Category: Tekeningen Page 1 of 2

Op donderdag 13 mei 2021 al wandelend door Wijk bij Duurstede bij mijn lagere schoolmaat Kees Korstanje gaan kijken. Direct ging hij een heerlijk kopje thee voor ons maken. De vriendelijke en gastvrije Kees woont in zijn mooie woning welke gebouwd is in de oude Wijkse stadsmuur. Bijzondere muurplanten groeien op en tegen deze stadsmuur. In de 5e of 6e klas van de ‘School met de Bijbel’ samen naast Kees, bij meester van Dijk in de schoolbank gezeten. Kees is een verwoed visser, en zijn hele woning hangt en staat vol met honderden veelal zelfgemaakte visspullen, een toekomstig museum waardig, prachtig ! Een mooie kerel die Kees, altijd al in mijn ogen een beetje een vrijbuiter geweest, maar ik mag hem wel. Een kerel met een goed hart die met liefde en zorg zijn dieren verzorgt. Een van iemand gekregen jonge merel welke uit het nest verstoten was en als een tam vogeltje door zijn tuin hipt en vliegt, krijgt regelmatig van Kees te eten.

Een reebok schuilt in de luwte van de struiken voor de regen en wind.

Vrijdag 23 april 2021, kwam ik tijdens een wandeling met wiebelende net boven het water hangende plankbrugjes, over het prachtige landgoed Sandenburg, ten zuiden van het mooie in het bos gelegen kasteeltje Walenburg deze Tamworthvarkens tegen. Bijna allemaal lagen zij in de late middagzon onder de hoge bomen en struiken rustig te slapen. Het was stil in het bos, verder kwam ik niemand tegen. Een tijdje staan kijken naar de knorretjes, die zich weinig van mijn aanwezigheid aantrokken. Maar de jonge dieren waren even later toch nieuwsgierig en kwamen knorrend rustig op mij aflopen, zeker toen ik over de afrastering stapte om ze beter op de foto te kunnen zetten. m.v.g. Gerrit. NB Zie voor aanvullende foto’s onder facebook ‘Lenie Gerrit Marchal’.

Deze vriendelijke vrouw geeft de ganzen in de Langbroekerwetering in Nederlangbroek op haar eigen manier zo af en toe wat brood. Even een gezellig babbeltje met haar gemaakt. Vrijdag 23 april 2021.

Boven de weilanden nabij Nederlangbroek vloog vrijdag 23 april 2021 deze ooievaar.

Parende ganzen in de Langbroekerwetering nabij Nederlangbroek. Vrijdag 23 april 2021.

In de winterse kou op zoek naar voedsel. Donderdag 11 februari 2021.

