ? Ja ik weet het eigenlijk niet. Hij heeft een mooie kop met een volle baard die mij laat ik zeggen aan een soort goedaardige tovenaar doet denken. Op één of andere manier mag ik gevoelsmatig dit soort mensen wel. Ik heb het een stuk minder op met heren in driedelige pakken, die heb ik in de loop der jaren al heb genoeg gezien tijdens mijn kantoorwerk als landkaartenvervaardiger – Kartograaf, vanaf augustus 1969 bij Ingenieursbureau van Steenis en de Rijkswaterstaat in Utrecht, en vanaf 1983 tot augustus 2018 bij Gemeente Almere. Vele jaren, totaal 49 jaar, heb ik bij deze werkgevers met veel plezier en voldoening gewerkt, en ook vele leuke collega’s ontmoet, die later meer een soort goede kennissen zijn geworden, maar er waren ook van die echte kleurloze fantasieloze kantoorpikken bij. Geef mij maar mensen die erbij lopen zoals zij willen, voor mij hoeft het ‘kleding maakt de man’ gedachtegoed niet zo. Ik heb meer, veel meer met een oud boertje in zijn met stront en klei besmeurde klompen en kleding dan met nettepakkenfiguren. Die zogenaamde eenvoudige ‘strontboertjes’ waar soms op neer gekeken wordt, hebben vaak meer wijsheid onder hun pet en in hun koppen zitten, dan sommige van die geleerde zelfingenomen heren, uitzonderingen daar gelaten natuurlijk. De laatste maanden kom ik Cor nog wel eens tegen via facebook. Eigenlijk waren Lenie en ik van plan om eens in de omgeving waar Cor woont, zo tussen Schalkwijk en Tull en ’t waal te gaan wandelen. In vroeger jaren, zo omstreeks 1970 maakte ik wel eens een fietstocht in deze omgeving, en is altijd als een mooi gebied en herinnering in mijn geheugen blijven hangen. Ik vroeg, en kreeg van Cor wat wandeltips en bezienswaardigheden in zijn omgeving, toen hij schreef ‘kom maar op de koffie. ‘Bij de kabouter moet je het erf op, en bij de heks is de bel, ik zie je wel verschijnen’. Dat begint al mooi dacht ik, ik heb wel wat met kabouters, heksen en trollen enz. Vanuit Almere zijn Lenie en ik via Utrecht, Houten richting Schalkwijk gereden. De lintbebouwing van Schalkwijk ken ik wel een beetje. In vroeger jaren, zo omstreeks 1966 en begin 70er jaren fietste ik hier wel eens, langs de hier staande mooie boerderijen en wit geleuningde brugjes over het water van de Schalkwijkse wetering. Op de Lekdijk aangekomen reden wij richting Tull en ’t Waal op weg naar de boerderij van Cor. Wat is het toch mooi hier, met het uitzicht over de uiterwaarden kijkend naar het aan de overzijde van de rivier gelegen Culemborg. Het wijde land is intens groen na de laatste regenbui die net over het land getrokken is en alles in intense kleuren achterlaat. De Lekdijk richting Tull en ’t Waal is een verrassend mooi stukje Nederland, met brede uitzichten over uiterwaarden en binnendijkse weilanden en frisgroene boomgaarden. Grote schepen varen in de Lek stroomopwaarts richting Wijk bij Duurstede en waarschijnlijk veel verder. Hier ben ik in geen jaren meer geweest, jammer eigenlijk, zo mooi is het hier. In de uiterwaarden, de Steenwaard grazen koeien onder een overtrekkende donkere wolkenhemel. Waterranonkels bloeien bij honderden in een waterplas, hier nabij het tunneltje onder de spoorlijn Utrecht richting Den Bosch. Even verderop in het natte gras zijn vier reigers op zoek naar voedsel. Onder een meidoornhaag schuilen schapen voor de nu gestaag vallende milde voorjaarsregen. Betonnen bunkers doemen onverwachts aan de rechterzijde binnendijks op in het groene land waar fruitbomen met hun nog niet weggeregende grauwwitte bloesem het landschap opfleuren. Hier ligt de stelling aan de ‘Groene weg’ in Schalkwijk, een onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, gebouwd tijdens de mobilisatie in de eerste wereldoorlog. ‘Wat is het hier mooi’ zegt Leentje’ vanuit de auto over het land kijkend ‘Prachtig, waarom komen wij hier niet vaker’ zegt zij verbaasd. Hier rijden wij