Duiker bij de Genie. (Deel 1 ) Het is inmiddels alweer bijna 50 jaar geleden dat ik opgeroepen werd voor militaire dienst. Lichting 1972-3. ( van 15 mei 1972 tot 31 aug. 1973 ) In mijn gewone burgerkloffie in Utrecht, bij toen nog niet gesloopte oude treinstation in de trein, richting Den Bosch gestapt. Door het mooie landschap van mijn geliefde provincie Utrecht, over de oude indrukwekkende spoorbrug bij Culemborg, waar zoals moeder vroeger vertelde haar opa nog met paard en wagen overheen gereden waren, door het prachtige groene Betuwse land naar het NS station in ‘s Hertogenbosch gereden. De tijd lijkt nu ik wat ouder mag worden als droog rul zand tussen mijn vingers weg te glijden. Mijn militaire diensttijd is nu wel lang geleden, maar dank zij foto’s en wat aantekeningen en mijn krakend geheugen weet ik nog wel het één en ander. Bij het zien van de foto’s komen oude vervaagde herinneringen vanzelf weer naar boven, behalve een aantal achternamen van mijn dienstmaten die zijn in de loop der jaren weggeëbd. Hoe zou het met ze zijn ? Zouden zij allemaal nog leven ? Ook moeder had gelukkig tot haar overlijden een aantal brieven en kaartjes uit mijn diensttijd bewaard. Een mooie tijd was het eigenlijk geweest. Met een aan de voorzijde van het station in ‘s Hertogenbosch voor ons, nieuwe soldaten gereed staande bus, terwijl iedereen tijdens de busrit te horen kreeg van nu af aan onder militaire tucht te staan, werden wij een paar kilometer ten zuidwesten van Vught, naar onze bestemming, de ‘Lunettenkazerne’ gereden. Mijn gehele diensttijd, behalve een paar kleine onderbrekingen, zou ik op deze kazerne blijven. Deze kazerne is gelegen in een bosrijke omgeving, en nabij het mooie bosmeertje ‘De ijzeren man’ eveneens in Vught richting Helvoirt. In het begin had ik net als iedere andere soldaat een normale opleiding. Met o.a. exercitie, het in het gareel leren lopen van het peloton, wat ik het begin de nodige lol en gemopper gaf. Omdat toentertijd de kapsels van de nieuwe dienstplichtigen bij het in dienst treden niet tot meer een kort koppie afgeschoren werd, waren er mooie hilarische momenten met jongens die hun baret amper konden ophouden op hun soms weelderige uitstaande haardossen, dit soms tot ergernis van enkele netjes kaal geschoren kaderleden, die hoofdschuddend de langharige ‘ellendelingen’ moesten aanzien. Wij moesten als prille soldaten ( Bollen ) diverse dingen leren en oefenen, zoals o.a. stormbaan lopen, handgranaat gooien, schieten, hardlopen met volle bepakking, stormbaan lopen, etc. Natuurlijk waren er de droppings, met aan het einde van een uren durende lange wandeling met volle bepakking, in ons geval door o.a. de Loonse en Drunense duinen een schuttersputje graven met je kleine inklapbare pioniersschep. Althans het was de bedoeling om met z’n tweeën zo’n schuttersputje te graven. Iedereen kreeg iemand toegewezen om te samen te graven. Zo ook ik. Bij mij kwam een jongen te staan die geen vin verroerde. Hij was een wel overtuigde dienstweigeraar of hij barste van de heimwee. In ieder geval ging hij somber kijkend en niets zeggend in het zand zitten met zijn onderarmen voor zijn opgetrokken benen en voorhoofd op zijn knieën. In begin baalde ik van hem, maar later kreeg ik toch wel wat medelijden met de jongen toen ik hem daar zo zag zitten met die trieste blik in zijn ogen op de schaarse momenten dat hij even opkeek. Ik probeerde hem nog over te halen om mee te graven, maar nee hoor er was geen beweging in de jongeman te krijgen, ook niet door de sergeant. Dus zat er voor mij niets anders op om alléén het schuttersputje te graven. Na de graafwerkzaamheden en de lange wandeling kroop ik met kleding en al in mijn slaapzak op de zandverstuiving, en sliep als een hamster in de frisse heldere nacht, onder een wonderschone met ontelbare sterren bezaaide hemel. De volgende dag, na poepen en plassen nabij wat bomen marcheerden wij ongewassen soldaten weer richting de kazerne. De jongen waarmee ik het schuttersputje had moeten graven was een uitslaper en kwam ‘s morgens vroeg op de kazerne in de grote slaapzaal moeilijk uit zijn bed. Het ging echt niet goed met die jongen. Hij wilde nergens aan meedoen. Van het kader kreeg hij de opdracht als hij niets wilde doen maar de hele dag in de slaapzaal te verblijven. Na een paar dagen toen ik met wat maten op de slaapzaal terug kwam zat hij met opgetrokken benen en hoofd op zijn knieën bovenop een kast. Tot op de dag van vandaag vind ik knap hoe hij daar bovenop is gekomen. Een paar dagen later bij het ontwaken, er werd als wekker door iemand van het kader met een ijzeren staaf in een lange metalen buis gerammeld, was iedereen uit zijn bed en zich aan het wassen en aankleden om op tijd bij het ‘appel’ te zijn. De trieste dienstweigeraar en slaapkop lag nog in zijn bed. Wij wisten wel dat het een echte slaapkop was maar die ochtend was hij echt niet wakker te krijgen. Een paar jongens riepen zijn naam en trapten tegen zijn bed, maar zonder resultaat. Een soldaat, Willem die voor arts studeerde liet weten dat dit niet normaal was en schudde aan de weigeraar en probeerde hem wakker te krijgen. Echter zonder resultaat. Iemand gaf dit snel aan het kader door en vrij snel daarna werd de slaapkop door hospikken, militaire artsen op een brancard meegenomen. Enige dagen later zagen wij hem weer in zijn burgerkloffie met een vage glimlach op zijn mond, maar dit keer met voor ons onbekende sprankelde ogen, in de slaapzaal op zijn bed zitten. Hij had pillen ingenomen en wilde zelfmoord plegen zo liet hij wat schuchter weten. Hij was afgekeurd en kon weer als burger verder door het leven gaan. Toch wel triest zo’n jongen. Hoe zou het nu met hem zijn ? In de kazerne sliepen wij in stapelbedden met meer dan dertig man in een grote slaapzaal, wat in de eerste dagen echt wel even wennen was. Ik sliep boven ene Ben uit Den Haag. Die Ben was iemand met in het begin een grote bek, maar naar een paar weken hoorde je hem nog amper. Op een zondagavond terwijl ik, en de meeste jongen al lagen te slapen kwam hij strontbezopen de slaapzaal op. Hij hield zich staande aan mijn bedrand en liet een gore boer die mijn richting uitwasemde. Door zijn gerommel en gestommel en ranzige boer waren ik en nog enkele andere jongens wakker geworden. Sommige begonnen te mopperen op Ben en zeiden tegen hem, dat hij ‘zijn muil moest houwen en gaan pitten’. Hij kon nog amper op zijn benen staan. Vervolgens trok Ben zijn metalen kastdeur open en vroeg aan mij hoeveel procent alcohol in een uit zijn kast gepakte flesje hoestdrank zat. Ik had geen idee, maar door zijn drankkegel en gerommel was ik inmiddels helemaal wakker geworden. Zonder verder mijn antwoord af te wachten zette Ben het donkerbruine flesje aan zijn mond en klokte de zoete vloeistof met een paar grote slokken naar binnen, met een voldaan ‘aaaaahhhh’ geluid het lege flesje onder zijn bed weggooiend. Zonder zich van sommige wakker geworden en mopperende maten wat aan te trekken, liet hij zacht in zichzelf lachend als toetje een vochtige dronkenmansscheet waar hijzelf schijnbaar de meeste lol om had. Vervolgens kroop Ben met zijn schoenen en kleding en al in zijn bed, trok de dekens half over zich heen en was binnen de korstte keer vertrokken, maar snurkte als een bosvarken. Ik kon van zijn gesnurk in het begin niet slapen maar uiteindelijk door vermoeidheid zakte ik gelukkig weer in een diepe slaap. De volgende morgen zag Bens hoofd eruit als een nat bleek laken vol kreukels, had hij een paar uur daarna een wat minder goed humeur, en stonk vreselijk uit zijn bek. Tijdens de nachten in de grote slaapzaal lagen een paar jongens hard te snurken en anderen lieten in hun slaap onbewust of gewoon expres gore scheten. Relmatig als het voor sommigen, toen wij elkaar na een paar weken wat beter leerden kennen ‘s avonds te laat werd riep er wel eens iemand ‘Hou jullie nou eens je muil en ga meuren’, waarmee slapen bedoeld werd. Vaak hielp dat wel en zakte iedereen in een diepe slaap. Ik zou er nu niet meer aan moeten denken om met dertig man of meer in een slaapzaal te moeten overnachten, maar het was toen eenmaal niet anders, en alles went. Natuurlijk hebben wij met zu’n allen soms de grootste lol gehad. Zoals op die ene ochtend tijdens het wakker worden toen tussen twee jongens een kussengevecht als een geintje begon. Binnen de korstte keren was bijna iedereen elkaar aan het bekogelen met kussens en soms zweefden een paar matrassen een stukje door de slaapzaal. Het was in de vroege ochtend een geschreeuw en gebrul van jewelste. Iemand had met zijn pioniersschep de ijzeren stang waarmee wij ‘s morgens gewekt werden van de muur gewrikt. Allemaal hadden wij een hekel aan die bel wanneer wij in de vroege ochtend gewekt werden, als iemand van het kader ons waker maakte door met een ijzeren staaf hard tegen of in de holle de ijzeren stang te slaan. Eén of andere onverlaat had zelfs een waarschijnlijk net gescheten drol tegen de spierwitte slaapzaalwand gegooid. Want als een soort stinkende bruine banketstaaf lag hij gebroken en zijdelings gedeukt onder aan de muur op de vloer, maar wel een gore spettervlek op de muur achterlatend. Plotseling, waarschijnlijk op het kabaal afkomend stapte een majoor met een stokje onder zijn arm geklemd de slaapzaal in. In een fractie van een seconde alles aanschouwend en overziend, brulde met een door de zaal denderende stem dat iedereen als de gesmeerde bliksem alles weer in orde moest brengen en de troep opruimen, wij zouden hier meer van horen. Hij klakte zijn hakken tegen elkaar, draaide zich om en was weer even snel vertrokken. De lol was er voor ons grotendeels af. Iedereen zorgde er met gehaaste spoed dat zijn bed etc. weer in orde was. Eén of andere held, waarschijnlijk de schijter zelf, had zelfs met zijn pioniersschep de geplette mishandelde drol weggehaald. Alléén de ranzige bruine spettervlek op de muur was was als een soort aandenken nog zichtbaar. De van de muur losgewrikte bel lag netjes op een tafel. Beneden bij het ‘appel’ aangekomen liet de majoor ons met bulderende stem weten dat dit gedrag niet werd getolereerd en wij als reprimande deze dag een lange volle bepakkingsmars konden verwachten. Het werd die dag ook een stevige wandeling door de bossen rondom de ‘IJzeren man’ richting Cromvoirt en wijde omgeving, maar lol hadden wij met zu’n allen die ochtend wel gehad. In Cromvoirt kwamen sommige jongens er later achter, stond ‘Platte Annie’ achter de bar van een leuke kroegje. Ik ben er nooit geweest het zal wel goed zijn. In de weken daarna kreeg iedereen te horen dat mogelijk was om je op te geven voor een duikersopleiding, waaraan wel een paar strenge en zware lichamelijke en medische keuringen aan vast zaten. Het leek mij wel wat. Na drie medische keuringen waarvan een gehele dag in Hollandse Rading waar ik o.a. in een donkere ruimte de meest vreemde handelingen en allerlei testen moest verrichten was ik hiervoor geslaagd. Als laatste moest ik een hele dag lichamelijke testen bij de Marine in Den Helder doen. Tijdens o.a. een steeds zwaarder belastende fietstest moest ik regelmatig, tussentijds een aantal verschillende gassoorten inhaleren en werd er gekeken hoe ik hierop reageerde. Mijn longinhoud is, kreeg ik te horen, na een test van steeds dieper, dieper en nog iets dieper inademen, nog een beetje…, en vervolgens zo veel mogelijk alle lucht uit je longen proberen te persen, en nog wat, en dan nog wat, nog een beetje….gaf een arts aan. Dit alles een paar keer achter elkaar. Met nog drie andere toekomstige duikers, twee van de marine en ik van Genie moesten wij ons tot op onze onderbroeken uitkleden en kregen wij het verzoek om een overall zonder knopen en gympjes zonder veters aan te trekken. Met zijn zessen, drie duikers en drie artsen, stapten wij gebogen door de kleine deur een druktank in. Voordat wij naar binnen gingen, kregen wij aankomende duikers de nodige instructie zoals hoe je bij de oplopende druk in de tank je je oren kon ‘klaren’ om je luchtruimten in je hoofd aan de oplopende druk in de tank in balans te houden met de omgevingsdruk. Samen met drie doctoren, één tegenover iedere toekomstige duiker namen wij in een geheel kale geelgroen glimmende druktank plaats. Een zware metalen, met daarin een rond raampje met een wonderlijk dik glas voorziende deur werd met een doffe dreun aan de buitenzijde hermetisch afgesloten. Iedere duiker moest constant de tegenover hem zittende arts blijven aankijken. In het begin wat onwennig, maar wat moet dat moet. Ik keek liever een mooie meid in haar ogen dan deze vreemde maar wel vriendelijk tegenover mij zittende arts. Ergens bovenin de tank was een vaag sissend geluid hoorbaar en gelijktijdig zag ik op één van de meters in de tankwand een wijzer traag naar rechts wegdraaien. Een ieder, allemaal onbekenden voor elkaar praten over koetjes en kalfjes en de duikerwereld en wat onze verwachting hierin waren. Maar er waren ook momenten van stilte en was alleen het sissende geluid te horen. De doctoren gaven als herinnering aan om de paar minuten als je trommelvliezen gevoelig werden je oren ‘te klaren’ dat wil zeggen dat je moest proberen door je neus dicht te knijpen de druk in je mond en keelholte op te voeren door met dichtgeknepen mond en neus even bewust druk vanuit je longen in de keelruimte te persen. Bij deze handeling voelde de beide trommelvliezen iets kraken en weer goed ‘springen’. De traag bewegende meter bleef na zo’n 20 minuten hangen op 240. Later begreep ik dat de druk was opgevoerd tot een onderwaterdiepte van deze 240 meter. Er gebeurde verder niets, iedereen zat nog gewoon op de stak gladde bank in de tank. Onverwachts kroop de wijzer van de 240 meter weer langzaam richting de 0 positie terug. De deur werd even later geopend en wij konden naar buiten. Toen iedereen buiten de druktank stond zei een van de vriendelijke artsen ‘Nou heren jullie kunnen tegen zuurstofvergiftiging, het is maar dat jullie en wij het weten’. Op mijn vraag hoe zij erachter kwamen als je er niet tegen kon, liet de arts mij en de nadere duikers weten, dat je in de druktank dan bewusteloos was gegaan. ‘Wij vertellen dit ook nooit van te voren’ vulde de arts ons aan, want er zijn altijd mensen als zij van te voren weten wat er kan gebeuren zich al bij voorbaat niet lekker gaan voelen door eventuele spanning. Vandaar dat wij tijdens het opvoeren van de druk in de druktank met zuivere zuurstof de tegenover ons zittende arts constant moesten aankijken zodat hij bij het minste vermoeden dat het niet goed met je ging de nodige handelingen kon verrichten, en je niet op de druktankbodem smakte. De zuivere zuurstof die in de tank gepompt werd was ook de reden dat aan onze overall geen knopen en aan onze gympjes geen veters mochten zitten die misschien een klein vonkje zouden kunnen geven, en niemand mocht iets of wat dan ook in zijn overallzakken meenemen. Bij het kleinste vonkje zou iedereen in de volgepompte druktank verbranden. Maar er bestond ook zoiets als de ‘Martiniziekte’ die tijdens het duiken zomaar onverwacht kon opduiken. Door de waterdruk op je hersenen kon je als duiker in een soort schijndronkenschap terecht komen en in het ergste geval zou je met je ‘bezopen kop’ het buitenkraantje bij de ademhalingsautomaat van je duikerspak open kunnen zetten, of je masker van je hoofd trekken waardoor je zou verdrinken. Zou je bij deze Martiniziekte verschijnselen onder water een paar meter stijgen waardoor de druk op je hersenen zou afnemen, dan verdween deze schijndronkenschap. Het was maar goed dat wij als aankomende duikers op diverse dingen getest werden. Maar alle testen die ik de diverse keuringsdagen had gehad gingen goed, zoveel de geestelijke, hoe is het mogelijk, en de eveneens de lichamelijke. Ik was goed gekeurd om een duikersopleiding van een paar maanden te gaan volgen, bij de Genie in Vught. Wij Genieduikers, waren de enige duikers, totaal een stuk of 14 dacht ik, bij de gehele landmacht en kregen onze opleiding bij ‘Crevcour’ in een haventje langs de Maas, ten noorden van het dorpje Engelen en zuiden van het aan de overzijde van de Maas gelegen dorp Hedel. Het wonderlijke is in militaire dienst dat iedere soldaat zijn opdrachten moet uitvoeren. Alléén als duiker bij de Genie kon je in vredestijd opdrachten van het kader die jij niet wilde doen weigeren. Persoonlijk heb ik tijdens mijn duikersopleiding en daarna van deze mogelijkheid nooit gebruik gemaakt. Van de honderd jongens die zich opgaven voor de duikleiding kwamen ongeveer twee of drie door de diverse testen en keuringen. Dagelijks, door de weeks reden wij duikers, duikerhelpers en jongens van de vaartuigendienst die ook in Crevcour en omgeving op de Maas met hun houten- en rubber boten op de Maas oefenden vanuit de Lunettenkazerne naar Crevcour. De buschauffeur deed altijd, zowel op de heen- als terugrit de radio aan en zo bleef iedereen een beetje op de hoogte van de top 40 en toen populaire muziek. Het was op een of andere manier altijd wel gezellig tijdens deze busritten. Sommige mooie muzikale herinneringen heb ik nog wel aan deze busritten overgehouden, zoals ‘WOLD’ van Harry Chapin, de prachtige nummers van CCR en de Moody Blues en mijn maat vond ‘She was naked’ van Supersister helemaal te gek, Tot op de dag van vandaag zijn deze muzieknummers als prettige momenten in zijn geheugen blijven hangen. Zo reed de bus ook tijdens iedere rit van de kazerne naar Crevcour en aan het eind van de middag weer terug door ‘s Hertogenbosch. De meeste jongens lagen half te pitten aan het eind van de dag of waren wat met elkaar aan het ouwehoeren, of half onderuit gezakt naar de muziek te luisteren. Het gebeurde wel eens, als de bus in ‘s Hertogenbosch voor een rood verkeerslicht stond te wachten dat een langharige mooie blond gelokte meid op de fiets naast de bus eveneens voor het rode licht stond te wachten. De jongens waarvan bij iedereen de hormonen door hun lichamen gierden hadden natuurlijk het jonge ding snel in de gaten en begonnen te roepen en op de ramen te kloppen. Arm kind. Bliksemsnel stonden een aantal jongens aan de andere kant van het voetpad in de bus op, en probeerden zij allen aan de kant van de bus waar het inmiddels rood aanlopende meisje bij haar fiets stond, wat van het jonge ding te zien. Het gevolg was dat de bus naar de zijde waar het meisje stond schuin te begon over te hellen. De chauffeur begon te mopperen en de sergeant begon te roepen en te glimlachend te schelden dat iedereen ‘Stelletje geile pisvlekken.’ weer op zijn eigen plek moest gaan zitten en het meisje met rust moesten laten. Mopperend ging iedereen weer op zijn eigen plek zitten, terwijl de bus nog traag wat na wiebelde en de rit vervolgd kon worden. Ach er is nog zoveel te vertellen. In de lange avonden was er eigenlijk heel weinig te doen in de kazerne. Ja er was een compagniebar waar een biertje 25 cent koste als ik het goed heb onthouden. Sommige jongens zaten uit puur verveling iedere avond in deze bar. Maar ik heb er eigenlijk nooit wat aan gevonden, de bar was leuk ingericht maar daar was alles dan eigenlijk mee gezegd. Ik ging liever één of twee keer in Den Bosch naar de bioscoop. Toch had ik met een aantal maten op een avond wat biertjes gedronken in de compagniebar en even later op weg naar onze kamers in een, de dag daarvoor witgekalkte lange kazernegang gevoetbald. Lange donkergrijze vegen, daar waar de bal langs de kraakwitte wanden was afgeketst bleven donkergrijze ovale vlekken achter op de muren. De volgende dag moesten alle voetballers bij de ‘ouwe’ op het matje komen, en zoals verwacht hield hij een donderpreek. Een weekend staf, dus geen weekendverlof was het gevolg, en een extra nacht wachtlopen bij de kazernepoort. Bovendien moesten wij alle WC potten en douches op onze vleugel kraakhelder schoon poetsen. Met borstels, gloor en andere troep poetsen mijn maten en ik de oude vastzittende strontvegen en geelbruine gekristalliseerde pisranden die in de potten aangekoekt waren zo goed mogelijk weg. Een gore klereklus. De dagen daarna werden de voetbal gevlekte wanden weer zoals voorheen door twee schilders in helder wit overgeschilderd. Wat wij ook wel eens bij elkaar deden als iemand lag te slapen ‘murren’ noemden wij dat, werd bij het voeteind het bed opgetild en tegen de muur gedrukt, zodat de slapende al wakker wordend tussen bed en muur naar beneden schuin op de vloer zakte. Met een hoop gemopper en daverende harde klad trapte de plots ontwakende zijn bed weer op de vloer en bracht vervolgens al mopperend zijn matras en dekens weer orde om even later weer proberen verder te slapen. Hetzelfde werd wel een geflikt met de kledingkast die vlak voor het vrijdagverlof door een van de kaderleden geïnspecteerd werd of alles netjes en ordelijk in de kast lag. Als je vlak voor de inspectie b.v. even ging pissen, en je stond twee minuten later in de houding naast je kast, hadden je maten tijdens jou plasmoment de kast al schuddend naar voren getrokken tot vlak aan de grond en hem daarna zo voorzichtig mogelijk weer op de