rechts over een bochtig wegje de dijk af, de Groeneweg op. Gelijk onder aan de afrit, de hucht zoals wij Wijkse jongens vroeger zeiden, zien wij links in het weelderige groen de ‘Kabouter’ van Cor, op zijn schommel in een uitgeholde boomstam zitten. Wij rijden rustig bij hem het erf op. Aan de rechterzijde staat onder een afdak van een hoge schuur een enorme kachelhoutvoorraad. Een eenvoudig soort kerststalletje bestaande uit twee beeldjes staan in een vele opgestapelde houtblokken uitgespaarde nis. Schapen grazen in een stukje weiland bij de woning die naast de boerderij van Cor gelegen is. Een milde regen valt nog steeds, en bij het uitstappen verberg in mijn twee fototoestellen onder mijn oude gerafelde 33 jaar oude spijkerjas. Bij de heks van de openstaande deeldeur zoeken Lenie en ik naar een bel, maar hoe wij ook kijken er is niets wat als functie van bel zou kunnen dienen. Nog maar even goed kijken, wij zijn toch niet gek ? Waarschijnlijk had Cor onze stemmen al gehoord, want even later komt hij op zijn sloffen naar buiten lopen en zegt vriendelijk ‘Jullie hadden hier aan het witte stroomsnoer met een stekker, hier bij de heks moeten trekken, dan hoor ik binnen de bel’. Je moet maar weten. Binnen gekomen gaat Cor in zijn stoel zitten naast een kleine niet brandende, maar een flink verroeste kacheltje. Voor de kleine kachel, die ruim voldoende warmte geeft, verzekerd Cor ons liggen enkele grote blokken hout, een tang en kachelpook. Een vossenhuid hangt aan één van de muren. Andere jagersspullen hangen of liggen op de diverse hier staande kastjes, tafels en op planken gebroederlijk naast andere spullen. Een oud schilderij, wat later zoals Cor vertelde, in vroeger jaren de boerderij van zijn opa in Culemborg was, staat op een dorpel boven de deur naar het deel of andere ruimte van de boerderij. ‘Ik had best de kachel aan kunnen doen, met dit koude weer’. ‘Gaan jullie maar ergens zitten, maak niet uit waar’ zegt Cor wijzend naar de met fleurig bloemenstof beklede stoelen, terwijl hij zich in zijn eigen stoel laat zakken, en zijn geslofte voeten op een krukje plaatst. Ik zeg tegen hem dat ik het leuk vind dat ik een keer bij langs mag komen. Hij knik gemoedelijk. ‘Jullie zijn welkom, willen jullie koffie ?’ Even later komt Cor met twee bekers lekkere koffie, uit neem ik aan zijn naast gelegen keuken. ‘Ik vraag of ik wat foto’s mag maken, en hij laat laat weten dat ik mijn gang kan gaan. Alléén mijn flits doet onverwachts wat vreemd en werkt jammer genoeg niet. Ik had vorige week een losse externe flitser gekocht en had wat met de instellingen in mijn fototoestel zitten prutsen en uitproberen, met het resultaat dat de ingebouwde flitser nu weigert. Zo goed en kwaad als het kan probeer ik, en Lenie een paar foto’s te maken, gelukkig heb ik twee fotocamera’s bij mij met verschillende objectieven. Een gezellig gesprek volgt, over ons, over Cor, zijn ouders, opa en oma, en o.a. over de familie Pouw in het Wijkse Wijkerbroek, waar Cor vroeger als muskusrattenvanger zo af en toe kwam. De koffie smaakt goed en vol aandacht luisteren Lenie en ik naar hetgeen Cor verteld, mooie en minder mooie dingen, ook de prachtige tijd dat hij zij opa in Culemborg, en over dingen en gebeurtenissen in de achter hem liggende jaren. Hij is in mijn ogen een bijzondere, goedaardige man. Ik mag hem wel, als ik al luisterend naar hem kijk, terwijl hij zo daar naast ons zit, in zijn stoel van zijn ouderlijke boerderij. Zijn lange ruige haren overgaand in een eveneens ruige weelderige baard zijn een kabouter en tovenaar waardig. Hij heeft al jaren last van zijn longen, waarschijnlijk ten gevolge van in het verleden werken met asbest. Zeven jaar, als ik het goed onthouden heb, heeft Cor vroeger gevaren. Maar eveneens is hij jarenlang hier in de regio muskusrattenvanger geweest. De liefde en belangstelling voor de jacht heeft hem