goede plaats overeind gezet. Deed je bij de inspectie door een sergeant of majoor, of weet ik veel wie, je kast open dan viel bijna de helft van de kastinhoud op de grond en kon je vlak voor je weekendverlof alles weer netjes opstapelen en je kast in orde brengen. Ja ik heb een hoop lol gehad, maar ook momenten van verveling, vooral in de avonduren. Mooie, leuke maten heb ik ontmoet ! Zoals Japie, ja die langharige Japie Verhoeven uit Ridderkerk die zijn bovenste oogleden kon dubbelklappen, Ad Versluis uit Colijnsplaat, een goedlachse vriendelijke kerel met zijn grote snor en droge humor. Ron de Wolf, met de bijnaam ‘Zeepoog’, de kleine man met zijn Haags accent “Wil je nou gauw effe opzoute’ of ‘ik sla je tanden uit je muil’ waren een paar van zijn veel gebruikte uitdrukkingen. Wat een lol heb ik met hem gehad. Een kleine man, met een grote bek, maar met een hart van goud en iemand die je nooit liet barsten. Klein van lengte maar een kei van een kerel. En de altijd zachtzinnige en aardige Gerrit Scholten die langs het Binnenpad in Gierhoorn woonde. In afgelopen jaren heb ik naamgenoot Gerrit, in Giethoorn nog wel eens opgezocht. Hij woonde in een grote boerderij gelegen aan het Binnenpad nummer 84 dacht ik . ‘Kom Gerrit, kom jong’ zei hij tegen mij. ‘Kom jong, dan gaan we een stukkie varen over de plassen’. Wonderschoon is het plassengebied rondom Giethoorn en omgeving. Ik bel hem ieder jaar rondom de Kerstdagen. Verder was er nog de altijd keurig geklede Cor Bakker uit Bovenkarspel. Mijn duikersmaat Boy Evenboer uit Zevenaar, die altijd wat scheef, de 83 kilo torsend in het standaardduikerpak stond, is zo triest ongeveer een jaar na het afzwaaien tijdens een auto-ongeluk is verongelukt. Vreselijk voor zijn ouders om hun zoon zo te verliezen, en kinderloos achter te blijven. Gijs… ja die maffe Gijs uit Ede, die na zijn diensttijd bij het bergingsbedrijf Wijsmuller is gaan werken als duiker. O ja, natuurlijk was er nog de ‘superdrukker’ uit Petten, ík ben zijn naam even kwijt jammer ! Hij probeerde zoveel mogelijk bij de vaartuigendienst zijn snor te drukken, en lag het liefst de hele dag op zijn nest te stinken. Piet van de Berg uit Rotterdam dacht ik, die helemaal verliefd was op zijn vriendin Marjet of zoiets. Veel achternamen ben ik jammer genoeg vergeten, ik had ze vroeger beter kunnen opschrijven. Mooie figuren, sommige met grote bekken en andere stil en zachtaardig. Met de superdrukker uit Petten, stom dat ik nu niet op zijn naam kan komen, ben ik in 1973 op twee prachtige zomerse strakblauwe hemeldagen gaan zwemmen en zonnen in het zwembad in de ‘IJzeren man’, het mooie bosmeer. Toen wij woensdagmorgens weer op ‘appel’ kwamen, moesten wij tweeën zoals wij wel hadden verwacht verklaren waar wij de afgelopen maandag en dinsdag waren geweest. Met bruin verbrande koppen vertelden wij eerlijk dat wij twee dagen in en bij het zwembad hadden doorgebracht. De majoor schudde zijn hoofd. Wij, de superdrukker en ik moesten weer bij de ‘ouwe’ op het matje komen en alles nogmaals onze gezamenlijke afwezigheid verklaren. Weer werd een weekverlof ingetrokken en wederom een extra lange nacht wachtlopen aan de kazernepoort met gevolg. Maar de superdrukker en ik hadden twee heerlijke dagen gehad. Het gebeurde ook wel eens dat wij ‘s nachts als wij in Vught te lang ik een kroegje waren blijven hangen en daardoor te laat bij de kazernepoort zouden komen met gevolg van een aantekening, en later eventuele bijbehorende straf door de ‘ouwe’. In het hoge hek wat om de kazerne was geplaats was ergens een gat geknipt waardoor via een geheim pad door het bos toch nog op het terrein kon komen. Maar je moest natuurlijk niet gesnapt worden door kaderleden. De gewone militairenjongens die op wacht liepen, waren wel begripvol als ze ons toevallig zagen. O ja dat is waar ook. wij jongens hadden een uitdrukking die wij van de kleine Ron uit Den Haag ons hadden aangeleerd en die we een tijdje te pas en te onpas gebruikten, nl. ‘Ik sla je tanden uit je muil’. Zo ook zei de superdrukker dat voor de gein tegen een jongen toen wij op het strandje van het zwembad in de IJzeren man met een ongeveer 17 jarige jongen in gesprek raakten. Glimlachend zei de jongen ‘dat hoef niet meer’ terwijl hij tot onze verbazing zijn bovenste kunstgebit uit zijn mond haalde en het ons liet zien. Wij drieën lagen dubbel van het lachen. Maar om even op mijn duikersopleiding terug te komen. Op het militaire terrein bij Crevcour stond een grote watertank met aan de voorzijde een paar dikke glasplaten. De allereerste keer werd je als aankomend duiker in een 83 kilo wegend standaardduikerspak ‘gehesen’ en via een klein trap kon je afdalen in de grote glasheldere watertank. Een standaardduikerspak is een echt werkpak met de ouderwetse aandoende ijzeren helm. 83 kilo lijkt veel, en is ook veel gewicht, en in het begin als je het pak voor het eerste paar keer aanhebt is het wel even wennen, maar eenmaal onder water met de goede luchtbel rondom je bovenlichaam ben je bijna gewichtloos, en kun je net als de mannen op de maan van die zweverige sprongen maken, maar onder water natuurlijk lang niet zo ver dan op de maan. Je bleef bij je allereerste duik in de watertank ongeveer een goede twintig minuten onderwater. De 2e keer kreeg je opdracht en als oefening met een gasbrander ( een luchtbel werd onder water om de vlam geblazen ) een plak van een metalen plaat die zich in een stellage was vastgeklemd los te branden. Een dikke bruine borrelende luchtbellenstroom belemmerde grotendeels het zicht waar je moest branden. Na enige oefening kon je zelfs figuurtjes, b.v. een poppetje in een metalen plaat branden. Een poppetje branden, in mijn geval Calimero, klinkt kinderachtig maar was wel goed voor je coördinatie. De 5e of 6e keer ging je voor het eerst echt in buitenwater, met veel minder of geen zicht duiken, hier begon het echte duikwerk. Van één van de duikersschepen, een ‘Kempenaar’ stapje je via de buitenboord hangende metalen afdaaltrap de haven in. Een duikerhelper hield jouw lucht- en seinlijnen strak. Dat was een geheel nieuwe en best wel spannende ervaring. Zodra mijn hoofd onder water ging kleurde het havenwater lichtgeel en al verder naar beneden zakkend ging het lichtgeel snel over in donkergeel en daarna in een intens zwarte duisternis ook mede veroorzaakt door opborrelend bodemmodder. Ook al hield je je hand tien centimeter voor duikerhelmglas dan zag je niets. Ik kan mij nog mijn eerste buitenwaterduik goed herinneren. Met een snel kloppend hart en zeker verhoogde bloeddruk kroop ik op de havenbodem aangekomen van het schip vandaan, en was wat opgelucht toen ik na verloop van tijd via de seinlijn de opdracht kreeg weer richting de kempenaar, het duikersschip over de havenbodem naar de afdaaltrap terug te kruipen. Duiken in een volslagen duisternis is echt wel even wennen. Vele geluiden zijn totaal nieuw en onbekend voor je. Wat gehaast en gespannen haal je adem. Met verhoogde hartslag en bloeddruk kroop in het donker over een modderige havenbodem. Vreemde onbekende geluiden hoor je, zoals je eigen, in je duikerspak vreemd klinkende ademhaling. Een overvarende boot van de jongens van de vaartuigendienst hoor je van ver met een steeds krachtiger geluid van de draaiende schroeven schuin boven je langs gaan en in de duisteren verte het schroefgeluid langzaam wegebben . Wat klonk dat schroefgeluid gek en helder onder water. Maar met kloppend hart en trots het goed volbracht te hebben stond ik na mijn eerste buitenduik geholpen door de duikerhelpers weer op het dek van de Kempenaar. Het ergste had ik gehad dacht ik in mijn onervarenheid. Eén van de duikers van een lichting na mij raakte bij de eerste duik in het donkere haven water in zijn duikerspak in paniek. Hij had via de seinlijn het ‘noodsignaal’ naar de aan dek staande duikerhelper doorgegeven. Zo snel mogelijk werd hij uit het water naar boven gehaald en op het dek uit zijn duikerspak bevrijd. Met wijd open staande angstige ogen en zweetdruppels parelend van zijn rood aangelopen glimmend hoofd zie ik hem nog naar adem snakkend op het dek op een houten bank zitten. De majoor probeerde de duiker, toen hij weer enigszins gekalmeerd was nog over te halen om zijn angst te overwinnen en gelijk weer onder water te gaan, wat de beste manier was om zijn angst te overwinnen. Maar aankomend duiker liet weten voor geen goud meer onder water te gaan in zijn duikerspak. De rest van zijn diensttijd is hij duikerhelper gebleven. Hij hielp dus de duikers bij b.v. het afdalen en uit het water komen, en stond in het gangboord aan de reling met de luchtslang en seinlijn in beide handen van de onder water werkende duiker. Ondanks alle testen tijdens de keuringen kon het tijdens het echte duiken dus alsnog mis gaan. Ikzelf ben onder water in mijn aqualongduikerspak ook door hyperventilatie overvallen, maar daarover straks meer. Ik hoop zoiets nooit meer mee te maken. Bij de Genie hadden wij drie soorten duikerspakken. nl 1 ) Het ‘Standaardduikerspak’, een werkpak met de welbekende grote ijzeren helm waarin de jouw benodigde ademlucht via een dikke slang door middel van een pomp aan het dek naar beneden in je duikershelm werd gepompt. 