altijd al getrokken, en uit zich in de vele spullen die hier in de boerderij te zien zijn. Zijn overgrootmoeder, met een prachtige witte boerenmuts, waarmee Cor als baby een goede 72 jaar geleden op een foto is vereeuwigd, komt voor in één van de boekjes van Betje Boerhave. Ik heb de boekjes nooit gelezen, wel van gehoord. Mijn overleden broer Johan en schoonzuster Petrie hebben deze boekje dacht ik. Ik zal Petrie vragen of ik ze mag lenen en lezen. Plots staat Cor op een laat ons een oude veldfles zien die zijn opa als soldaat nog gedragen heeft. Bijzondere dingen, mooi om even aan te raken, stukjes verleden bewonderd door ons, in het heden. Op de grond staat tegen de muur een oud kleurverschoten getuigschrift van een van zijn voorvaderen. ‘Wereld – Oorlog 1914 – 1918 staat aan de bovenzijde in enigszins verbleekte goudkleurige letters. ‘Cornelis van Selm, Geb. 25 sept 1894 te Mijdrecht’ ,zie ik duidelijk, nu ik gehurkt zit, in helder zwarte tekst bijna onderaan het grote getuigschrift. ‘Willen jullie nog een kopje koffie ? vraagt Cor vriendelijk. Terwijl hij richting de keuken loopt wijst hij naar het schilderij boven de deur, ‘Kijk daar is de boerderij met het rode dak, daar woonde mijn opa in Culemborg’. ‘Weet jij waar de achterweg is in Culemborg ? vraagt hij aan mij, schuin mijn richting uitkijkend. Ik ken het wegje, alhoewel ik er zeker in geen 25 jaar meer ben geweest. Maar in mijn herinnering was het vroeger een mooi stil wegje, aan beide zijden geflankeerd door fruitboomgaarden en weilanden waar toen gehoornde koeien vredig graasden. Toen ik in halverwege de 60er jaren in Culemborg op de LTS zat fietste ik op weg naar huis wel eens over dit stille wegje, en genoot toen als jongen al van de natuur en omgeving, die tot op de dag van vandaag als iets moois in mijn geheugen zit. ‘Kijk daar bij de oprit naar de dijk stond opa’s boerderij’ vult Cor aan. ‘Vroeger heb ik mijn opa wel eens geholpen met koren binnen halen, een hele klus, hard werken maar het was een mooie tijd nu ik eraan terug denk’. ‘De Redichemse Waarden was toen nog niet zoals nu grotendeels weggegraven. Door zandwinning is een groot gedeelte weggraven, maar volgens ‘Natuur en Vogelwacht’ van Culemborg, waar ik omstreeks 1974 een poos lid van ben geweest, komen wel bijzondere vogels in dit gebied voor, alhoewel door de afgravingen ook enkele plantensoorten bijna verdwenen zijn. Cor staat op en loopt naar één van de kasten. Ik hoor hem mompelen en wat rommelen, tot dat hij gevonden heeft wat hij zocht. Een lichtdruk, een afdruk van een landkaart, die hij vervolgens op een tafeltje legt onder een met warm licht brandende boerenlamp. Gebogen over de landkaart wijst Cor mij op de plaats waar vroeger zijn opa in Culemborg woonde. ‘Kijk hier was het’ zegt hij wijzend met zijn vinger op de wat gekreukelde landkaart. Ik maak een foto van de landkaart zodat ik thuis de situatie nog eens goed kan bekijken. ‘Mijn ogen worden slechter, vooral mijn rechteroog, glaucoom, en mijn zicht word steeds minder, maar ja ik zal het ermee moeten doen’ zegt hij. Wij gaan weer zitten en drinken onze koffie op. Een stuk wortel van een populier heeft in mijn ogen een vorm van een opspringende haas, hangt aan een donkergroen geverfde deur. Een donkerrood lint is om de ‘haaswortel’ gebonden. ‘Nog een soort Kerststuk’ legt Cor uit. Maar ik vind het een mooi ding zeg ik tegen hem. Onverwachts draait Cor zich in zijn stoel schuim om en zet een paar prachtig beschilderde klompen op de plavuizen tussen Lenie en mij. Twee schilderijtjes zijn het, een naakte vrouw met pijl en boog op de ene klomp, en op opgejaagd hert op de andere, prachtig ! ‘Een kunstenaar uit Tull en ’t Waal heeft dit vroeger voor mij geschilderd, jammer genoeg heeft hij het niet ondertekend anders waren de klompen een kapitaal waard geweest’ laat Cor ons weten. Na een gezellig praatje gaan