2 ) Het door de Fransman Jacques Cousteau ontworpen ‘Auqualongduikerspak’. Twee gele zuurstofflessen hangen met aan je lichaam omgebonden gordels op je rug. En als laatste het ‘Mijnenzoekpak’. Bij dit bijzondere duikerpak was voor aan je borst een soort rubberlong en een grote metalen bus gebonden die voor iedere duik met verse ‘Protosorb’ korrels werd gevuld. De door de duiker uitgeademde lucht werd door deze korrels gedeeltelijk gezuiverd en via de aan de voorzijde van je borst hangende rubber long kon je een minuut of vijf met de door de korrels gezuiverde lucht ademen zonder dat zoals bij de andere duikerspakken de lucht constant vanuit je duikerspak naar de oppervlakte stroomde. Het doel van dit mijnenzoekduikerspak was dat in een oorlogssituatie de aan de oppervlakte zijde vijand niet kon zien waar de mijnenzoekduiker zich bevond. Alleen na iedere vijf minuten moest de duiker als het zuurstofgehalte in de rubber long steeds minder werd en het ademen steeds minder makkelijk, de rubberlong met beide handen gelijktijdig geheel leegdrukken, zijn adem inhouden en vervolgens deze bijna lege long weer met zuivere lucht uit een op de rug gebonden zuurstoffles bijvullen. Alléén op het moment van het leegdrukken van de rubberlong stroomde borrelend een grote luchtstroom naar de oppervlakte, maar voor de duiker zijn eigen veiligheid moest hij in oorlogstijd snel wat verder gekropen zijn in welke richting dan ook, zodat hij vanaf de oppervlakte moeilijk te lokaliseren was. Maar iedereen vond het niet prettig om in het Mijnenzoekpak te duiken, vaak hield je er een paar uur een soort lichte hoofdpijn aan over. Eigenlijk had je in het standaardduikerspak nog de meeste bewegingsvrijheid en bovendien met een wat krakende microfoon verbinding met de oppervlakte. Omdat wij duikers bij de Genie bijna altijd over de bodem van havens, grachten, meren liepen, kropen en werkten was onze omgeving intens aardedonker. Dat was in het begin echt wel wennen. In het Mijnenzoekpak en Aqualong had je constant een mondstuk in je mond waardoor je zuurstof uit je flessen inademde. In het standaardduikerspak, ja die met de grote ijzeren helm kon je gewoon praten, de benodigde ademlucht werd via een dikke slang vanaf het dek schuin boven in je helm gepompt. Ieder standaardduiker had altijd een rood wollen muts op, en onder het duikerspak een grof wit wollen lange pijpenbroek en langarmig hemd als bescherming tegen de kou en waterdruk. Zomer en winter werd er door ons door de weeks gedoken. En wij duikers kregen gevarengeld, In de zomermaanden kreeg toen ik in 1972 -1973 tot 15 meter 25 cent per minuut, en beneden de 15 meter 50 cent per minuut. In de wintermaanden werd dit bedrag verdubbeld. Dus was je in de winter beneden de 15 meter kreeg je een gulden per minuut, en dat was toen een heel bedrag. 60 gulden per uur. Meestal bleef je ongeveer een uur onder, en deze duiktijden werden netjes en secuur door het duikkader in een logboek bijgehouden, en het gevarengeld kreeg je een maand later extra bij je soldij uitbetaald. Het langste wat ik onder water ben gebleven was ongeveer tweeënhalf uur. Een onder water gelaten ‘Baileybrug’ dat is een verplaatsbare brug die uit losse elementen is opgebouwd, was in een rivierbodem gedeeltelijk in de modder en zandbodem weggezakt. Samen met een van mijn duikersmaten werd door het kader aan ons gevraagd of wij tweeën de brugdelen uit elkaar wilden halen. Met een moker en soort katoenen zak gingen wij onder water. In het volkomen duister en op gevoel sloeg ik de dikke ijzeren bouten uit de brugdelen en deed deze in een zak die na een stevige ruk door mij aan het touw waar de zak aan verbonden was naar de oppervlakte opgehaald en even later weer door mij naar beneden gehaald voor de volgende lading bouten en pennen. Als je lang onder water verblijft gaat het tijdsbesef verloren, een onderwaterhorloge hadden wij niet, in het volledig duister en opborrelde modder kon je totaal niets zien op een duikershorloge. Maar laat ik zeggen, na omstreeks een uur dacht ik hoorde ik de krakerige microfoonstem in mijn Standaardduikerspakhelm dat mijn duikersmaat naar boven was gekomen en zich niet lekker voelde. Er werd aan mij gevraagd of ik alléén de brug verder te demonteren, of dat ze nog een andere duiker moesten aankleden. Ik liet weten het verder wel alléén te doen, maar dat het i.v.m. in de bodem weggezakte brugdelen het moeilijk werken was. Het ging soms heel lastig om uit de in de modder en zand weggezakte brug de benodigde bouten los te slaan, en het duurde allemaal veel langer dan ik had verwacht. Maar uiteindelijk was ik klaar en bleek dat ik een dikke tweeënhalf uur onder water was geweest met door mij in volledig in het duister aan de brugdelen vastgemaakte kabels werden de losse brugdelen stuk voor stuk omhoog gehesen. Op een goede, ik kan beter zeggen kwade dag ging ik in mijn duikerspak onder water. De dag daarvoor was ik ‘s middags bij de tandarts geweest, die in een kies een vulling had geplaatst. Alles leek ogenschijnlijk goed gegaan te zijn bij de beste beul. Maar op het moment dat ik de dag daarna onder water ging begon mij geboorde en gevulde kies een stekende pijn te geven, en naarmate ik dieper zakte werd de kiespijn laat ik zeggen ondraaglijk. Waarschijnlijk was er onder de vulling zoals wij tijdens de duikopleiding ook hadden geleerd een piepklein luchtbelletje onder de vulling blijven zitten die door het drukverschil tijdens het duiken op mijn zenuw ging werken. Toen ik weer opsteeg en uit het water kwam werd de kiespijn minder maar ik had de verdere dag een pijnlijk gevoelige kies. ‘s Avonds na het eten bekroop mij het gevoel dat ik de komende nacht met die zeurende kiespijn de komende nacht geen oog dicht zou doen. Na veel gepeuter en gepiel heb ik voor de spiegel in de grote toiletruimte met een vork de vulling uit mijn pijnlijke kies gebroken. Na verloop van een half uur zakte mijn kiespijn weg en had ik een goede nachtrust. De volgende dag ben ik terug naar de militaire tandarts gegaan, die nu met extra zorg mijn kies opnieuw vulde. Daarna heb ik gelukkig ook nooit meer last gehad met deze kies. Wat mij nog even te binnen schiet is dat tijdens de opleiding wij een schalm, dat is een kettingring, van een dikke scheepsketting onder water op een soort ijzeren aambeeld, die ze vanaf het dek op de havenbodem hadden laten zakken, moesten loshakken. Met een katoenen tas met een flinke moker en ijzeren beitel kroop ik onder water in het donker naar het aambeeld dat gedeeltelijk in de bodem was weggezakt. Op het gevoel legde je de scheepsketting op het aambeeldje. Vervolgens op de tast plaatst ik zo goed mogelijk de beitel op de schalm die ik moest loshakken. Met de moker sloeg ik in volkomen duisternis op de beitel. De mokerslag, in het begin voorzichtig ging één of twee keer goed. Maar Ja, je voelt het al aankomen. ‘Aauuww…gloeiende, gloeiende….. kloteding. Ook enkele keren bij het krachtiger slaan kwam de moker net niet goed op de beitel, ketste af en raakte mijn zijkant en knokkels van mijn linker vuist waarmee ik de beitel vasthield. Een stekende vlammende pijnscheut schoot door mijn hand. Ik heb er de dagen daarna ook een flinke blauwe plek en geschaafde knokkels op mijn linkerhand aan overgehouden. Maar na enig oefenen en gemopper in het duister, en de wil ‘van ik kan het, en ik wil het ! kreeg ik het gevoel, coördinatie en handigheid te pakken en scheidde de schalm zich van de dikke scheepsketting. Ik schalm al die jaren nog bewaard en hij ligt ergens in mijn boekenkamer. Trouwens over kettingen gesproken. Tijdens takelwerkzaakheden met de kraan op het duikersschip stonden ik en nog een paar man op het dek. Een of ander zwaar ding moest van de kade de haven in getakeld worden. Plots knapte ergens de ketting en deze zwiepte als een waanzinnige slang over het dek en verdween al ratelend met veel kabaal over de scheepsrand in de haven, een kolkende watermassa achterlatend. Ik, en waarschijnlijk iedereen schrok hevig. Ik een reflex trok in mij op in het wand, mijn benen zover mogelijk omhoog trekkend. Ik zag ik de gebroken ketting onder en naast mij over het dek zwiepen. Gelukkig raakte niemand gewond wat een wonder was. Maar de schrik zat er bij iedereen even goed in. Als een soort ontlading stond iedereen voorover gebogen hard te lachen, maar even later ook dankbaar dat alles goed afgelopen was. Ook nu nog, als er ergens takelwerkzaamheden zijn blijf ik op veilige afstand. Ook een tiental kopen moesten wij als duiker leren en deze onder water om een dikke paal kunnen maken, die later boven water door het kader gekeurd en beoordeeld werden. Zoals o.a. De Paalsteek, Mastworp, Halve steek, Vissersknoop, Platte knoop enz, maar ook het ‘Oud wijf’ een foutieve knoop die ogenschijnlijk goed lijkt naar bij te hoge trekkracht weer los schuift met alle eventuele gevolgen van dien. Een andere leuke en uitdagende opdracht was onder water een houten kistje in elkaar timmeren. Waarom zal je, je misschien afvragen ? Het waren allemaal werkzaamheden om een duiker in opleiding behendigheid en coördinatie te leren in volkomen duisternis. Met een touw met dwars daardoorheen de afgetelde spijkers gestoken, hamer en zes plankjes ging ik onder water. Je kon punten verdienen met het uiteindelijke resultaat. Met één hand de afdaaltrap goed vasthoudend en in je andere de zes plankjes en hamer. Zodra je onder de wateroppervlakte verdween, wilden de plankjes gaan drijven. Goed vasthouden dus was noodzakelijk. Op de bodem van de haven ging ik in mijn standaardduikerspak zo goed mogelijk gehurkt zitten, drukte vijf plankjes in mijn kruis en klemde alles zo goed mogelijk tussen mijn benen bij elkaar. Het eerste plakje drukte ik zo diep mogelijk in de modder en controleerde of hij niet ging drijven door mijn hand een klein stukje boven het plankje te houden. Met mijn andere hand pakte het tweede plankje trok ik een spijker uit het touw wat rondom mijn nek gebonden was , hem goed vasthoudend, want in de modder zou ik hem nooit meer terug vinden. Wat een gepiel, gepruts en gemopper, constant wilde het plankje naar boven drijven ging ik aan de slag. Maar uiteindelijk, als een uitdaging het goed af te willen werken had ik na wat gemopper en gepruts een mooi kistje gemaakt. Ik was er trots op, want geloof mij het valt echt niet mee onder water in volkomen duisteren met eigenwijze plankjes die constant de neiging hebben naar de oppervlakte te drijven een goed kistje te maken. Een andere echt vervelende en uitdagende oefening was, ik heb die tijdens mijn duikersopleiding twee of drie keer gedaan was een oefening om jezelf tijdens een duik in een gezonken schip te kunnen redden mocht je onverwachts vast te komen zitten. Op de wal stond een soort L vormige ijzeren geknikte tunnel. In de bijna even lange zijden van de tunnel, die in het midden haaks geknikt was, waren schuin diverse ijzeren stangen gelast. De metalen tunnel werd met de kraan van het schip van de wal naar de havenbodem gehesen, waardoor hij door zijn gewicht wat in de modder en het zand wegzakte. Nu was het de bedoeling, als oefening dat de duiker in een benarde situatie zoals bij wrakduiken, wat heel gevaarlijk kan zijn, zichzelf kan redden. In het gehelmde standaardduikerpak ging ik naar beneden. Op gevoel in volledige duisternis kroop ik over de havenbodem richting de tunnel en doordat ik mijn ijzeren helm tegen de tunnelrand botste wist ik op de tast de ingang te vinden. Nu is het zo, dat als je gewoon in een standaard duikerspak op de havenbodem aan het werk ben, je moet zorgen dat er boven je brede riem voldoende lucht is rondom je bovenlichaam. Ook niet teveel anders bestaat het gevaar dat je onverwachts als een pijl naar de oppervlakte schiet, met alle gevolgen van dien, zoals gescheurde trommelvliezen en caissonziekte, afhankelijk de diepte waarop je zat. In de tunnel kroop ik met kloppend hart naar voren. Het was een krap ding en al vrij snel voelde ik de eerst schuin in de tunnel gelaste stang. Hup zo voorzichtig mogelijk schuin in mijn duikerspak, diverse keren mijn helm stotend, er onderdoor, bij de volgende schuine stang er overheen enz. De luchtbel rondom mijn borstgedeelte had de neiging als ik schuin naar beneden kroop om tussen mijn brede riem door naar mijn billen en benen te kruipen. Dat mocht absoluut niet gebeuren daar ik anders zou kunnen stikken door zuurstoftekort of verdrinken doordat mijn hoofdgedeelte vol havenwater zou kunnen lopen. Gelukkig viel het allemaal nog mee. Maar het was zweten, mopperen, met flink kloppend hart, maar ook de wil om het goed te volbrengen gaf mij moed om door te zetten. Wat er ook mocht gebeuren ‘doorzetten’ ging er door mij heen. Via mijn manchetten voelde ik het koude water langs mijn benedenarmen mijn duikerspak insijpelen. Uiteindelijk na de lastige knik in de tunnel kwam ik boven water. De heenweg was gelukt. De zweet stond op mijn hoofd. Nu kwam het nog lastiger gedeelte, de terugweg, want dan zou ik ook moeten zorgen dat mijn lucht- en seinlijn mijzelf niet in de weg zaten. Het vervelende was dat tijdens het terug kruipen de zware loden borst- en ruggewichten regelmatig achter de schuin gelaste stangen bleven hangen. Niet in paniek raken schoot regelmatig door mij heen, nadenken ! Wat moet ik doen…rustig blijven… nadenken ! Ondanks dat het ijzige water via mijn manchetten in de kleine gleufjes tussen mijn gespannen spieren en pezen langs mijn benedenarmen naar binnen sijpelde, kroop ik op de terugweg over en onder de schuine stangen terug. Mijn seinlijn en luchtslang nam ik gelijktijdig mee terug en gelukkig werden die bovendeks zo goed mogelijk door de alerte duikerhelper ingehaald. Het zweet liep in kleine vervelende straaltjes langs mijn gezicht en drupten mijn kraag in. Uiteindelijk, en echt…. ik was echt opgelucht en trots op mijzelf dat ik de tunneloefening had volbracht was ik weer terug bij het beginpunt van de tunnel. Natuurlijk is deze vervelende oefening niet voor niets, want niets is zo gevaarlijk als duiken in een gezonken schip of wrak. Je luchtslangen kunnen afgekneld of zelfs afgesneden worden, en bovendien zou een wrak kunnen verschuiven met alle gevolgen van dien. Aan dek, zomer en winter werd je door de duikerhelpers uitgekleed tot op je wit wollen ondergoed. Benedendeks deed je het wit ruig wollen ondergoed uit en je normale militaire pakkie weer aan. Zomer en winter werd er op doordeweekse dagen gedoken. Maar in de winter moest je ook, en dat waren vele keren gewoon een uur onder water op dezelfde plaats in je standaardduikerspak stil staan om je lichaam aan de kou te laten wennen. Een uur stil staan in de winter is lang, zeker in een volkomen duisternis. Het eerste half uur, voor zover je enig idee van tijd had ging nog wel. Het laatste kwartier was afzien, echt afzien. Je kreeg het steeds kouder en soms begon je lichaam te trillen. Handschoenen hadden wij in de winter wel aan, maar bij gebrek aan beweging werden je handen en vingers ijskoud. Altijd had het iets van een opluchting als na een uur de duikerhelper via de seinlijn het signaal gaf dat je weer naar boven mocht komen. Verkleumd, soms amper in staat de buitenboord hangende afdaaltrap naar boven te klimmen werd je door de duikerhelpers staande gehouden en zittend op een houten bank in weer en wind tot op je wollen ondergoed uitgekleed. Mijn vingers waren dan verkleumd en kon ik amper nog bewegen. Benedendeks aangekomen ging het een poosje wel weer. Het ging bij oefeningen ook wel eens mis, zoals die keer dat twee duikers elkaar onder water tegen kwamen en door welke oorzaak dan ook, de ene duiker bij een oefening de helm van de andere duiker per ongeluk losdraaide. Ik paniek wist de duiker, Arjan dacht ik, zonder duikershelm, op de havenboden staand zijn seinlijn niet te vinden om het noodsein door te kunnen geven. Maar één van de alerte duikerhelpers die in het gangboord stond zag plots een rood duikersmutsje aan de oppervlakte drijven. Alle duikers die op dat moment onder water waren werden zo snel mogelijk naar boven getrokken aan hun seinlijnen en luchtslang. En ja hoor er was er eentje zonder helm. Met een vuurrood hoofd van ingehouden adem werd Arjan aan boord geholpen, en de andere duikers konden zich weer naar de bodem laten terug zakken. Arjan was even later verrukt en blij dat hij niet verdronken was en had de grootste lol waarschijnlijk als verwerking en ontlading van zijn spannende opgedane ervaring. Maar zo ook een andere duiker schrok zich een aap toen wij allen om beurten in de 15 meter diepe sluizen van IJmuiden gingen duiken. Langs het afdaaltouw liet hij zich in verschillende ‘stopfasen’ naar beneden zakken. Beneden aangekomen gaf de duiker, door een stevige ruk aan de seinlijn aan de duikerhelper aan boord door dat hij op de bodem was geland. Na een paar minuten van acclimatiseren kreeg hij van boven het sein, een ruk gevolgd door nog een ruk, om naar achteren over de sluisbodem te gaan lopen en zijn werkoefeningen te gaan doen. Bij de eerste stap naar achter viel de duiker in een onverwachte diepte, en zakte meters verder naar beneden gedeeltelijk door de duikerhelpers bovendeks opgevangen. Het bleek later dat de duiker bij het afdalen precies op een in het verleden verkeerd geheide en een paar meter boven de bodem plat afgezaagde dukdalf, een enorm brede houten paal waar grote oceaanschepen zich aan vast leggen was beland. Maar het was wel even schrikken voor hem. Wij als duikers van de Genie moesten ook altijd aanwezig zijn als bij rustig windstil weer jongens met hun grote tanks over de Maas vaarden, dat wil zeggen, van de noordelijke naar de zuidelijke oever. Ongelooflijk om te zien, hoe die zware kollossale tanks voorzichtig de rivier inreden. En goede 15 of 20 cm van de tank bleef boven water zichtbaar terwijl de tankjongens bovenop de varende tank zaten die langzaam naar de andere oevers vaarden. Voor het geval er toch een tank onverwacht zou zinken moesten wij duikers altijd in duikerspak paraat aanwezig zijn, meevarend in een boot van de vaartuigendienst om eventuele drenkelingen te redden. Ja over drenkelingen gesproken, één van mijn maten Piet werd gevraagd door het kader of hij in een zandafgraving die gebruikt werd als vuilnisstortplaats, in het bijzijn van politie naar een daar waarschijnlijk verdronken jongetje wilde zoeken. Piet stemde toe. Gelukkig voor Piet had hij niets gevonden, maar de bezorgde ouders van het jongetje moesten hun zoektocht naar hun kind vervolgen. Maar die middag toen de tankvaaroefening over de Maas gedaan was, mochten wij duikers voor de gein een stukje in zo’n tank meerijden. Wat een vreselijke klereherrie maakten deze tanks als zij ratelend over een klinkerweg richting Crevcour reden. Het was een leuke ervaring, maar dat was voor ook dan ook alles. Toen wij later die middag met een paar jongens van de vaartuigendienst in hun lange houten boten met krachtige buitenboordmotoren richting het wat verderop langs de Maas gelegen Ammerzoden vaarden, kwam een van de gehele dag al tijdens de tankoefening boven ons vliegende en oefenende straaljager vanuit de hemelhoogte jankend kaars recht op ons bootje aanvliegen. Of de straaljagerpiloot zin had in een geintje weet ik niet, maar iedereen in onze boot keek elkaar verbaasd aan, en had zoiets van ‘Wat is dit ?’. Onverwacht in onze ogen, op een moment dat wij dachten dit gaat niet goed, trok de straaljager een paar honderd meter boven ons bootje zijn toestel in een mooie boog weer omhoog en verdween met bulderende motoren het hemelruim in om even later als een stipje in de trillende zomerhitte te verdwijnen. Wij allen, van de schrik bijgekomen lagen lachend in de boot waarschijnlijk als ontlading van het spannende moment. at een mafketel die piloot ! Misschien spring ik van de hak op de tak. Er is nog zoveel te vertellen, en sommige dingen laat ik maar voor wat het is, of ben ik vergeten en weet ik niet goed meer. Zoals de oefening om onder water luchtslangen te verwisselen tussen twee standaardduikers wat ook een keer mis ging. Ikzelf heb ook een keertje gehad dat ik in een aqualong duikerspak de afdaaltrap naar beneden ging, maar bij de eerste ademhaling onder water kreeg ik i.p.v. lucht rivierwater naar binnen. Het was even schrikken. In een reflex blies ik bijna al het water door het kraantje in mijn ademhalingsautomaat weer naar buiten en draaide zo snel mogelijk dit kleine kraantje dicht waarna ik gelukkig in het begin wel met wat druppels die ik doorslikte gewoon kon ademen. Het was gewoon een domme fout van mijzelf. Altijd moet je controleren voor je afdaal of het buitenkraantje in je ademhalingsautomaat dicht staat. Later in mijn diensttijd heb ik met mijn duikersmaat Gijs uit Eden, die na zijn diensttijd als duiker bij Wijsmuller is gaan werken en in het Midden oosten bij de aanleg van havens de nodige duikwerkzaamheden had, bij een meertje nabij Babberich een klein plaatsje ten zuidoosten Zevenaar, aan de Nederlands – Duitse grens oude wapens en munitie opgedoken. Het kader vroeg aan ons tweeën of wij dat wilden doen. Voorzichtigheid was geboden. In een militaire vrachtauto met onze duikerspullen reden wij die dag in de vroege ochtend naar het bewuste meertje. De mannen van de EOD ( Explosieven Opruimingsdienst ) uit Culemborg waren net hun materiaal aan het uitpakken en wij begroeten elkaar. In een stille door bomen omgeven waterplas, waar in het begin van de 2e oorlog een soort wachthuisje had gestaan hadden de Nederlandse soldaten bij het naderen van de Duitsers, als ik het allemaal goed heb onthouden hun wapens, granaten en ander gevaarlijke minutie in de waterplas gegooid. Omdat het meertje door hoge bomen was omgeven was in de loop der jaren op de bodem een dikke humusmodderlaag ontstaan. Gijs en ik kregen van de jongens van de EOD de nodige tekst en uitleg t.a.v. van eventuele minutie die wij op en in de bodem van het meertje zouden kunnen aantreffen. Nadat wij onze duikerspakken hadden aangedaan gingen wij vanaf de begroeide oever het meertje in. Opborrelende modder verspreide zich als een bruine uitbreidende wolk om ons heen en belemmerde onder water ons zicht, wederom moesten wij werken en zoeken in een totale modderige duisternis. Zo diep mogelijk, bijna tot aan onze schouders drukte ik mijn handen en armen in de zachte modder. Zo gauw ik iets verdachts of hards voelde haalde ik dit zo voorzichtig mogelijk uit de