Leentje en ik weer weg. Cor loopt nog even mee naar buiten. ‘Kom nog maar eens terug als het beter weer is, het was gezellig en dan kunnen wij in de tuin zitten’ zegt Cor zijn baard strelend, en wandelt even later, als wij in de auto stappen, zonder om te kijken richting de wat verder staande schuur. Ik hoop dat het mij gegeven is binnenkort weer eens bij de vriendelijke Cor terug te komen en voor die tijd zal ik echt wel controleren of mijn fotocamera goed werkt en niet zoals nu, voor verrassingen kom te staan. Van harte hoop ik voor Cor dat zijn longen en ogen niet slechter zullen worden. Leentje en ik rijden rustig het erf af de kabouter op zijn schommel in de uitgeholde boom gedag zeggend om even verderop nog een stukje te gaan wandelen. ‘Een vriendelijke en bijzondere man’ zegt Leentje tegen mij in de auto, en gelijk heeft zij. De wind is nog fris, en een gestaag vallende regen maakt alles zeiknat, wij wachten nog maar even in de auto alvorens wij gaan wandelen. Mij maakt het niet zoveel uit, maar Leentje is niet zo blij met het weer, het is koud en nat met dreigende hemelluchten. Bij de stelling aan de ‘Groene weg’ wandelen wij een klein stukje, maar opnieuw komen nog dreigender donkere wolken onze richting uit. ‘Wij komen hier nog wel een keer, en dan gaan wij lekker wandelen of een stuk fietsen’ zegt Leentje. Graag had ik vandaag een stuk willen wandelen, maar het is niet anders. En eigenlijk zijn wij veel langer bij Cor gebleven dan wij hadden verwacht. Voor wij wegrijden zien wij mooie paarden hollen in een frisgroene weide langs de Groeneweg. Wij nog bij het fort Honswijk gaan kijken, waar onverwachts, heel even, als een geschenk en wonder, het donkere wolkendek openbreekt en een late middagzon over het oude fort zijn stalen uitstrooit, in één woord prachtig. Buitendijks grazen wat koeien en schapen in de met struiken beklede uiterwaarden. Na een poosje genoten te hebben van het uitzicht rijden wij vervolgens over de dijk, waar soms binnendijks onder bomengroen knusse huisjes staan, in oostelijke richting naar Wijk bij Duurstede, waar wij nog even bij mijn lagere schoolmaat Kees Korstanje een paar kasplantjes gaan ophalen. ‘Ik heb er wat voor jullie klaar gezet’ zei Kees toen ik hem vanmorgen belde, ‘Kom maar gezellig effe langs, dan maak ik net als vorige week een lekker koppie thee voor jullie’. m.v.g. Gerrit.

Gisteren ben ik te horen gekomen dat mijn karateleraar Ger Schuurman ( School: Shizentai, Stijl: Wado Ruy ) uit Almere afgelopen maart 2020 is overleden. Jarenlang heb ik bij Ger getraind ( Tot eind 2007 ). Hij was altijd gedreven, met een warm hart voor de karate- en vechtsport. Langs deze weg wil ik mijn dank kenbaar maken, voor de vele dingen die ik van hem heb mogen leren. In 1972 ben ik met 4 andere jongens ( Met o.a. Hans Korstanje ) in Wijk bij Duurstede bij Wijnand van den Broek, ( Een heel goede leraar, School: Shiai Jo, Stijl: Kyokushinkai ), als een van zijn eerste leerlingen, met karate begonnen, tot omstreeks 1983. Na verhuizing i.v.m. werk, van Wijk naar Almere in 1983, ben ik eind 2007, is was 55 jaar, met karate gestopt. In januari 2008 is suiker bij mij geconstateerd, waardoor ik een paar maanden flink ontregeld was. En bovendien had ik de laatste twee jaar in beide benen mijn hamstring gescheurd. De dokter zei ‘Misschien moet u iets rustiger aan gaan doen’. Tegenwoordig ben ik regelmatig aan het hardlopen, en maak met Lenie mijn vrouw lange wandelingen. Op bijgaande foto uit oktober 1992, v.l.n.r. Bery van Rassel, Ger Schuurman en geheel rechts ik. De foto is gemaakt door mijn vrouw Lenie Marchal.

Verdriet.

VERDRIET Met hoeveel slijk en verdriet Worden wij dagelijks Geconfronteerd via de media Waaraan kinderen Worden blootgesteld In een poel van ellende? Maar mijn armen zijn tekort Om…

Als de dam doorgebroken is.

De zandkasteelbouwers.

De zandkasteelbouwers.