modder naar boven en deed dit aan een touw gebonden katoenen zak. Stuk voor stuk, je mocht absoluut geen twee gevonden dingen bij elkaar doen i.v.m. ontploffingsgevaar. Bovendien en begrijpelijk moesten Gijs en ik op het gevoel onder water te werk gaan en op geen enkele manier aan de gevonden voorwerpen peutteren aan iets draaien of onnodig betasten, ter voorkoming dat het zou kunnen ontploffen, en je daardoor je hand of arm kwijt zou kunnen raken, of nog erger. Die dag hadden Gijs en ik nog heel wat granaten, kogels ander spul gevonden. Zwaar verroest lag het op een lange tafel, en op een kleed op de oever ter beoordeling van de explosievenmannen. Aan het eind van de middag werd er door de mannen van de EOD een honderd meter verderop een groot gat gegraven en de gevonden minutie met een dikke laag zand bedekt. Wij, Gijs en ik wachten vol spanning op de explosieven die alle gevonden minutie onschadelijk zouden maken. Een doffe knal wierp een zanderuptie omhoog en iedereen was dik tevreden, en wij allen reden in de 4 tonner in de avonduren weer richting kazerne in Vught. Ik en nog een andere duiker ik dacht Piet werd ook gevraagd of wij in Duitsland bij een tankoefening die bij een rivier gehouden zou worden aanwezig wilden zijn voor het geval een tank onverwachts zou zinken en soldaten gered zouden moeten worden. Uren lang was onze rit in een 4 tonner met onze duikersuitrusting, met een paar kleine onderbrekingen naar Seedorf in Duitsland. Ik was hier nog nooit geweest. Tjonge jonge wat een enorme kazerne was dat. In een gebouw met een grote prachtig geschilderde indianenkop op de gevelwand, wat mij gelijk aan Winnetou, één van de helden van uit mijn jeugdjaren geliefde schrijver Karl May deed denken, konden wij overnachten. Overigens lees ik zo af en toe nog een boek van Karl May. Na even zoeken werd mij een bed aangewezen. Piet sliep op een andere kamer. In een vierpersoonskamer met onbekende soldaten bekeek ik mijn bed en directe omgeving. Ik weet van welke soldaat mijn tijdelijke bed voor één nacht was, maar zoveel pornofoto’s had ik nog nooit gezien. De wand achter het bed hing vol met prachtige meiden met enkele in de meest uitnodigende wijdbeense houdingen. Toen ik even op bed ging liggen na het avondeten en lange rit zag ik tot mijn verbazing dat zelfs de onderkant van de meterlange boekenplank boven mijn hoofd vol geplakt was met naakte meiden in allerlei houdingen, sommige in een soort schijnkuisheid en anderen alles uitdagend etalerend. Het kon natuurlijk zijn dat de soldaat waarvan ik één nacht zij bed mocht gebruiken, wel met een set schone lakens en kussensloop, in zijn vrije tijd een studie voor Gynaecoloog volgde. Natuurlijk als gezonde jongen zijnde heb ik alles wel even goed bekeken, maar op een gegeven moment had ik de dames ook wel ‘gezien’. Het was maar voor één nacht. De volgende dag was de tankoefening over de rivier. Alles ging gelukkig goed. Na een lange rit waren wij, Piet en ik en het kader weer veilig op onze kazerne. Eén van de oefeningen was om een gat wat tijdens oorlog of andere oorzaken in een scheepswand was ontstaan met een ijzeren metalen plaat zo goed mogelijk te dichten. Hiervoor werd voor de oefening in de haven met de takel van het schip een grote stellage met daaraan verbonden een stuk scheepswand gemonteerd op de bodem van de haven gezet. In de scheepswand zat een gat van ongeveer 20 cm in doorsnede. Met een aan een takel hangend ongeveer 80 cm lang gun een soort klein kanon moesten wij duikers met een losse metalen plaat en ongeveer 15 cm lange bouten, afgeschoten door het gun het gat in de scheepswand zo goed mogelijk dichten. Om de bouten af te kunnen schieten werd op het dek het gun geladen met een ongeveer 20 cm groot patroon. Als eerste ging ik naar beneden. Op een diepte van een paar meter bleef ik wachten op de modderige bodem totdat de gun naar beneden gezakt zou zijn. Alles ging goed. Ik kan het mij nu niet allemaal meer zo goed herinneren of de vast te maken plaat die het gat moest dicht wel of niet al gedeeltelijk voor het gat vast geschoten was door een van mijn duikersmaten die de dag daarvoor deze oefening moesten doen. Met mijn linkerhand tastend in het donker voelde ik of op welke plaats de gun op de metalen plaat geplaatst moest worden om de plaat verder vast te schieten en het gat in de scheepswand te dichten. Iedere duiker moest in ieder geval minstens één keer deze oefening hebben gedaan. Het gun had ik in een volslagen duisternis in de goede positie tegen de metalen plaat en mijn rechterschouder geplaatst. Met mijn linkerhand moest ik rechtsvoor bij het gun een rode knop indrukken en gelijktijdig met mijn rechterhand de stevige trekker overhalen en met al mijn kracht het handvat met mijn rechterhand en schouder indrukken om de bout af te kunnen schieten door de metalen plaat en de scheepswand. Alles indrukkend haalde trekker over, maar ik hoorde niets. Zeker niet hard genoeg gedrukt ging er door mij heen, nog maar eens proberen. Maar ook nu hetzelfde resultaat, er gebeurde wederom helemaal niets. Ik begreep er geen reet van. Nogmaals met al mijn kracht die ik bezat drukte ik het grote pistool wat meer weg had van een soort klein kanon voor de derde keer in, maar weer gebeurde er niets. Gloeiende …gloeiende. Door de microfoon in mijn duikershelm laat ik weten het na drie keer geprobeerd te hebben er niets gebeurde. ‘Gerrit… wat ben jij nu voor een slappe lul, je weet toch wat je moet doen. Heb je staan pitten vanmorgen tijdens de instructie ? Heb je misschien de hele nacht in je nest liggen rukke ?’ hoor ik de stem half schreeuwend van de majoor aan het dek. ‘We takelen de hele zooi wel naar boven en kijken wat er aan de hand is, blijf jij maar gewoon beneden’. Ik begreep er niets van, waarom de gun niet werkte. Alle instructies die wij als duikers de uren daarvoor aan dek hadden gehad, had ik volgens mij goed opgevolgd. Nou wachten maar. Minuten gingen voorbij tot ik plots de nu veel mildere stem va de majoor door mijn krakende microfoon in mijn duikershelm hoor. ‘Sorry…sorry…. die lompe boer, die lulhannes van een Klaas heeft de patroon verkeerd, achterste voren in de gun gedaan, sorry jongen wij wisten niet eens dat het mogelijk was, jij kon er niets aan doen, ik zal Klaas zo wel even voor z’n ballen trappen. Let op je kop, wij laten over een paar minuten de boel weer naar beneden zakken, doe voor de zekerheid een paar stappen naar achteren, en probeer het zo nog maar een keer, het zal nu wel goed gaan. Laat even weten als je gaat beginnen’ klonk de nu vriendelijke krakende majoorsstem door de microfoon in mijn helm. Even later hoor ik schuin boven mij geplons aan de oppervlakte en voelde ik toen ik mijn armen in het donker recht naar voren hield weer het ongeveer 80 cm grote gun. Hup maar weer proberen, het zal nu wel goed gaan. Met een flinke druk met mijn rechterschouder de gun zo hard mogelijk aandrukkend voel ik een schok en een harde metaalachtige tik gonst onder water. Tastend in het donker voel ik dat de metalen bout op de juiste plaats zit in de metalen plaat en scheepswand. Een opgelucht gevoel van blijdschap gaat door mij heen. Mooi zo dat is gepiept. Als ik later weer op het dek ben staat Klaas met zijn rechterhand op zijn hoofd naar mij te lachen. ‘Sorry Gerrit.. sorry ouwe’. De andere jongens hebben de grootste lol. Wij zijn allen maten van elkaar, die tijdens het duiken elkaar voor 100 % willen en kunnen vertrouwen. De majoor loopt wat mopperend maar lachend over het dek, blij dat er geen ongelukken gebeurd zijn. ‘Als Klaas het nog een keertje verkeerd doe, duw ik persoonlijk die patroon diep in z’n reet’. ‘Gelukkig is hij niet afgegaan, voor hetzelfde geld schiet je onder water je halve arm er van af, wij wisten niet eens dat het mogelijk was dat de patroon andersom in de gun geplaats kon worden…zo zie je maar ik moet overal met mijn neus bovenop staan’. Hij haalde diep en hard zijn neus op en spuugde aan de andere kant van het schip tussen wal en schip. Iedere doordeweekse dag gingen wij duikers het water in. Zomer en winter. Vooral de oefening in winterdagen als sneeuw over het dek jaagde was het onder water misschien nog aangenamer dan voor de jongens op het dek, die constant in de jachtige sneeuw en wind stonden. Trouwens ook duikers deden de werkzaamheden van de duikerhelpers. Echter, duikerhelpers mochten en konden niet duiken. Onder water draagt het geluid anders dan je misschien zou verwachten heel ver. Een boot van de vaartuigen dienst die hoog over je aan de oppervlakte vaarde hoorde je al van ver aankomen. Zo ook als sporadisch als één van de grote schepen ging varen hoorde je de draaiende schroeven door het water slaan. Zeker als majoor met de bijnaam, ‘Plank gas’ achter het stuurwiel stond. Zijn echte naam ben ik vergeten, maar het was een lompe en onverschillig overkomende majoor van de vaartuigendienst, die zoals zijn bijnaam al aangaf altijd ‘plank gas’ vaarde. Onder water was dat goed te horen. Majoor van Pelt, een keurige rustige man onderhield alle duikerspakken en reinigde de ademhalingsautomaten na iedere duik en hield alles bewonderingswaardig in orde. Majoor ‘De Roo’, was de ‘ouwe’ het hoofd van alle duikers en duikerhelpers en jongens van de vaartuigendienst. Maar deze ‘ouwe’ zagen wij eigenlijk niet zoveel, alléén zo af en toe tijdens een bijzondere toespraak. Maar voor de rest was het altijd, mocht je hem tegenkomen een gewoon vriendelijk groetende man. Aan zijn ene hand waren een paar misvormde vingers wat hij had overgehouden aan de 2e wereldoorlog. Wij duikers zijn aan het begin van onze opleiding tegen diverse dingen ingeënt. Want bij lang onder water blijven worden je handen zacht en week. En zoals bij een duik in ‘De Dieze’ in ‘s Hertogenbosch toen wij duikers op zoek waren naar iets i.v.m. een gepleegd misdrijf waren mijn handen week en zacht geworden en diversen malen heb ik ze opengehaald aan allerlei troep wat in de loop der jaren in het water gegooid was en op de bodem lag, zoals fietsen, kapotte flessen, blikjes ets. Bovendien was het goed opletten dat de luchtslangen per ongeluk niet door iets scherps wat boven de bodem uitstak lek raakten. Het vervelende is als je handen en huid door het water zo week worden, dat pas bij diepe sneden in je vingers en handen dit gaat voelen. Met een paar flinke japen in mijn vingers en handen kwam ik boven water. Gelukkig nooit ziek geworden, en vrij snel waren de sneeën weer dicht gegroeid. Zie voor aanvullende foto’s Facebook onder; Lenie Gerrit Marchal.

m.v.g. Gerrit.

Testbericht nummer 7

In 1991 heb ik voor de gein deze tekening gemaakt van onze lieve hond Max, een Newfoundlander met een heel lief karakter. Ik heb wel een paar tranen gelaten toen hij dood ging.

In 1991 heb ik een van de leeuwen getekend die op de twee stadpompen op de markt in Wijk bij Duurstede staan. Op een gravure van Jan de Beijer, uit 1745 is te zien dat voor deze stadspompen, er op de markt twee waterputten waren. Iedere put was overdekt met een achtkantig klokvormig dakje, wat op hoge zuilen was geplaatst. In 1759 zijn deze waterputten vervangen door de huidige hardstenen stadspompen. Voor het Gasthuis ( vroeger Gasthuys ) in de Oeverstraat werd in 1710 eveneens een pomp geplaatst. Als jochie zijnde kon je in de jaren 60 nog bij deze pomp, of hij toen nog water gaf weet ik niet meer. De pompen op de markt in ieder geval wel, regelmatig als schooljongens zijnde dronken wij van het pompwater. Bij de NH kerk en naast het stadhuis was toen, op de markt ook nog een urinoir waar altijd een gore pislucht hing.

In 1998 heb ik voor de Chuck Wagon in Almere Haven, waar je toen gezellig en heerlijk kon eten, een kleurplaat gemaakt.

In 2003 een paar schetsen gemaakt voor kaarten. Het is nooit iets geworden.

En deze.

En deze. Ook dit is nooit iets geworden. Misschien had ik de hond geen grote wind moeten laten, wie weet !

Op 14 Oktober 1991 heb ik deze tekening afgemaakt, van het prachtige bakhuis, wat staat naast de boerderij van Dries van Dijk in Amerongen. ( De boerderij en bakhuis zijn gezien vanaf de dijk gelegen achter de Natewischtoren ). Ik heb de tekening aan Dries gegeven, o.a. als dank voor de vele foto’s die ik in de loop der jaren van hem, zijn dochter Rose en de boerderij en omgeving mocht maken.

Boerderij “De zeven morgen” in Cothen, 1981.

Zondag 4 augustus 2019 zag ik in Putten een kleine muis langs het fietspad in de berm rennen. Bij een dikke boom was hij verdwenen. Na even goed zoeken zag ik de muis weer, vlak bij een eikenboomstam, half verborgen onder laag bij de grond groeiende takjes. Hij was moeilijk te fotograferen, maar hier is hij dan. Lekker een oude eikel aan het eten.

Een jong vosje.

Wilgen en mooie bloemen langs de Langbroekerdijk.

Meeuwen vliegen op zoek naar voedsel vrij laag boven de boot van Harlingen naar Terschelling, Ma 3 juni 2019.

Laag komt de meeuw overvliegen. Waddenzee tussen Harlingen en Terschelling. Ma 3 juni 2019

Een mooie libel. Ik denk het vrouwtje van de Platbuik, maar dat ga ik nog even uitzoeken. Ma 10 juni 2019.

Avondrust. Vrijdag 31 mei 2019.

Mooie knotwilgen in de Bosscherwaarden, Do 16 mei 2019.

De peilput t.o. boerderij Den Noord, Lekdijk-West. Do 16 mei 2019.

Mijn vijf jaar jongere broer Johan Marchal is op 62 jarige leeftijd donderdagmorgen 16 mei 2019 omstreeks 8.30 overleden t.g.v. alvleesklierkanker. Wij zullen hem missen. Met warme gevoelens denk ik o.a. terug aan onze jongensjaren, aan de vele, ook met broer Jan gemaakte zwerftochten door de weilanden en Bosscherwaarden. Hij is “Thuis gehaald” en bij de Hemelse Vader, waarin hij een vast geloof had.

Hij vloog laag over, een paar meter boven mijn hoofd. Maandag, 8 april 2019.

Zo even een foto van mijzelf gemaakt. Heerlijk een uur of vijf gezworven door De Bosscherwaard. Met mijn moeders gebreide geitenharen sokken, Meindl wandelschoenen, water en eten etc. in mijn rugzak. Warm, zweten en vervelende vliegen. Maandag 6 augustus 2018.

Zon, paarden en vliegen langs de lage Lekoevers in De Bosscherwaarden.